RIVM_Logo

4. Het tijdstip van vaccinatie

4.1 Het tijdstip van de 1e DKTP-Hib-HepB- en Pneu-vaccinatie
4.2 Het tijdstip van de 2e en 3e DKTP-Hib-HepB-vaccinatie
4.3 Het tijdstip van de 2e Pneu-vaccinatie
4.4 Het tijdstip van de DKTP-Hib-HepB- en Pneu-revaccinatie
4.5 Het tijdstip van de BMR-en MenC-vaccinatie
4.6 Het tijdstip van de DKTP-vaccinatie voor de 4-jarigen
4.7 Het tijdstip van de DTP- en BMR-vaccinatie voor de 9-jarigen
4.8 Het tijdstip van de HPV-vaccinatie

 

4.1 Het tijdstip van de 1e DKTP-Hib-HepB- en Pneu-vaccinatie

De eerste vaccinatie wordt in de regel gegeven als de baby 6, 7, 8 of 9 weken oud is. (10, 23, 25) De geboortedag en de dag waarop het consultatiebureau bezocht wordt, zijn mede bepalende factoren. Het blijft wenselijk de vaccinatie zo vroeg mogelijk te geven in verband met risico op kinkhoest. Het is te laat en niet wenselijk om de eerste vaccinatie na de leeftijd van 9 weken te geven. Als die situatie dreigt te ontstaan, moet bekeken worden of de vaccinatie elders op tijd gegeven kan worden, bijvoorbeeld tijdens een inloopspreekuur of op een ander consultatiebureau.

In bijzondere situaties is het heel belangrijk om tijdig te vaccineren:

  • Als het gaat om een baby van een moeder die HBsAg-draagster is. De eerste vaccinatie (HepB-0) moet binnen 48 uur na de geboorte gegeven zijn. De leeftijd van 9 weken is dan in principe de deadline waarop de tweede vaccinatie (DKTP-Hib-HepB-1) gegeven moet zijn.
  • Als er een lokale uitbraak van kinkhoest is of als de baby direct contact heeft gehad met een kinkhoestpati√ęnt. Hoewel het vaccin geregistreerd is voor toepassing vanaf de leeftijd van 6 weken, kan de arts vanwege dit risico overwegen om de eerste vaccinatie vanaf 4 weken (28 dagen, geboortedag is 0) toe te dienen tegelijkertijd met de eerste pneumokokkenvaccinatie (zie LCI-richtlijn Kinkhoest).
  • Bij verwondingen kan het ook nodig zijn de vaccinatie eerder te geven. Het gaat dan om diepe, uitgebreide en/of verontreinigde wonden, in het bijzonder ook tweede- en derdegraads brandwonden (zie hoofdstuk 12 Postexpositieprofylaxe tetanus bij kinderen).
  • Bij reizen naar een risicoland.
  • De vaccins van het zuigelingenschema (DKTP-Hib-HepB en Pneu) zijn geregistreerd en/of uitgebreid onderzocht bij kinderen van 6 weken en ouder. Beperkte onderzoeksgegevens laten zien dat op individuele indicatie de vaccins vanaf de leeftijd van 4 weken kunnen worden toegediend met voldoende effectiviteit en toereikende bescherming.

4.2 Het tijdstip van de 2e en 3e DKTP-Hib-HepB-vaccinatie

Voor de 2e en de 3e vaccinatie is tijdigheid net zo van belang als voor de eerste vaccinatie. Het standaard interval is 4 weken. Soms is er een reden om dit interval te verkorten, bijvoorbeeld als het kind voor enkele weken naar het buitenland gaat. Het absolute minimuminterval is 2 weken. Tweemaal een interval van minder dan 4 weken is niet wenselijk. Als het interval korter is dan 2 weken dan moet de vaccinatie opnieuw gegeven worden. De nieuwe vaccinatie wordt gepland zonder rekening te houden met de laatste vaccinatie. De te vroeg gegeven vaccinatie wordt niet meegerekend. Overleg bij twijfel altijd met een medisch adviseur van het RIVM.

4.3 Het tijdstip van de 2e Pneu-vaccinatie

Ook bij de 2e Pneu-vaccinatie is tijdigheid van belang. Het standaard interval is 8 weken. Als er een reden is om het interval te verkorten, is het absolute minimuminterval 6 weken. Als het interval korter is, dan moet de vaccinatie opnieuw gegeven worden. De te vroeg gegeven vaccinatie wordt niet meegerekend. Overleg bij twijfel altijd met een medisch adviseur van het RIVM. (5, 7)

4.4 Het tijdstip van de DKTP-Hib-HepB- en Pneu-revaccinatie

Na 3, respectievelijk 2 vaccinaties (primaire serie) is het kind voorlopig voldoende beschermd. Er is wat meer speling voor het moment van de eerste revaccinatie. Het interval tussen de primaire serie en revaccinatie is bij voorkeur minimaal 6 maanden. Onderzoek heeft uitgewezen dat het effect van de revaccinatie groter wordt naarmate het kind ouder is en het interval groter. Daarom is de vaccinatie op de leeftijd van 11 maanden immunologisch gezien beter dan op de leeftijd van 10 maanden. De eerste revaccinatie wordt rond de leeftijd van 11 maanden gepland. Soms is het wenselijk om dit interval te verkorten. Het absolute minimuminterval is dan 4 maanden. Indicaties hiervoor zijn:

  • een kind dat langdurig naar het buitenland gaat en daar moeilijk aan vaccinaties kan komen;
  • een kind zonder vaste woon- of verblijfplaats;
  • een kind van een HBsAg-draagster, en waarvan onzeker is of het kind de volgende keer, op het gewenste tijdstip, weer op het consultatiebureau komt;
  • een kind met een ernstige wond (zie hoofdstuk 12 Postexpositieprofylaxe tetanus bij kinderen).

Als het interval korter is dan 4 maanden dan moet de vaccinatie opnieuw gegeven worden. De nieuwe vaccinatie wordt 6 maanden na de laatste vaccinatie van de primaire serie gepland. De te vroeg gegeven vaccinatie wordt niet meegerekend.

4.5 Het tijdstip van de BMR- en MenC-vaccinatie

Deze vaccinaties worden in de regel op de leeftijd van 14 maanden gegeven met een spreiding van 12 tot 15 maanden. Tijdigheid is van belang in verband met een onverhoopte mazelenepidemie. Als de vaccinaties voor de eerste verjaardag gegeven zijn, dan moeten ze na de leeftijd van 1 jaar opnieuw gegeven worden. Binnen het RVP mag de BMR-vaccinatie vanaf de leeftijd van 6 maanden gegeven worden als daarvoor een reizigersindicatie of een epidemische indicatie bestaat (zie hoofdstuk 11 Vaccinaties voor kinderen die reizen naar het buitenland). Voor de MenC-vaccinatie bestaat die indicatie niet.

4.6 Het tijdstip van de DKTP-vaccinatie voor de 4-jarigen

In het jaar dat een kind 4 jaar wordt, ontvangt het een oproep voor deze vaccinatie. De vaccinatie mag vanaf de 3e verjaardag gegeven worden, maar wordt normaliter rond de leeftijd van 3 jaar en 9 maanden toegediend. Het verdient de voorkeur de vaccinatie vanaf de leeftijd van 3 jaar en 6 maanden te geven in verband met een voldoende groot interval met de laatste DKTP-Hib-HepB-vaccinatie.

4.7 Het tijdstip van de DTP- en BMR-vaccinatie voor de 9-jarigen

In het jaar dat een kind 9 jaar wordt, ontvangt het een oproep voor deze vaccinaties. De vaccinaties worden tijdens een zogenaamde groepsvaccinatie gegeven. Het moment wordt door de JGZ-organisatie bepaald in overleg met het RIVM-DVP-regiokantoor.

4.8 Het tijdstip van de HPV-vaccinatie

De serie HPV-vaccinaties wordt door de JGZ-organisatie in principe gestart in het voorjaar van het jaar waarin het meisje 13 jaar wordt. (3, 26, 27) De serie wordt op deze leeftijd aangeboden om er voor te zorgen dat die is afgerond ruim voor de sexarche. De stelregel is dat de volledige serie van 2 HPV-vaccinaties wordt afgerond in het jaar dat met de 1e vaccinatie is gestart. Als meisjes/ouders niet reageren op de eerste oproep, ontvangen zij na een half jaar nog 1 keer een oproep.




Home / Documenten en publicaties / Richtlijnen / 4. Het tijdstip van vaccinatie

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu