Go to abstract

Samenvatting

In 1999 zijn in het kader van de 'beleidsvernieuwing bodemsanering (BEVER) bodemgebruikswaarden (BGW) voor acht metalen, PAK, DDTs en drins vastgesteld als saneringsdoelstelling voor de bovengrond. Het Kabinetsstandpunt beleidsvernieuwing bodemsanering geeft aan de BGW zowel betekenis in het curatieve bodembeleid als in het bodembeheer. Aanleiding voor de evaluatie van de onderbouwing van de BGW waren 1) beschikbaar komen van nieuwe gegevens en methodieken, 2) vrijwel ontbreken van een bodemkwaliteitseis specifiek voor planten en voor doorvergiftiging; 3) ontbreken van een methodiek om vanuit de kwaliteitseisen voor compost kritische gehalten voor de bodem af te leiden; 4) onduidelijkheid over wat de werkelijke ecologische consequenties zijn van het hanteren van de HC50 als algemeen ecologische criterium. Geconcludeerd is dat op basis van meer recente gegevens en methodieken een aanpassing nodig is van de BGW voor cluster I voor 3 stoffen en van de BGW voor cluster II voor de meeste stoffen. Nieuwe toxiciteitsgegevens voor planten maken het mogelijk een apart criterium af te leiden voor cadmium, lood, chroom en nikkel. Meenemen van doorvergiftiging (op HC50-niveau) leidt tot lagere risicogrenzen voor cadmium, lood, kwik, methyl-kwik en zink. De gehanteerde methode om bodemkwaliteitseisen af te leiden voor compost met een goede kwaliteit leidt tot de conclusie dat de BGW arseen, kwik en zink verlaagd zou moeten worden. De kwaliteitseis voor compost blijkt echter in de praktijk al zeer streng. De vergelijking van laboratorium toxiciteitsgegevens met (semi)veld gegevens laat zien dat de veldgegevens in dezelfde orde, maar iets hoger lijken te liggen. Aanbevolen is meer veldgegevens te gebruiken om een uitgebreidere studie te kunnen uitvoeren naar de ecologische relevantie van laboratorium toxiciteitsgegevens. Daarnaast wordt aanbevolen meer specifieke beschermingsdoelen te formuleren, wanneer volledige bescherming niet haalbaar is. Om de onzekerheid van de potentiele risico's voor het ecosysteem te kunnen verminderen wordt aanbevolen de onderkant van het 90%-betrouwbaarheidsinterval van de HC50 (LLHC50) als algemeen ecologisch criterium te hanteren.

Abstract

In 1999 Soil-use specific Remediation Objectives (SRO) were derived for eight metals, PAHs, DDT and drins as part of the new soil clean-up policy. The SROs represent the minimal degree soil quality in the topsoil after remediation. Derived values are implemented in the policies for soil remediation and soil management. Evaluating this underpinning of the SRO was found necessary for the following reasons: 1) the issue of availability of new (toxicity) data and revised methods, 2) lack of specific toxicity data for plants and adequate risk levels for secondary poisoning, 3) lack of a method to derive a criterion to guarantee the quality of compost from contaminated soil, 4) uncertainty about the ecological impact of using the generic ecological criterion, HC50. The report focuses on the soil quality criteria for humans, phytotoxicity, secondary poisoning, the generic ecological soil quality criterion and a criterion for maintaining the quality of compost. Several conclusions have arisen from this evaluation. First, when only new data and methods are implemented, derived SROs for soil-use category I need to be slightly changed for chromium, DDT/DDE and PAHs, while derived SROs for soil-use category II need to be changed for most compounds. Secondly, new data on phytotoxicity have made it possible to derive a criterion for phytotoxicity for cadmium, lead, chromium and nickel. However, taking secondary poisoning into account derived risk limits are shown to be lower for cadmium, lead, mercury, methyl-mercury and zinc. Thirdly, the method developed to derive soil quality criteria for producing good-quality compost leads to the conclusion that the SRO should be lowered for arsenic, zinc and mercury. For zinc, though, the current quality standard is already considered very stringent for practical use. In the investigation on the ecological relevance of HC50 by comparing laboratory toxicity data with field toxicity data, the field data, in general, were concluded to be slightly higher. It was recommended to use more field toxicity data to be able to carry out a more extensive study. Many aspects like bioavailability influence this comparison. Although the current generic ecological criterion (HC50) does not guarantee the unhampered functioning of the ecosystems, it was chosen as an acceptable standard. For the future, deriving ecological criteria based on specific protection goals is advisory. To reduce the uncertainty and risk to ecosystems, it was recommended to use the lower limit (when available) of the 90%-confidence interval for HC50 (LLHC50) as the generic ecological soil quality criterion. This use will lead to more stringent SROs for most compounds.

Resterend

Grootte
1.36MB