RIVM_Logo

Validatie van fijn-stof (PM10) meetresultaten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit

Validation of PM10 aerosol concentrations in the Dutch National Air Quality Monitoring Network

Publiekssamenvatting

De in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) opgestelde meetapparatuur voor het vaststellen van de fijn stof (PM10) concentratie in de buitenlucht verzamelt het aangezogen stof op een filter. Het principe van de meetmethode berust op het vaststellen van de verzwakking van beta-straling door het verzamelde stof, als maat voor de hoeveelheid (massa) op het filter verzameld stof. Hieruit wordt vervolgens de concentratiewaarde (meetresultaat) berekend. Omdat de meetresultaten door een diversiteit van oorzaken fouten kunnen bevatten dienen deze getoetst te worden op juistheid (validatie). Mogelijke fouten kunnen onderkend worden door het beschouwen van de z.g. technische parameters van de monitor. Gebruikt zijn de technische status van de monitor en het uurgemiddelde en de standaarddeviatie van de stofbelading. Door het analyseren van deze parameters uit het verleden zijn toetswaarden afgeleid die uitsluitsel geven over de juistheid van de meetresultaten. Op basis van bovengenoemde parameters zijn de volgende vier testen gedefinieerd: a. Test op technische status van de monitor. Via de in de monitor ingebouwde microprocessor wordt een belangrijk deel van de werking intern bewaakt. Falen van het meetsysteem komt tot uitdrukking in de hoogte van het uitgangssignaal van de monitor. Het Stations Processor Systeem (SPS) zal dit vertalen naar een technisch statuswoord dat bij elk uurlijks meetresultaat wordt gegenereerd. b. Test op negatieve waarden uurlijkse stofbelading. Bij buitenluchtconcentraties van nul mug m-3 is de uurlijkse stofbelading gemiddeld nul mug. Echter door fluctuaties in het signaal kunnen ook negatieve waarden optreden. De ondergrens is empirisch vastgesteld op -18 mug. c. Test op te sterke variatie in uurlijkse stofbelading. Sterke variaties in de uurlijkse stofbelading kunnen veroorzaakt worden door verstoring van de meting. De toetswaarde, gedefinieerd als het verschil tussen twee opeenvolgende uurlijkse stofbeladingen, is empirisch vastgesteld op 42 mug. d. Test op de standaarddeviatie van de uurgemiddelde stofbelading. De hoogte van de minimale standaarddeviatie kan gekarakteriseerd worden als een 4e graads functie van de uurgemiddelde concentratiewaarde. Uit de frequentieverdeling van opgetreden standaarddeviaties is te samen met genoemde functie de grenswaarde vastgesteld. Het resultaat van de bovengenoemde toetsen leidt tot een aanbevelingslijst van af te keuren meetresultaten. Een soortgelijke toetsmethode heeft in de periode november '93 t/m april '94 geleid tot afkeuraanbeveling van ca. 0,5% van de meetresultaten. Na een kritische beschouwing werd ca 0,4% daadwerkelijk afgekeurd. Het verschil werd veroorzaakt doordat in extreme luchtverontreinigingssituaties de testen c en d in een aantal gevallen ten onrechte tot een afkeuraanbeveling leidden. Belangrijkste aanbevelingen die worden gedaan zijn het vaststellen van de toetsingscriteria met een uitgebreidere dataset en het formaliseren en vastleggen in procedures van overwegingen die worden gehanteerd bij de beoordeling van de afkeuraanbevelingen.
 

Gerelateerde onderwerpen

Home / Documenten en publicaties / Validatie van fijn-stof (PM10) meetresultaten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu