RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

LCI-richtlijn Staphylococcus aureus-infecties inclusief MRSA

Naar onderwerp 'Staphylococcus aureus-infecties' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen
  1. Historie
  2. Ziekte
  3. Diagnostiek
  4. Besmetting
  5. Desinfectie
  6. Verspreiding
  7. Behandeling
  8. Primaire preventie
  9. Maatregelen naar aanleiding van een geval
  10. Overige activiteiten

  • Vastgesteld LOI april 2009
  • November 2014: Par. 9.3; opname van een link naar GGDKennisnet voor informatie over de vergoedingsregeling.
  • April 2014: Paragraaf 7, behandeling bij huisgenoten gewijzigd.

1. Historie

De naam Staphylococcus is in 1881 bedacht door de Schotse chirurg Alexander Ogston, die dit micro-organisme regelmatig aantrof in abcessen. Stafylokokken zijn grampositieve kokken (kogelbacteriën) die in druiventrosvorm liggen (staphyle is het Griekse woord voor druiventros). Stafylokokken komen voor als commensale huidflora en kunnen in twee hoofdgroepen worden ingedeeld: coagulase en niet-coagulase producerende stafylokokken. Coagulase wordt voornamelijk geproduceerd door de soort Staphylococcus aureus. Niet-coagulase producerende stafylokokken zoals S. epidermidis, zijn weinig virulent en vallen buiten het bestek van deze richtlijn. S. aureus kan verschillende klinische ziektebeelden veroorzaken die tevens epidemische vormen kunnen aannemen. De ziektebeelden wisselen sterk. Men kan S. aureus-infecties onderverdelen in huidinfecties en invasieve infecties. Deze infecties ontstaan zowel onder de algemene bevolking, (community acquired infecties), als in zorginstellingen (nosocomiale infecties).

Deze richtlijn behandelt met name community acquired infecties, welke voornamelijk huidinfecties betreffen. S. aureus-voedselvergiftiging is geen infectie maar een intoxicatie en wordt daarom niet behandeld in deze richtlijn. De maatregelen bij meticillineresistente Staphylococcus aureus (MRSA) zijn voor een deel gelijk aan de maatregelen bij meticillinegevoelige S. aureus.
Wanneer directe contacten van personen met MRSA werkzaam zijn in zorginstellingen of zelf als patiënt regelmatig zorginstellingen bezoeken, worden additionele maatregelen genomen om de infectie (en in geval van MRSA noodzakelijkerwijs het dragerschap) te behandelen.

Naar boven

2. Ziekte

2.1 Verwekker

Het geslacht Staphylococcus omvat meer dan 20 soorten. S. aureus, S. epidermidis, S. haemolyticus en S. saprophyticus worden bij de mens het meest geïsoleerd. Het ziekmakende en verspreidende vermogen van een S. aureus-stam wordt grotendeels bepaald door de aanwezigheid van virulentiefactoren, zoals de exotoxinen Toxische Shock Syndroom Toxine-1 (TSST-1) en het Panton-Valentine Leukocidine (PVL).

Exotoxinen

Het exotoxine TSST-1 is een superantigeen dat door aspecifieke activatie van T-lymfocyten het Toxische Shock Syndroom veroorzaakt. PVL is een S. aureus-exotoxine dat kan leiden tot abcederende en necrotiserende infecties van de huid, subcutaan weefsel en de longen. De laatste jaren is wereldwijd, ook in Nederland, vooral een toename te zien van infecties van de huid en weke delen met PVL-positieve meticillineresistente S. aureus-stammen. In het algemeen is minder dan 5% van de S. aureus-stammen PVL-positief. Echter, het merendeel van de S. aureus-stammen (in de tweede lijn) die geassocieerd zijn met abcederende infecties die buiten het ziekenhuis zijn ontstaan, zijn PVL-positief. In hoeverre het PVL-toxine zelf verantwoordelijk is voor de bovengenoemde ziektebeelden is nog onduidelijk. Andere geassocieerde toxines spelen eveneens een essentiële rol.

MRSA

Meticillineresistentie berust op de aanwezigheid van het mecA-gen in S. aureus. Dit gen codeert voor de productie van een gemodificeerd penicillinebindend eiwit, het PBP-2a, dat een verminderde affiniteit bewerkstelligt voor bètalactamantibiotica. Dit resulteert in een ongevoeligheid voor alle bètalactamantibiotica. Vermoed wordt dat het mecA-gen afkomstig is van coagulasenegatieve stafylokokken en dat overdracht van het mecA-gen slechts incidenteel optreedt. Het mecA-gen komt wisselend tot expressie, wat kan resulteren in verschillende minimale remmende concentraties (MRC) voor bètalactamantibiotica. S. aureus met het mecA-gen worden beschouwd als MRSA, ongeacht de hoogte van de MRC.

Community Acquired MRSA en Hospital Acquired MRSA

Vanaf 1980 zijn een aantal uitbraken van MRSA beschreven bij personen zonder eerdere opname in een ziekenhuis. In toenemende mate worden wereldwijd ook bij individuele patiënten MRSA-infecties gevonden, met name van huid en weke delen. Daarmee ontstond naast Hospital Acquired MRSA (HA MRSA) de term Community Acquired MRSA (CA MRSA).
Ook varkens en mestkalveren vormen een reservoir voor MRSA, de zogenaamde ‘varkens MRSA’.

2.2 Pathogenese

De pathogenese verschilt per ziektebeeld. Een S. aureus-infectie leidt over het algemeen tot een pusproducerende ontsteking. Ongeveer 30% van de mensen is symptoomloos drager van S. aureus, met name in de neus. Normaal gesproken leidt dragerschap zelden tot ernstige infecties.

Infecties kunnen zowel endogeen als exogeen zijn. Bij endogene infecties kan dragerschap, als gevolg van een verminderde weerstand aanleiding geven tot verschillende soorten (kleine of grote, oppervlakkige of diepe) infecties van de huid. Plaatselijk door bijvoorbeeld wondjes of borststuwing en over het algemeen bij bijvoorbeeld pasgeborenen, patiënten met suikerziekte of immuno-incompetente patiënten. Exogene infecties worden veroorzaakt door besmetting met een S. aureus-stam van een extern reservoir. Een enkele keer breidt een infectie zich uit tot een bacteriëmie. Deze gaan gepaard met aanzienlijke sterfte. S. aureus-bacteriëmieën veroorzaken in ongeveer eenderde van de gevallen secundaire infectiehaarden, met onder andere osteomyelitis, strooiabcessen en endocarditis als gevolg. Vaak is bij invasieve S. aureus-infecties de porte d’entrée niet te achterhalen. Dit zijn zogenaamde cryptogene infecties.

Gehanteerde begrippen in deze richtlijn:

  • (MR)SA-kolonisatie: de bacterie is langdurig bij een persoon aanwezig. Men noemt dit ook wel ‘(MR)SA-dragerschap’. (MR)SA-kolonisatie kan leiden tot een infectie, maar dit hoeft niet het geval te zijn.
  • (MR)SA-infectie: betreft de infectie ten gevolge van (MR)SA. Bij infectie heeft men ziekteverschijnselen zoals beschreven in paragraaf 2.4.

2.3 Incubatieperiode

Er is geen incubatieperiode te noemen want men kan korte of langere tijd drager zijn voordat men klachten ontwikkelt.

2.4 Ziekteverschijnselen

2.4.1 Huidinfecties

Folliculitis

Een folliculitis is een oppervlakkige purulente ontsteking van een haarzakje en naaste omgeving. Deze ontsteking uit zich klinisch als enkele rode, verheven, pijnlijke laesies, rond een haarzakje. Er zijn geen algemene verschijnselen. Een enkele keer komt uitgebreide folliculitis voor in het baardgroeigebied (sycosis barbae).

Furunkel en karbunkel

Een furunkel (steenpuist) is een diepe ontsteking van een haarzakje en naaste omgeving, dieper dan folliculitis. Dit type infectie komt voor op de behaarde huid (vooral op gezicht, nek, oksels en billen). De infectie begint als een pijnlijke puist, die zich snel ontwikkelt tot een warme, pijnlijke, verheven en geïndureerde laesie met een diameter van 1 tot 2 cm. In een later stadium verschijnt centraal een gelige punt. Deze puisten kunnen spontaan openbarsten en pus afscheiden, waarna genezing optreedt. Regelmatig komen satelliet (omringende) laesies voor en kunnen furunkels ontstaan op andere lokalisaties, vaak door zelfbesmetting. Meestal zijn er geen algemene ziekteverschijnselen, behalve bij uitgebreide furunculose. Men spreekt van furunculose bij meer dan 4 furunkels tegelijk of meer dan 4 furunkels per jaar.

Een karbunkel (negenoog) is dieper gelegen dan een furunkel en is een verzameling van furunkels. Doorbraak naar diepere lagen en laterale verbreiding leidt tot evacuatieopeningen in de omgeving. Uiteindelijk ontstaat centraal een necrotische krater, welke geneest door granulatievorming. Meestal gaat de ontwikkeling van een karbunkel gepaard met koorts (eventueel piekend en met koude rillingen) en malaiseklachten.

Impetigo

Impetigo (krentenbaard) is een oppervlakkige, zich uitbreidende infectie van de huid. Deze infectie komt meestal voor op de blootgestelde huid (gezicht en benen) van kinderen. Ook streptokokken kunnen impetigo veroorzaken, dit is in ongeveer 10% van de gevallen aangetoond.
Impetigo begint als een rode vlek, waar uiteindelijk blaarvorming optreedt met daarin een wittige vloeistof. Deze blaar barst snel open en laat dan een gelige dikke natte korst achter (diameter >1 cm) met daaromheen erytheem (roodheid). De meeste kinderen hebben meerdere laesies in verschillende stadia. De laesies genezen zonder littekenvorming. Er zijn meestal geen algemene ziekteverschijnselen, soms worden reactieve lymfeklieren gevonden. Impetigo kan voorkomen als secundaire infectie bij constitutioneel eczeem en bij een VZV-infectie. Hierbij kunnen patiënten ernstig ziek zijn met hoge koorts.

Pemphigus neonatorum (staphylococcal scalded skin syndroom)

Pemphigus neonatorum is een zich sterk uitbreidende oppervlakkige huidinfectie bij neonaten en jonge kinderen. Bij dergelijke infecties komen verspreid over de huid met pus gevulde blaren en/of blaasjes voor. Onder invloed van S. aureus-exotoxinen laat de huid los. Dit kan aangetoond worden door licht te wrijven over de huid, het zogeheten teken van Nikolsky.

Hydradenitis suppurativa (acne inversa)

Hydradenitis suppurativa is een recidiverende pussende infectie van de apocriene zweetklieren. Het klinisch beeld lijkt op dat van acne conglobata. Deze infectie kan zich voordoen in de oksels, in het perineum of in het genitaal gebied. Naast stafylokokken worden vaak streptokokken, Proteus, E.coli en anaeroben aangetroffen; bij de helft van de patiënten wordt geen verwekker gekweekt.

Mastitis puerperalis

Mastitis puerperalis, een zwelling en stase in de borstklier predisponeren tot mastitis puerperalis. De ontsteking ontstaat meestal in de eerste 2-3 weken na de bevalling en gaat gemakkelijk over tot abcedering.

Paronychia en panaritium

Paronychia is een infectie van de nagelwal, zich uitend in zwelling en roodheid van dit gebied. Panaritium is een infectie aan de buigzijde van de vinger. Panaritium kan zich zeer snel in de diepte uitbreiden en osteomyelitis, gewricht- en peesontstekingen veroorzaken.

Wondinfectie

Een door S. aureus geïnfecteerde chirurgische of traumatische wond is pijnlijk, wordt toenemend rood en gezwollen en vormt uiteindelijk pus. Bij chirurgische wonden is het van belang te bepalen hoe diep deze infectie is om adequate therapie in te kunnen stellen.

Cellulitis

Cellulitis is een zich plotseling uitbreidende infectie van de huid en het onderhuidse vet. Wondjes, ulcera en furunkels predisponeren tot het ontwikkelen van cellulitis. Binnen enkele dagen ontstaat rondom de laesie lokale pijn en roodheid, die snel intensiveert. Het gebied kan zeer uitgebreid in omvang zijn, is rood, warm en gezwollen. In tegenstelling tot erysipelas zijn de grenzen van de laesie niet verheven en niet scherp begrensd, hoewel het onderscheid tussen erysipelas en cellulitis lastig kan zijn. (Zie LCI-richtlijn ‘Groep A-streptokokkeninfecties’). Regionale lymfadenopathie is normaal, en bacteriëmie kan ontstaan. Ook kunnen zich lokaal abcessen ontwikkelen. Daarnaast hebben de patiënten koorts, malaise en vaak koude rillingen.

2.4.2 Invasieve infecties

Sepsis en endocarditis

Een S. aureus-sepsis is een bloedbaaninfectie en ontstaat meestal secundair aan een lokale infectie met dit micro-organisme. De geïnfecteerde foci kan men verdelen in extravasculair (cellulitis, ulcera, brandwond, en dergelijke) en intravasculair (perifere of centraal veneuze katheter, intraveneus drugsgebruik). Het is van belang om in geval van een bacteriëmie endocarditis, epiduraal abces en/of spondylodiscitis uit te sluiten. In 10 tot 20% van de gevallen kan geen oorzakelijke focus worden gevonden. Het algemeen klinisch beeld is dat van een plotseling zeer zieke patiënt met koude rillingen en snel stijgende temperatuur. Vaak klaagt de patiënt over gewrichtspijnen. Indien behandeling met antibiotica niet tijdig wordt gestart, kunnen metastatische ontstekingshaarden en orgaanfalen ontstaan. Deze haarden kunnen in elk orgaan ontstaan maar hebben een voorkeur voor de nieren, longen, lange pijpbeenderen (kinderen) en wervels (volwassenen), en kunnen gaan abcederen. Een S. aureus-sepsis heeft een hoge letaliteit.
Endocarditis is een ernstige infectie van één van de hartkleppen, die langdurig met intraveneuze antibiotica dient te worden behandeld, eventueel met hartklepvervanging. Bij een S. aureus-bacteriëmie moet een endocarditis worden uitgesloten. Klinisch kan men in 20 tot 50% van de gevallen huidlaesies aantreffen, zoals splinterbloedinkjes (nagels), petechiën (conjunctiva, extremiteiten) en tekenen van vasculitis (oslerknobbeltjes en janewaylaesies). Een S. aureus endocarditis kan fulminant verlopen maar een ook een endocarditis lenta-achtig beeld geven. Meestal is de endocarditis linkszijdig. In geval van intraveneus drugsgebruik moet men aan rechtszijdige endocarditis denken. Een dergelijke patiënt kan zich presenteren met een abcederende pneumonie.

Abcessen

Een abces (etterbuil) is een puscollectie in een niet eerder bestaande ruimte. S. aureus-abcessen ontstaan lokaal, secundair aan een (oppervlakkige) huid- of weke deleninfectie, of op afstand als gevolg van een bacteriëmie. Klinische symptomen zijn afhankelijk van de lokalisatie en uitgebreidheid van het abces. Niet adequaat of onbehandelde abcessen resulteren meestal in recidiverende bacteriëmieën.

Pneumonie

Stafylokokkenpneumonie kan ontstaan na een virale luchtweginfectie (meestal influenza) of ten gevolge van een bacteriëmie. Een stafylokokkenpneumonie heeft een abcederend beloop. Men moet bedacht zijn op een S. aureus-pneumonie (mogelijk als complicatie van een rechtszijdige endocarditis) bij intraveneus drugsgebruikers met een pneumonie die niet overgaat met standaardtherapie. Op de longfoto ziet men multipele consolidaties en/of een pleura-empyeem. Zeer zelden kan S. aureus, bij aanwezigheid van een specifieke virulentiefactor (PVL), necrotiserende pneumonieën geven bij gezonde jonge volwassenen.

Osteomyelitis

Osteomyelitis (botinfectie) kan na een bacteriëmie ontstaan of na een infectie ten gevolge van een lokaal trauma. Bij kinderen treedt osteomyelitis vooral op in de lange pijpbeenderen en begint gewoonlijk in de metafyse na een bacteriëmie. Bij volwassenen treedt osteomyelitis meestal op na een trauma of als diepe, postoperatieve wondinfectie na implantatie van kunstmaterialen. Hematogene uitzaaiing gaat bij volwassenen vooral naar de wervels. Klinisch heeft men meestal koorts en lokaal pijn, vooral bij palpatie (betasting) of belasting.

Septische artritis

Septische artritis is een purulente (etterende) ontsteking van meestal één gewricht. S. aureus-artritis ontstaat voornamelijk hematogeen of secundair na een ingreep in het gewricht. Klinisch ziet men een rood gezwollen en pijnlijk gewricht, met pijn bij palpatie en beweging, en koorts. Meest voorkomende aangedane gewrichten zijn: knie, heup, elleboog, schouder en interfalangeaal.

2.4.3 Toxinegemedieerde ziektebeelden

Toxische Shock Syndroom

Dit syndroom wordt gekenmerkt door hoge koorts, hypotensie, diffuus erythemateus exantheem met schilfering en vervelling (handpalmen en voetzolen) en verschijnselen van één of meer orgaansystemen: braken en diarree, conjunctivitis en faryngitis, hoofdpijn en verwardheid, en stoornissen in nier- en leverfuncties. Dit syndroom kwam rondom 1985 epidemisch voor, voornamelijk bij menstruerende vrouwen die nieuwe, sterk absorberende, tampons gebruikten. Daarnaast is het een syndroom dat wel eens bij kinderen voorkomt. Toxische Shock Syndroom wordt veroorzaakt door S. aureus-stammen die een specifiek exotoxine (TSST-1) produceren, dat verantwoordelijk is voor de shockverschijnselen.

Voedselintoxicaties

Stafylokokken kunnen enterotoxinen produceren die acute voedselintoxicaties kunnen veroorzaken. Voor meer informatie zie het LCI-draaiboek ‘Uitbraken van gastro-enteritis en voedselvergiftigingen’.

2.5 Verhoogde kans op ernstig beloop

Verhoogde kans op ernstig beloop hebben:

  • pasgeborenen en ouderen;
  • patiënten met influenza;
  • immuno-incompetente patiënten;
  • patiënten die na een grote operatieve ingreep een Staphylococcus aureus- infectie ontwikkelen;
  • patiënten met chronische aandoeningen;
  • patiënten met waterpokkeninfectie.

2.6 Immuniteit

De intacte huid en slijmvliezen vormen de belangrijkste weerstandsfactor tegen stafylokokkeninfecties. Hoewel men frequent gekoloniseerd is met stafylokokken en antistoffen tegen dit micro-organisme heeft, beschermen deze niet (antitoxische antistoffen tegen TSST-1 kunnen wel bescherming geven voor het toxische shock syndroom). De immuunrespons treedt voornamelijk op door ingestie en inactivatie van S. aureus door fagocyterende granulocyten. Dit heeft een pussende ontsteking tot gevolg.

Naar boven

3. Diagnostiek

3.1 Microbiologische diagnostiek

De diagnostiek van infecties berust op het kweken van de stafylokok. Om dragerschap van S. aureus in het algemeen of MRSA in het bijzonder aan te tonen, zijn naast de kweek ook enkele PCR-gebaseerde methoden beschikbaar. Deze geven in ongeveer 2 uur resultaat en zijn geschikt als screeningsmethode. Bevestiging door middel van kweek is vooralsnog noodzakelijk. De momenteel (commercieel) beschikbare PCR-tests zijn redelijk betrouwbaar voor het uitsluiten van MRSA-dragerschap. Voor invasieve of therapieresistente infecties en bij het vermoeden van een MRSA-infectie wordt specifieke diagnostiek verricht door representatief materiaal in te sturen voor kweek. Bij voorkeur dient dit te geschieden op een moment dat de patiënt (nog) geen antibiotica gebruikt. Zie ook het 'Vademecum aanvragen van diagnostiek door de GGD afdeling infectieziektebestrijding'.
Het RIVM voert de nationale MRSA-surveillance uit. Daartoe wordt van iedere patiënt of medewerker bij wie MRSA wordt aangetroffen één isolaat naar het RIVM gestuurd. In bijzondere situaties kan men, in overleg met het RIVM, meerdere isolaten van één patiënt laten typeren. Aan het onderzoek zijn voor de inzender geen kosten verbonden.

3.2 Overige diagnostiek

De diagnose van uitwendige infecties kan vaak al worden gesteld op basis van het klinische beeld. Aanvullend bloedonderzoek, zoals leukocytentelling, leukocytendifferentiatie en C-Reactive Protein (CRP)-bepaling, kunnen de diagnose van een bacteriële infectie ondersteunen. Indien een patiënt tot een hoogrisicogroep voor (MR)SA-dragerschap behoort, is het aan te bevelen bij wondinfecties kweken af te nemen zodat aangetoond kan worden of het een infectie met een MRSA of een gevoelige S. aureus betreft.

Naar boven

4. Besmetting

4.1 Reservoir

Mens en dier: onder andere hond, kat, paard, pluimvee, rund en varken.

4.2 Besmettingsweg

Direct contact via de handen is de belangrijkste besmettingsweg. Daarnaast vindt verspreiding van stafylokokken plaats door de lucht (op huidschilfers, aerosolen) of via secundaire bronnen in de directe omgeving (kleding, beddengoed, speelgoed). Bij virale infecties van de bovenste luchtwegen neemt door niezen en hoesten de kans op verspreiding van S. aureus toe.

Bron: Microbiologie en Infectieziekten, Hoepelman IM e.a. 2e druk, 2002

Bron Micrologie en Infectieziekten, Hoepelman IM e.a
 

4.3 Besmettelijke periode

Niet van toepassing.

4.4 Besmettelijkheid

Vanuit dragerschap (30% van de bevolking) kunnen infecties ontstaan (endogeen) en dit kan leiden tot infecties bij anderen (exogeen). Zolang dragerschap bestaat is er kans op verhoogde besmettelijkheid voor de patiënt zelf (endogene infectie) en anderen (exogene infectie).
Mensen met geïnfecteerde huidlaesies verspreiden veel grotere aantallen S. aureus dan gezonde neusdragers. Sommige individuen ‘strooien’ huidschilfers met S. aureus in hun omgeving. Meestal hebben deze mensen een huidaandoening zoals eczeem, psoriasis of ichthyosis. Bij een epidemie is het belangrijk dergelijke ‘strooiers’ te identificeren. Ook individuen die neus- en perineumdrager zijn van S. aureus verspreiden grotere aantallen S. aureus dan personen die elders met S. aureus zijn gekoloniseerd.
In ziekenhuizen is de kans op verspreiding en besmetting hoger dan daarbuiten: er zijn meer bronnen (dragers en geïnfecteerden) en meer potentiële ‘portes d’entrée’ (wonden, katheters en dergelijke) aanwezig.
Om een infectie te veroorzaken zijn grote aantallen bacteriën nodig. In aanwezigheid van vreemdlichamen, zoals hechtingen en intravasculaire katheters, daalt de minimale infectiedosis echter sterk. Stolsels, of vermindering van lokale doorbloeding in wonden, hebben een soortgelijk effect. Stafylokokken zijn niet goed bestand tegen verhitting, maar wel tegen uitdroging en bevriezing, waardoor zij lang (enkele maanden) buiten hun natuurlijke gastheren in het milieu (bijvoorbeeld op haar, huidschilfers en stof of inerte materialen) kunnen overleven en daarvandaan nieuwe gastheren bereiken.

Naar boven

5. Desinfectie

Conform de richtlijn Standaardmethoden reiniging, sterilisatie en desinfectie.
 
Naar boven

6. Verspreiding

6.1 Risicogroepen

S. aureus-stammen verspreiden zich optimaal tussen mensen die dicht op elkaar leven zoals in zorginstellingen en binnen het gezinsverband. Een verhoogd risico op infecties lopen:

  • personen die drager zijn van S. aureus;
  • pasgeborenen en ouderen;
  • personen met huidaandoeningen zoals eczeem, psoriasis, verwondingen en brandwonden;
  • patiënten met een verminderde weerstand (diabetes mellitus, cystic fibrosis, chronisch nierinsufficiëntie, agammaglobulinemia, chronisch granulomateuze ziekte en leveraandoeningen);
  • intraveneuze drugsgebruikers;
  • patiënten met langdurig gebruik van een intraveneuze katheter, hemodialyse, peritoneaal dialyse, shunts en chirurgie in het algemeen;
  • patiënten met een langdurige behandeling met immunosuppressiva (corticosteroïden, chemotherapie);
  • patiënten met een influenza-infectie;
  • patiënten met vreemdlichamen zoals hechtingen en fixateur externe.

De Werkgroep Infectiepreventie (WIP) heeft ten behoeve van intramurale gezondheidszorg voor patiënten en personeel vier risicocategorieën voor MRSA-dragerschap opgesteld in haar richtlijn ‘MRSA, Ziekenhuis’.

6.2 Voorkomen in de wereld

S. aureus-infecties komen wereldwijd voor. De hoogste incidentie wordt gevonden in situaties waar veel mensen zijn (crowding) en de persoonlijke hygiëne suboptimaal is. MRSA komt vooral voor in landen met een relatief hoog antibioticagebruik en waar een minder intensief ’search and destroy MRSA-beleid’ wordt gevoerd. In Amerika en Japan zijn al meer dan 50% van de klinische S. aureus-isolaten meticillineresistent. Het percentage MRSA onder de invasieve S. aureus-isolaten in Europa varieert van minder dan 1% in Denemarken, Zweden en Nederland, tot ruim 50% in Spanje, Frankrijk, Engeland en Italië. In landen waar MRSA veel voorkomt in ziekenhuizen is ook de prevalentie van MRSA onder de open bevolking aan het stijgen (1 à 3 %). (www.ecdc.europa.eu/en/activities/surveillance/EARS-Net/Pages/index.aspx, Gor08)

6.3 Voorkomen in Nederland

Met name impetigo kan epidemisch voorkomen, vooral onder kinderen op kinderdagverblijven of scholen en vaak rond de zomerperiode (warm weer). Ook andere vormen van huidinfecties met S. aureus kunnen epidemisch voorkomen in situaties waar veel huidcontact en het krijgen van laesies samen voorkomen, zoals bij contactsporten. Voorbeelden zijn judo, rugby, voetbal en worstelen. Verder is S. aureus een van de meest voorkomende verwekkers van ziekenhuisinfecties, met name van (postoperatieve) wondinfecties. De prevalentie van MRSA bij invasieve infecties in Nederlandse ziekenhuizen is circa 1%. De prevalentie van MRSA-dragers in verpleeghuizen is < 1%. In de algemene bevolking heeft 0,13% van de mensen MRSA. Het percentage positieve MRSA neusdragers bij ziekenhuisopname is in overeenstemming hiermee: ongeveer 0,03% (www.ecdc.europa.eu/en/activities/surveillance/EARS-Net/Pages/index.aspx). Het percentage dragerschap onder bepaalde risicogroepen kan hiervan afwijken. Zo is het percentage MRSA dragerschap onder patiënten uit buitenlandse ziekenhuizen 3 tot 5% en onder varkenshouders 20%. (Goe02)

Naar boven

7. Behandeling

Bij oppervlakkige, gelokaliseerde infecties (niet impetigo), zonder koorts, is goede wondverzorging en goede hygiëne afdoende. Als een vreemdlichaam bij de infectie een rol speelt wordt dit indien mogelijk verwijderd.
Bij uitgebreide laesies, met of zonder koorts, of bij invasieve infecties is lokale of systemische antibiotische therapie geïndiceerd. Veel antibiotica dringen niet of zeer slecht door in pus, of zijn daarin onwerkzaam. Purulente laesies worden daarom in principe behandeld met (chirurgische) incisie en drainage. In verband met de frequente penicillineresistentie (circa 80%) komt in de eerste plaats een penicillinaseresistente penicilline, zoals flucloxacilline, in aanmerking. Bij overgevoeligheid voor penicillinen dient een deskundige te worden geraadpleegd voor het instellen van adequate therapie.
Bij infecties waar toxinen een belangrijke rol spelen (Toxische Shock Syndroom) wordt geadviseerd clindamycine toe te voegen om in een vroeg stadium de toxineproductie te blokkeren.

Zie voor behandeling van MRSA de richtlijn ‘Optimaliseren van het antibioticabeleid in Nederland XII: Herziening SWAB-richtlijn Behandeling MRSA-dragers' (2012). Behandeling van MRSA-infecties vindt plaats in overleg met een arts-microbioloog of infectioloog. Ook bij bekende MRSA-dragers of patiënten met een hoog risico op MRSA-dragerschap is het bij ernstige infecties van belang om met de arts-microbioloog of infectioloog te overleggen. Het kan immers noodzakelijk zijn voor een andere empirische therapie te kiezen. Eradicatiebehandeling van MRSA geschiedt door de behandelaar in overleg met een arts-microbioloog of infectioloog. Het advies in de bovengenoemde SWAB-richtlijn is om voorafgaand aan een eerste behandeling huisgenoten van de index te kweken op eventueel MRSA-dragerschap. Transmissie van een MRSA- index naar huisgenoten is in ongeveer de helft van de gevallen opgetreden (Mollema 2010) en dragerschap bij huisgenoten is geassocieerd met falende eradicatie-behandeling (Heidi 2011).

Naar boven

8. Primaire preventie

8.1 Immunisatie

Geen.

8.2 Algemene preventieve maatregelen

Algemene persoonlijke hygiëne.
Bij wondverzorging draagt men handschoenen.

Naar boven

9. Maatregelen naar aanleiding van een geval

(In deze paragraaf wordt steeds onder a. gesproken over S. aureus en onder b. over MRSA.)

9.a S. aureus

Bij één patiënt met S. aureus-infectie: alleen de betrokken patiënt wordt indien nodig behandeld, zo nodig in overleg met de arts-microbioloog of infectioloog.
Overige maatregelen zijn niet nodig, tenzij verspreiding van S. aureus-infecties is aangetoond.

9.b MRSA

Bij één patiënt met MRSA-infectie: uitsluitend als er kans is op introductie van MRSA in een ziekenhuis of verpleeghuis (verpleeghuisbewoners bezoeken regelmatig een ziekenhuis of personeel is werkzaam in een ziekenhuis en verpleeghuis) dient bron- en contactonderzoek rondom deze MRSA-patiënt plaats te vinden. Zie ook paragraaf 9.5. In de anamnese dient wel aandacht besteed te worden aan mogelijk andere gevallen in de omgeving van de patiënt en aan de mogelijke bron van de MRSA.

9.1 Bronopsporing (zie ook bijlage 1 Bron- en contactonderzoek bij clusters van MRSA-infectie)

9.1.a S. aureus

Bronopsporing dient te geschieden bij een epidemische verheffing met S. aureus-infecties, afhankelijk van de aard en de ernst van de infecties. Het opsporen en behandelen van (de bron(nen) en zijn) geïnfecteerde contacten is meestal voldoende om een S. aureus-epidemie te bestrijden. Epidemiologische gegevens (bijvoorbeeld eerste ziektedag), kweken en typeren kunnen clustering aantonen en de mogelijke bron en verspreidingspatronen aanwijzen.

9.1.b MRSA

Het beleid bij individuele gevallen van MRSA wordt vormgegeven in de WIP-richtlijnen voor ziekenhuizen en zorginstelling. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering hiervan ligt bij de instelling zelf. Bij een cluster (2 of meer gevallen, epidemiologisch en/of genetisch aan elkaar gelinkt) van MRSA-infecties buiten het ziekenhuis dient bron- en contactonderzoek plaats te vinden. De uitvoering hiervan en verantwoordelijkheid hiervoor is afhankelijk van de plaats waar de MRSA-infectie zich voordoet. Zie bijlage 1 voor bron- en contactonderzoek bij MRSA.

9.2 Contactonderzoek (zie ook bijlage 1 Bron- en contactonderzoek bij clusters van MRSA-infectie)

9.2.a S. aureus

In geval van een cluster (twee of meer gevallen) met Staphylococcus aureus-infecties, en afhankelijk van de ernst van het ziektebeeld of de aanwezigheid van eventueel recidiverende infecties, dient men de directe contacten (bijvoorbeeld huisgenoten, crèche, klas, sportteam) van de indexpatiënt te onderzoeken op het hebben van S. aureus -infecties of -dragerschap, en zo nodig behandelen (zie paragraaf 9.4).

9.2.b MRSA

Indien er sprake is van een cluster van MRSA-infecties dient bron- en contactonderzoek plaats te vinden. De uitvoering van en de verantwoordelijkheid hiervoor is afhankelijk van de setting waarin de MRSA-infecties zich voordoen. Zie bijlage I voor bron- en contactonderzoek bij clusters van MRSA-infectie.

9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

9.3.a S. aureus

  • Handschoenen aan bij de verzorging van de patiënt.
  • Wondhygiëne.
  • Handen wassen of desinfecteren na fysiek contact met de patiënt.
  • Contacten met verschijnselen van S. aureus-infectie dienen te worden behandeld.

9.3.b MRSA

Bij MRSA gelden aanvullende maatregelen in instellingen. Zie daarvoor de WIP-richtlijnen.

Informatie over de mogelijkheden van het declareren van kosten voor individuele, verzekerde zorg door de GGD bij zorgverzekeraars kunt u terugvinden op http://www.ggdkennisnet.nl/thema/verzekerde-zorg

9.4 Profylaxe

9.4.a S. aureus

Dragerschap van S. aureus komt dermate veel voor dat eradicatie hiervan slechts in uitzonderlijke situaties moet worden nagestreefd. Neusdragerschap van S. aureus is op te heffen door korte behandelingen met antimicrobiële neuszalf (mupirocine 2% 3 dd voor 5 dagen). Tot nu toe is deze profylaxe alleen zinvol gebleken voor dialysepatiënten en preoperatief. Daarnaast kan profylaxe, zoals mupirocine of fusidinezuur in combinatie met desinfecterende zeep (chloorhexidine), zinvol zijn voor patiënten met recidiverende huidinfecties, zoals furunculose. Indien deze profylaxe niet afdoende blijkt, dienen ook huisgenoten te worden gekweekt op (neus)dragerschap en bij een positieve kweek te worden meebehandeld met mupirocine, al dan niet in combinatie met desinfecterende zeep. Bij falen dient te worden overwogen of er sprake is van perineumdragerschap van S. aureus of mogelijke resistentie voor mupirocine. Bij therapiefalen overlegt men met een deskundige (arts-microbioloog, internist-infectioloog).
Dragerschapbehandeling heeft een grotere kans op falen als huidlaesies aanwezig zijn. Aanbeveling is eerst de laesies te behandelen en dragerschapbehandeling in te stellen wanneer de laesies zijn gesloten. Men moet altijd beducht zijn op rekolonisatie met S. aureus. Daarom is het raadzaam de dragerschapstatus na enkele weken te controleren en zo nodig opnieuw te behandelen. Verder is het zinvol verzorgend personeel, dat aangetoond bron is van een S. aureus-epidemie, een dragerschapbehandeling te geven, bijvoorbeeld mupirocine in combinatie met desinfecterende zeep. Ook voor personeel geldt dat het de voorkeur verdient een eradicatietherapie pas te starten als eventuele huidaandoeningen zoals eczeem rustig zijn, omdat eradicatie van S. aureus dan een grotere kans op succes heeft.

9.4.b MRSA

Zie voor behandeling van MRSA-dragerschap de richtlijn ‘Optimaliseren van het antibioticabeleid in Nederland XI, SWAB richtlijn Behandeling MRSA dragers’, gepubliceerd door de Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB).

9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf

9.5.a S. aureus

Kinderen met impetigo mogen in principe school of kinderdagverblijf bezoeken. In uitzonderingsgevallen kan de GGD adviseren om in een schoolklas of in een groep van een kinderdagverblijf waar meerdere kinderen impetigo hebben, óf wanneer een kind uitgebreide laesies heeft, de kinderen/het kind pas toe te laten als de aandoening wordt behandeld met antibiotica of als de blaasjes zijn ingedroogd. Ingedroogde blaasjes zijn niet besmettelijk.
Verzorgend personeel met een S. aureus-infectie, zoals een wondinfectie, dient deze af te dekken met ademend wondverband. Als de laesies zich op de hand bevinden kan men handschoenen dragen. Personeel dat dergelijke voorzorgsmaatregelen toepast hoeft niet te worden geweerd.
Andere beroepsbeoefenaren met veelvuldig lichamelijk contact met derden, zoals masseurs en schoonheidsspecialisten, die een bron blijken te zijn van S. aureus-infecties bij anderen, mogen geen cliënten en patiënten meer verzorgen. Pas na een succesvolle dragerschapbehandeling kan de beroepsbeoefenaar het werk hervatten na controlekweken en met inachtneming van hygiënische voorzorgsmaatregelen.

9.5.b MRSA

In geval van MRSA-dragerschap bij kinderen of personeel van een kinderdagverblijf zijn geen aparte maatregelen noodzakelijk. Indien MRSA-dragerschap is aangetoond bij kinderen of personeel van een medisch kinderdagverblijf kan men voor eventuele acties overleggen met de LCI.
Ten behoeve van personeel werkzaam in de thuiszorg en in verzorgings-, verpleeg- of ziekenhuizen heeft de WIP de gedetailleerde richtlijnen ‘MRSA, thuiszorg’, ‘MRSA, verzorgingshuis’, ‘MRSA, verpleeghuis’ en ‘MRSA, ziekenhuis’ opgesteld.

Naar boven

10. Overige activiteiten

10.1 Meldingsplicht

Conform de Wet publieke gezondheid zijn clusters van MRSA-infecties buiten het ziekenhuis, meldingsplichtig.


Meldingsplicht van een cluster van MRSA-infectie buiten het ziekenhuis geldt wanneer er sprake is van 2 of meer personen met een door het laboratorium bevestigde MRSA-infectie bij wie:

  • klinische verschijnselen aanwezig zijn, bijvoorbeeld een abces of luchtweginfectie
    én
  • de infectie buiten het ziekenhuis is ontstaan
    én
  • er aanwijzingen zijn voor een onderlinge besmetting of besmetting vanuit een gemeenschappelijk bron.

MRSA-kolonisatie en MRSA-infectie die ontstaan zijn in het ziekenhuis, zijn niet meldingsplichtig.

Als zich in een instelling waar kwetsbare personen verblijven meerdere gevallen met klachten en symptomen passend bij S. aureus voordoen, kan er sprake zijn van meldingsplicht op basis van artikel 26 van de Wet publieke gezondheid.

10.2 Inschakelen van andere instanties

Na signalering van een cluster worden huisartsen geïnformeerd. Het microbiologisch laboratorium en het Centrum voor Infectieziektenonderzoek, Diagnostiek en Screening (IDS) van het RIVM worden ingeschakeld ter typering van gekweekte stammen.

10.3 Andere draaiboeken en richtlijnen

10.4 Landelijk beschikbaar voorlichting- en informatiemateriaal

10.5 Literatuur

  • Cefai, C, Ashurst, S, et al. Human carriage of methicillin-resistant Staphylococcus aureus linked with pet dog. Lancet 1994; 344:539–540.
  • Cohn LA et al. A veterinary perspective on methicillin-resistant staphylococci. J Vet Emerg Crit Care 2010; 20: 31–45
  • Heidi SM, Ammerlaan et al. Eradication of carriage with methicillin-resistant Staphylococcus aureus: determinants of treatment failureJ Antimicrob Chemother 2011; 66: 2418–2424
  • Manian, FA. Asymptomatic nasal carriage of mupirocin-resistant, methicillin-resistant Staphylococcus aureus (MRSA) in a pet dog associated with MRSA infection in household contacts. Clin Infect Dis 2003; 36:e26–e28.
  • Mollema FP, Richardus JH, Behrendt M, et al. Transmission of methicillin resistant Staphylococcus aureus to household contacts. J Clin Microbiol. 2010;48:202-7. 
  • Sing, A, Tuschak, C, et al. Methicillin-resistant Staphylococcus aureus in a family and its pet cat.NEngl JMed 2008; 358:1200–120.
  • van Duijkeren, E, Wolfhagen, MJ, et al. Human-to-dog transmission of methicillin-resistant Staphylococcus aureus. EmergInfect Dis 2004; 10:2235–2237.
  • van Duijkeren, E,Wolfhagen, MJ, et al. Transmission of a Panton-Valentine leucocidin-positive, methicillin-resistant Staphylococcus aureus strain between humans and a dog. J ClinMicrobiol 2005; 43:6209–6211.
  • Vitale, CB, Gross, TL, et al. Methicillin-resistant Staphylococcus aureus in cat and owner. Emerg Infect Dis 2006; 12:1998–2000.
  • Weese, JS, Dick, H, et al. Suspected transmission of methicillinresistant Staphylococcus aureus between domestic pets and humans in veterinary clinics and in the household. Vet Microbiol 2006; 115:148–155.

Overige literatuur

  • Baba T. et al. Genome and virulence determinants of high virulence community acquired mrsa. Lancet 2002;359:1819-1827.
  • Gezondheidsraad. MRSA-beleid in Nederland. Den Haag: Gezondheidsraad, 2006; publicatie nr 2006/17.
  • Gillet Y. et al. Association between Staphylococcus aureus strains carrying gene for Panton-Valentine leukocidin and highly lethal necrotising pneumonia in young immunocompetent patients. Lancet 2002; 359;753-759.
  • Goettsch W, Geubbels E, Wannet W, Hendrix MGR, Wagenvoort JHT, Neeling AJ de. MRSA in Nederlandse verpleeghuizen 1989-1998: Een inventarisatie van gegevens uit het streeklaboratorium resistentiepeilingsproject. Infectieziekten Bulletin 2002:11(1):1-4.
  • Gordon RJ, Lowy FD. Pathogenesis of Methicillin-Resistant Staphylococcus aureus Infection. Clinical Infectious Diseases 2008;46;350 – 359.
  • Hawkes M, Burton M, Conly J, Nicolle L, Barry C, Ford-Jones EL. Community-associated MRSA. Superbug at our doorstep. Canadian Medical association, 2007;176:54-56.
  • Hoepelman IM, Noorda J van der, Sauerwein R, Verbrugh HA. Microbiologie en Infectieziekten, tweede druk. Bohn Stafleu Van Loghum 2002.
  • Kessel RPM van, Dijk Y van, Nieuwenhuijs M. Stafylokokken in een opvanghuis. Infectieziekten Bulletin 2001;12(2).
  • Kluytmans JAJW. Nasal Carriage of Staphylococcus aureus: the key to preventing staphylococcal disease. Proefschrift (1996).
  • Koning S. et al. Fusidic acid cream in the treatment of impetigo in general practice: double blind randomised placebo controlled trial. BMJ. 2002 Jan 26;324(7331):203-6.
  • Lier A van. Een cluster van PVL positieve Community Acquired MRSA. Infectieziekten Bulletin 2006;17(3):109-111.
  • Lina G. et al. Involvement of Panton-Valentine Leukocidin-producing Staphylococcus aureus in primary skin infections and pneumonia. Clin Infect Dis. 1999;29:1128-1132.
  • Lowy FD. Staphylococcus aureus infections. NEJM 1998;339(8):520-532.
  • Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Reactie op het Gezondheidsraad advies MRSA. Kamerstuk, 21 augustus 2007.
  • Morroy G et al. Een cluster van PVL-positieve community associated MRSA rond een schoonheidsspecialiste. Infectieziekten Bulletin 2007;18(7):232-233.
  • Prevost G. et al. Epidemiological data on Staphylococcus aureus strains producing synergohymenotropic toxins. J Med Microbiol 1995;42:45.
  • Stacey AR, Endersby KE, Chan PC, Marples RR. An outbreak of methicillin resistant Staphylococcus aureus infection in a rugby football team. Br J Sports Med. 1998;32(2):153-154.
  • Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB). Optimaliseren van het antibioticabeleid in Nederland XI SWAB richtlijn Behandeling MRSA dragers. Amsterdam (2007)
  • Timen A, Wannet W, Bos BJ, Heck M. Impetigo: de feiten op een rij. Infectieziekten Bulletin 2002;13(11):423-5.
  • Vonk AG, Vandenbroucke-Grauls CMJE. Meticillineresistente Staphylococcus aureus (MRSA) in de gemeenschap. NTVG 2007;151:401-7.
  • Wannet WJB. et al. Bijzondere MRSA’s in Nederland. Stammen in het bezit van het Panton-Valentine Leucocidine (PVL) gen. Infectieziekten Bulletin 2003;14(3):72 – 73.
  • Wannet WJB. et al. MRSA in Nederlandse ziekenhuizen: surveillanceresultaten 2005-2006 en recente ontwikkelingen. Infectieziekten Bulletin 2007;18(10):347-351.
  • Zetola N, Francis JS, Nuermberger EL, Bishai WR. Review Community-acquired meticillin-resistant Staphylococcus aureus: an emerging threat. The Lancet Infectious Diseases 2005;5:275-286.
  • Raven CFH, van Wijngaarden P, Moenen G, van Reijen MML. Cluster outbreak of MRSA in the communigty; recognition and approach. Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A6812
  • Stein, RA. Methicillin-resistant Staphylococcus aureus—the new zoonosis. Int J Infect Dis 2009; 13:299–301.
  • Wagenaar JA,  Houwers DJ, van Duijkeren E. Gezelschapsdieren: bron van MRSA? Infectieziekten bulletin.Jaargang 22, nummer 8, oktober 2011.

Hier vindt u alle LCI-richtlijnen.

Naar boven

Home / Documenten en publicaties / Richtlijnen / LCI-richtlijnen / LCI-richtlijn Staphylococcus aureus-infecties inclusief MRSA

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu