RIVM_Logo

LCI-richtlijn Rotavirus

Naar onderwerp 'Rotavirus' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen

  1. Historie
  2. Ziekte
  3. Diagnostiek
  4. Besmetting
  5. Desinfectie
  6. Verspreiding
  7. Behandeling
  8. Primaire preventie
  9. Maatregelen naar aanleiding van een geval
  10. Overige activiteiten

December 2012: goedgekeurd Gezondheidsraad. 
April 2015: paragraaf 9.5 is aangepast. Opname arbotekst m.b.t. voedselbereiders en verplegend personeel.

7 november 2016: paragraaf ' Actieve immunisatie'  is vervangen door de Informatie voor professionals over rotavirusvaccinatie.

Begin 2017 wordt een nieuwe versie van deze richtlijn verwacht. 


1. Historie

Rotavirus is wereldwijd een belangrijke veroorzaker van gastro-enteritis, met name bij kinderen in de leeftijd van 6 tot 24 maanden en bij ouderen. (Par03, Est07) Met behulp van elektronenmicroscopie werd dit 70 nanometer grote virus in de jaren zeventig van de vorige eeuw gevonden in duodenumbiopsieën van kinderen die waren opgenomen met een acute gastro-enteritis. Het virus bleek een dubbelstrengs-RNA-virus (dsRNA-virus) te zijn dat een sterke gelijkenis vertoont met virussen uit de familie van Reoviridaeen daarom hiertoe wordt het gerekend. De naam van het virus is ontleend aan het Latijnse ‘rota’ (= wiel) vanwege het wielvormige uiterlijk van het virus onder de elektronenmicroscoop. (Bis73, And04)

Naar boven

2. Ziekte

2.1 Verwekker

Morfologie:

Het genoom van het rotavirus codeert voor twee verschillende eiwitgroepen: virale eiwitten (viral proteins, VP) en niet-structurele eiwitten (non-structural proteins, NSP) die nodig zijn voor de replicatie. Van deze laatste groep is het NSP4 het belangrijkst, aangezien het een enterotoxine-achtige activiteit heeft en waarschijnlijk diarree induceert. (Bal05)

Rotavirussen worden geclassificeerd in serogroepen en sero- en genotypen (Wil03):

Serogroepen

Op basis van de antigene eigenschappen van VP6 worden zeven serogroepen (A t/m G) onderscheiden. (Gen05) De groepen A, B en C zijn verantwoordelijk voor de infecties bij de mens. De meeste voor de mens pathogene rotavirussen behoren tot groep A, deze groep wordt verder geclassificeerd in serotypen. Epidemieën van groep B komen sporadisch voor (China, India) en incidenteel zijn ook uitbraken van groep C beschreven. (Fis04)

Sero- en genotypen

De indeling van groep A in serotypen is gebaseerd op de antigeenverschillen van de oppervlakte-eiwitten P (protease-gekliefd eiwit/P-eiwitof VP4) en G (glycoproteïne/G-eiwitof VP7) van het virus. (Des06) Van deze G- en P-eiwittenbestaan verschillende varianten, zodat vele verschillende subtypen van rotavirus kunnen worden onderscheiden. Aangezien het soms moeilijk is om met behulp van traditionele technieken het serotype te bepalen, wordt ook wel gebruik gemaakt van moleculaire technieken (bijvoorbeeld sequentieanalyse) om het genotype te bepalen. De op deze manier verkregen genotypen correleren goed met bekende serotypen. Ter onderscheid worden de typen die met behulp van genotypering zijn bepaald tussen haakjes geschreven, bijvoorbeeld P1A[8]. (Den08)

2.2 Pathogenese

Het virus komt binnen via de mond en daarna, indien het niet geneutraliseerd wordt door het maagzuur, hecht het zich aan de cellen van het eerste gedeelte van de dunne darm. Vooral het oppervlakte van de wand van de dunne darm wordt hierbij aangedaan, waardoor de structuur en de functie hiervan veranderen. Ook nemen de ontwikkeling en de levensduur van deze cellen af. Hierdoor worden met name koolhydraten minder goed in het lichaam opgenomen. Daarnaast beginnen deze cellen ten opzichte van elkaar los te laten, waardoor er meer vocht langs kan stromen. (Jia02, And04, Bos04, Bal05) Bovendien zorgt het NSP4 ook voor vochtuitdrijving. (Bal05, Lor07) Het gevolg van dit alles is dat er een plotselinge, heftige diarree ontstaat waarbij, met name bij kinderen en ouderen, stoornissen in de water- en elektrolytenhuishouding kunnen ontstaan. (Pel06)

Behalve in de enterocyten in de dunne darm is het rotavirus aangetroffen in de bloedcirculatie, liquor, organen als nieren, lever en het hart, het lymfestelsel en in het serum van geïnfecteerde dieren en kinderen. (Blu03, Bos04, Fis05)

2.3 Incubatieperiode

De incubatieperiode duurt 2 tot 4 dagen na besmetting. (AAP06, And04)

2.4 Ziekteverschijnselen

  • Op het klinische beeld alleen is het niet mogelijk om de diagnose ‘gastro-enteritis ten gevolge van een rotavirusinfectie’ te stellen.
  • Rotavirusinfecties worden gekenmerkt door een trias van plots opkomende diarree, koorts en braken. In een minderheid van de gevallen presenteert het zich met slechts één of twee van deze symptomen. (Sta02) Het ziektebeeld begint met overgeven, 1 tot 2 dagen later gevolgd door diarree. De koorts is veelal boven 39 °C en duurt gewoonlijk 2 tot 4 dagen. De diarree duurt gemiddeld 3 tot 9 dagen.
  • Bij pasgeborenen verlopen infecties met het rotavirus gewoonlijk mild tot asymptomatisch dankzij de maternale antistoffen. (McL80, Cha06)
  • Bij kinderen staat vooral het braken voorop, dikwijls in combinatie met een plotse, heftige, niet-bloederige, zeer frequente diarree (10 à 20 keer per dag) die vaak gepaard gaat met buikpijn. Soms is toediening van parenterale vloeistof noodzakelijk om uitdroging te behandelen.
  • Bij volwassenen kan het verloop zeer variabel zijn. Bij het merendeel verloopt de infectie subklinisch, waarschijnlijk door eerder verkregen immuniteit, maar bij sommigen kan deze zeer ernstig verlopen. Het ziektebeeld presenteert zich met misselijkheid, algeheel malaisegevoel, hoofdpijn, buikkrampen, diarree en koorts. (And04)
  • Bij ouderen gaat waterige diarree en overgeven (leidend tot isotone uitdroging) vaak gepaard met een milde koorts of subfebriele temperatuur. Soms is er bloed bij de ontlasting.

2.5 Verhoogde kans op ernstig beloop

Ernstige en langdurig aanhoudende gastro-enteritiden zijn gemeld bij kinderen met immunodeficiëntie, in het bijzonder bij aids, T-celimmunodeficiënties zoals SCID (Severe Combined Immuno Deficiency) en na beenmergtransplantaties. (Gua02, Lia05, Ves06-III) In deze gevallen werd het rotavirus ook geassocieerd met zeer ernstige tot fatale vormen van gastro-enteritis.

2.6 Natuurlijke immuniteit

Het kind krijgt moederlijke rotavirusantilichamen mee via de placenta, colostrum en moedermelk. (McL80, Cha06) De rol van borstvoeding bij bescherming tegen een rotavirusinfectie is vooralsnog niet opgehelderd, haar beschermende rol lijkt tot nu toe bescheiden te zijn. (Bre05, Mru08)

Er lijkt enige mate van kruisimmuniteit te bestaan, aangezien een volgende, natuurlijke infectie minder ernstige klachten geeft. Dit blijkt ook voor de huidige vaccins op te gaan. (Bis83, Ves08)

Ouderen blijken een verhoogd risico te hebben op het krijgen van een infectie door een afnemende functie van het immuunsysteem en door de wereldwijde toename van nieuwe typen rotavirus waar ouderen geen bescherming tegen hebben opgebouwd. (Iij06, Pel06) 

De humorale immuniteit (antistoffen) speelt een belangrijke rol bij de bescherming tegen infecties door rotavirus. De rol van cellulaire immuniteit is minder goed uitgezocht. Een betekenis kan echter worden vermoed omdat een infectie bij T-cel immuungecompromiteerde patiënten (zoals hivpatiënten met een laag CD4 getal, transplantatiepatiënten waarbij de T-cel-immuniteit onderdrukt wordt, en in mindere mate ook ouderen bij wie de cellulaire immuunrespons is verminderd) een ernstiger beloop en een langere ziekteduur geeft. (And04, Gil92, Mor02, Tho99) Ook uit gegevens verkregen uit experimenteel onderzoek zijn hiervoor aanwijzingen te vinden. (Bar10, Des11)

 

Naar boven

3. Diagnostiek

3.1 Microbiologische diagnostiek

Antigeendetectie in de ontlasting met behulp van EIA (enzyme immuno-assay) is wereldwijd de meest gebruikte methode voor alle groep A-rotavirussen. Het virus kan in hoge concentraties worden uitgescheiden in de ontlasting van patiënten met gastro-enteritis (tot 1012virussen/gram feces). Latexagglutinatie en polyacrylamide-gel-elektroforese zijn iets minder sensitief dan EIA. (Moh03)

3.2 Overige diagnostiek

Voor nadere typering kan gebruik gemaakt worden van RT-PCR. (Pan04) Andere mogelijkheden zijn elektronenmicroscopie, ‘nucleic acid hybridization’ en sequentieanalyse. (Fis04, Pan04)

Naar boven

4. Besmetting

4.1 Reservoir

De tractus gastro-intestinalis van mens en dier vormt een reservoir voor het virus.

Theoretisch is het mogelijk dat nieuwe stammen door herschikking van genetisch materiaal (reassortment) zich kunnen ontwikkelen bij een menginfectie, zoals wordt gezien bij het influenzavirus. Rotavirus groep A t/m C kan zowel bij de mens als bij dieren een infectie veroorzaken, maar directe transmissie tussen deze verschillende species is niet aangetoond. De interspeciesbarrière tussen dier en mens blijkt voldoende hoog om regelmatige transmissie als zoönose te verwaarlozen. Interessant hierbij is dat allerlei rotavirustypen tussen diersoorten veel gemakkelijker uitwisselen dan tussen mens en dier.

4.2 Besmettingsweg

Direct: transmissie vindt voornamelijk feco-oraal plaats. (Wit03)

Indirect: door in contact te komen met besmette voorwerpen (bijvoorbeeld speelgoed, voedsel (Wit03)), via de handen van bijvoorbeeld personeel, via besmet water (bijvoorbeeld bij onvoldoende gechloreerd zwemwater), of aerogeen.

4.3 Besmettelijke periode

De besmettelijke periode begint in de acute fase en duurt meestal tot ongeveer de 8e ziektedag. Uitzonderingen hierop zijn beschreven, met name bij ouderen en immuungecompromitteerden, aangezien zij langer kunnen blijven uitscheiden. (Fis05)

4.4 Besmettelijkheid

Rotavirussen zijn zeer infectieus door:

  • de hoge stabiliteit (43% van de rotavirussen die op de vingertoppen werden geplaatst bleek na één uur nog infectieus te zijn). (Ans88) Op niet-poreuze en/of harde oppervlakken kunnen ze enkele dagen overleven. Ook is het virus zuurbestendig, zeer stabiel in water en vrij resistent tegen uitdroging;
  • de grote hoeveelheden die met de feces worden uitgescheiden;
  • de lange periode van uitscheiding van het virus met de feces;
  • de hoge snelheid van virale mutatie en genetische reassortment;
  • de asymptomatische dragers (wel besmettelijk, niet ziek).

Dit faciliteert uitbraken, in het bijzonder bij groepen die dicht bij elkaar wonen of verblijven, zoals in verpleeghuizen en in kindercentra. (Mor02, Mar03, Iij06)

Naar boven

5. Desinfectie

Routinematige desinfectie van de handen zal in de dagelijkse praktijk alleen bij een grote uitbraak in bijvoorbeeld een crèche geadviseerd worden. In ziekenhuizen is desinfectie altijd noodzakelijk. (Zer05)

Conform de richtlijn Standaardmethoden Reiniging, desinfectie en sterilisatie
Textiel: standaardmethode  2.3.2, maar met een wastemepratuur van 90 graden. 
Handen: alleen handreiging, geen desinfectie. 

Naar boven

6. Verspreiding

6.1 Risicogroepen

  • Immuno-incompetente personen. (Ans88, And04)
  • Prematuren die voor 32 weken geboren zijn. (Wie08)
  • À terme geboren kinderen met een laag geboortegewicht (< 2500g). (Wie08)
  • Kinderen en ouderen, in het bijzonder in (zorg-)instellingen. (Set01, Iij06)
  • Reizigers die terugkeren uit niet-Westerse landen.

Voor alle groepen geldt dat het risico vergroot wordt door ‘crowding’.

6.2 Verspreiding in de wereld

De verschillende stammen variëren per jaar en per regio waardoor het niet eenvoudig is om de verspreiding ervan te voorspellen. (Bres05) Wereldwijd domineren vijf verschillende stammen: G1P[8], G2P[4], G3P[8], G4P[8] en sinds 2002 is er een belangrijk type bijgekomen: G9P[8]. (Cun02, Gla06, Dam07) De G9-stammen zijn in het bijzonder van belang vanwege de grote mate van reassortment (uitwisseling en herschikking van genetisch materiaal) en vertonen een grote verscheidenheid in combinaties met VP4-gensegmenten P[8], P[6], P[11], P[4] en P[19]. Echter de op dit moment meest voorkomende combinatie is G9P[8]. (Rah05)

Jaarlijks kan wereldwijd, bij kinderen onder de 5 jaar, het rotavirus verantwoordelijk worden gesteld voor ongeveer 111 miljoen episodes van gastro-enteritis die thuis zorg vereisen, 25 miljoen poliklinische bezoeken, 2 miljoen ziekenhuisopnames en ongeveer 350.000 tot 600.000 sterfgevallen. (Par03, Par06) Anders gesteld: op de leeftijd van 5 jaar heeft elk kind symptomatisch of asymptomatisch een rotavirusinfectie doorgemaakt. Hiervan bezocht 1 op de 5 een polikliniek, 1 op de 65 werd opgenomen in een ziekenhuis en bij benadering stierf 1 op de 293 aan deze infectie waarvan 82% in de armste ontwikkelingslanden. (Set01, Blu03, Par03, Gla06, Sor06, Ves06)

6.3 Voorkomen in Nederland

Het meest voorkomende type rotavirus in Nederland is G1P8. De incidentie van rotavirus wisselt per jaar. In de algemene populatie bedraagt deze ongeveer 190.000 gevallen per jaar met een range van 110.000 tot 325.000. (Wit00, Wit01-II, Wit01-III, Pan04, Lia05, Sal05, Duy05, Kem06, Lin06. Pel06) In de leeftijdsgroep tussen 0 en 4 jaar krijgen jaarlijks ongeveer 66.000 kinderen een rotavirusinfectie, waarvan ongeveer 1500 tot 3500 kinderen worden opgenomen in een ziekenhuis. (Duy05, Sor06) Het virus komt het meest frequent voor bij kinderen jonger dan 2 jaar.

Bij alle kinderen onder de 5 jaar bleek 21% van de gastro-enteritiden veroorzaakt te zijn door een rotavirusinfectie, hetgeen gelijk bleek te zijn aan de groep volwassenen en ouderen. (Wit01-I, Wit01-II, Wit01-III) Zo was het virus in de periode 1999-2004 verantwoordelijk voor 35% tot 65% van de ziekenhuisopnames voor gastro-enteritis bij patiënten onder de 5 jaar. (Pel06) Voor alle leeftijden ligt dat tussen 12% en 23% maar dit kan, afhankelijk van jaar en seizoen, oplopen tot boven de 50%. In de winter en in het vroege voorjaar wordt een piekincidentie gezien van rotavirusinfecties en hier moet dan ook aan gedacht worden, vooral bij een kleine lokale epidemie met een explosief karakter (bijvoorbeeld op een kinderafdeling in een ziekenhuis). (Wil03)

Naar boven

7. Behandeling

De therapie bij door rotavirus veroorzaakte gastro-enteritis is symptomatisch: bestrijding van dehydratie. Bij lichte of matige dehydratie kan dit met orale rehydratieoplossing (ORS). Bij ernstige dehydratie, veelvuldig braken of ernstige acidose verdient intraveneuze rehydratie de voorkeur. (Mar03)

Naar boven

8. Primaire preventie

8.1 Immunisatie

8.1.1 Actieve immunisatie

Zie 'Informatie voor professionals rotavirusvaccinatie'  (vastgesteld door een Expertgroep met experts van binnen en buiten het RIVM en toegevoegd op 7 november 2016).

8.1.2 Passieve immunisatie

Passieve immunisatie door intraveneuze of orale toediening van immunoglobuline bij pasgeborenen met een laag geboortegewicht en bij immuungecompromitteerde kinderen is in onderzoek. (Moh03, Ohl04)

8.2 Algemene preventieve maatregelen

Handenwassen is de meest zinvolle preventieve maatregel. (And04) Het toepassen van adequate hygiëne is het belangrijkst bij het voorkómen van blootstelling van kinderen aan andere kinderen met een gastro-enteritis binnen gezinnen of instanties (ziekenhuizen, kinderdagverblijf, et cetera). Handhygiëne wordt uitgevoerd met water en zeep of met gebruik van een handalcohol op ethanolbasis. (Ans89, Sat00) Ook voor de reiziger naar ontwikkelingslanden zijn adequate hand- en voedselhygiëne de belangrijkste preventieve maatregelen omdat de werkzaamheid van de Westerse vaccins in deze landen, met mogelijk andere stammen, onvoldoende zijn onderzocht. (Gom00, Gri08)

Naar boven

9. Maatregelen naar aanleiding van een geval

9.1 Bronopsporing

Niet nodig.

9.2 Contactonderzoek

Niet noodzakelijk.

9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

Voorlichting over algemene preventieve maatregelen als handen wassen en gebruik maken van wegwerpluiers is voldoende. Binnen gezinnen is virusoverdracht moeilijk te voorkomen. Opname in het ziekenhuis van zieke kinderen jonger dan 6 jaar met een gastro-enteritis geschiedt in contactisolatie. Voor de bestrijding van een cluster in een instelling, zie Draaiboek 'Uitbraken van gastro-enteritis en voedselvergiftigingen'.

9.4 Profylaxe

Vaccinatie ter preventie is tot op heden in Nederland niet gebruikelijk.

9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf

Personen die betrokken zijn bij de voedselbereiding of patiëntenzorg moeten gedurende de ziekteperiode en tot 48-72 uur na normalisering van het ontlastingspatroon andere werkzaamheden verrichten. Goede hand- en toilethygiëne dient te worden benadrukt bij hervatting van de werkzaamheden. Vanuit volksgezondheidsperspectief is het weren van kinderen van kinderdagverblijven en scholen niet zinvol.

[Arbo]

Personen met gastro-enteritisklachten (zie 2.4 o.a. diarree) die betrokken zijn bij de bereiding, verpakking of behandeling van eet- en drinkwaren en/of verplegend personeel dienen de eerst verantwoordelijke van de afdeling hiervan direct op de hoogte te stellen. Deze kan hierop actie ondernemen, de voorkeur heeft een tijdelijke tewerkstelling elders in de instelling. Werknemers dienen bij indiensttreding hierover te worden geïnformeerd. Een werkverbod waarmee de werknemer niet instemt is moeilijk te verwezenlijken, maar kan in uiterste nood uitgevaardigd worden door de burgemeester van de betreffende gemeente. Klachtenvrij personeel kan overal tewerkgesteld worden. Medewerkers in keuken en verpleging kunnen na het doormaken van gastro-enteritisklachten, altijd na informeren van en/of overleg met de leidinggevende of bedrijfsarts en goede voorlichting weer de eigen werkzaamheden hervatten.
Werkhervatting na klinisch herstel is mogelijk op voorwaarde dat voorlichting, hygiënisch werken en toezicht hierop gewaarborgd is. (LCI-Draaiboek Uitbraken van gastro-enteritis en voedselinfecties); (Europees Parlement 2004).

10. Overige activiteiten

10.1 Meldingsplicht

In Nederland zijn individuele gevallen van rotavirus niet meldingsplichtig. Clusters van gastro-enteritiden in instellingen zoals kindercentra en verpleeghuizen dienen conform Artikel 26 van de Wet publieke gezondheid gemeld te worden bij de GGD. Indien sprake is van een ernstig ziektebeeld/aanhoudende uitbraak: overleg met RIVM-IDS voor nadere typering.

10.2 Inschakelen van andere instanties

Bij uitbraken gerelateerd aan onvoldoende gechloreerd zwemwater moet contact worden opgenomen met de provincie.

10.3 Andere protocollen en richtlijnen

10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal

Informatiestandaard Infectieziekten Rotavirusgroep A, B, C.

Literatuur

  • American Academy of Pediatrics. Section 3. Summaries of infectious diseases. In: Pickering LK, B. C., Long SS, McMillan JA, eds. Red Book: 2006 Report of the Committee on Infectious Diseases. 27th ed. Elk Grove Village, IL: American Academy of Pediatrics; 2006:572-574
  • Anderson EJ, Weber SG. Rotavirus infection in adults. Lancet Infect Dis 2004;4(2):91-9.
  • Ansari SA, Sattar SA, et al. Rotavirus survival on human hands and transfer of infectious virus to animate and nonporous inanimate surfaces. J Clin Microbiol 1988;26(8):1513-8.
  • Ansari SA, Sattar SA, et al. In vivo protocol for testing efficacy of hand-washing agents against viruses and bacteria: experiments with rotavirus and Escherichia coli. Appl Environ Microbiol 1989;55(12):3113-8.
  • Ball JM, Mitchell DM, et al. Rotavirus NSP4: a multifunctional viral enterotoxin. Viral Immunol 2005;18(1):27-40.
  • Barreto A, Rodriguez LS, Rojas OL, et al. Membrane vesicles released by intestinal epithelial cells infected with rotavirus inhibit T-cell function. Viral Immunol 2010;23:595-608.
  • Bishop RF, Barnes GL, et al. Clinical immunity after neonatal rotavirus infection. A prospective longitudinal study in young children. N Engl J Med 1983;309(2):72-6.
  • Bishop RF, Davidson GP, et al. Virus particles in epithelial cells of duodenal mucosa from children with acute non-bacterial gastroenteritis. Lancet 1973;2(7841):1281-3.
  • Blutt SE, Kirkwood CD, et al. Rotavirus antigenaemia and viraemia: a common event? Lancet 2003;362(9394):1445-9.
  • Boshuizen JA, Rossen JW, et al. Rotavirus enterotoxin NSP4 binds to the extracellular matrix proteins laminin-beta3 and fibronectin. J Virol 2004;78(18):10045-53.
  • Bresee JS, Parashar UD, et al. Update on rotavirus vaccines. Pediatr Infect Dis J 2005;24(11):947-52.
  • Chandran A, Heinzen RR, et al. Nosocomial rotavirus infections: a systematic review. J Pediatr 2006;149(4):441-7.
  • Cunliffe NA, Bresee JS, et al. The expanding diversity of rotaviruses. Lancet 2002;359(9307):640-2.
  • Damme P. Van, Giaquinto C, et al. Distribution of rotavirus genotypes in Europe, 2004-2005: the REVEAL Study. J Infect Dis 2007;95 Suppl 1:S17-25.
  • Dennehy PH. Rotavirus vaccines: an overview. Clin Microbiol Rev 2008;21(1):198-208.
  • Dennehy PH, Goveia MG, et al. The integrated phase III safety profile of the pentavalent human-bovine (WC3) reassortant rotavirus vaccine. Int J Infect Dis 2007;11 Suppl 2: S36-42.
  • Desselberger U, Huppertz HI. Immune responses to rotavirus infection and vaccination and associated correlates of protection. J Infect Dis 2011;203:188-95.
  • Desselberger U, Wolleswinkel-van den Bosch J, et al. Rotavirus types in Europe and their significance for vaccination. Pediatr Infect Dis J 2006;25(1 Suppl): S30-41.
  • Duynhoven YT van, Jager CM de, et al. A one-year intensified study of outbreaks of gastroenteritis in The Netherlands. Epidemiol Infect 2005;133(1):9-21.
  • Duynhoven YT van, Boer I de, et al. Rotavirus. In: Melker HE de; Hahné SJ; Boer IM de (eds). The national immunisation programme in the Netherlands: current status and developments. RIVM report 210021002/2005. pp. 137-143.
  • Estes M, Kapikian A. Rotaviruses and their replication. In: Knipe DM, Howley PM, Giffin DE, Lamb RA, Martin MA (eds) Fields virology, 5th edn. Kluwer Health/Lippincott, Williams and Wilkins, Philadelphia 2007, pp 1917-1974.
  • Europees Parlement en de Raad Verordening (EG) nr. 852/2004 van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne [Zie wijzigingsbesluiten].Bijlage 2, H 8, punt 2.
  • Fischer TK, Gentsch JR. Rotavirus typing methods and algorithms. Rev Med Virol 2004;14(2):71-82.
  • Fischer TK, Ashley D, et al. Rotavirus antigenemia in patients with acute gastroenteritis. J Infect Dis 2005;192(5):913-9.
  • Gentsch JR, Laird AR, et al. Serotype diversity and reassortment between human and animal rotavirus strains: implications for rotavirus vaccine programs. J Infect Dis 2005;192 Suppl 1: S146-59.
  • Gilger MA, Matson DO, Conner ME, Rosenblatt HM, Finegold MJ, Estes MK. Extraintestinal rotavirus infections in children with immunodeficiency. J Pediatr 1992;120:912-7.
  • Glass RI, Parashar UD. The promise of new rotavirus vaccines. N Engl J Med 2006;354(1):75-7. (Gla06-I)
  • Glass RI, Parashar UD, et al. Rotavirus vaccines: current prospects and future challenges. Lancet 2006;368(9532):323-32. (Gla06-II)
  • Gompel A van, Schilthuis H. H6 Preventie van reizigersdiarree. In: Reizen en ziekte. Houten/Diegem 2000, Bohn Stafleu Van Loghum.
  • Grimwood K, Kirkwood CD. Human rotavirus vaccines: too early for the strain to tell. Lancet 2008;371(9619):1144-5.
  • Guarino A, Albano F, et al. HIV, fatal rotavirus infection, and treatment options. Lancet 2002;359(9300):74.
  • Iijima Y, Iwamoto T, et al. An outbreak of rotavirus infection among adults in an institution for rehabilitation: long-term residence in a closed community as a risk factor for rotavirus illness. Scand J Infect Dis 2006;38(6-7):490-6.
  • Jiang B, Gentsch JR, et al. The role of serum antibodies in the protection against rotavirus disease: an overview. Clin Infect Dis 2002;34(10):1351-61.
  • Kemmeren J, Mangen M, et al. Prioritering van voedsel overdraagbare pathogenen: ziektelast en ziektegebonden kosten. RIVM; 2006. Report No.: 330080001;73-123.
  • Liakopoulou E, Mutton K, et al. Rotavirus as a significant cause of prolonged diarrhoeal illness and morbidity following allogeneic bone marrow transplantation. Bone Marrow Transplant 2005;36(8):691-4.
  • Linhares AC, Velazquez FR, et al. Efficacy and safety of an oral live attenuated human rotavirus vaccine against rotavirus gastroenteritis during the first 2 years of life in Latin American infants: a randomised, double-blind, placebo-controlled phase III study. Lancet 2008;371(9619):1181-9.
  • Linhares AC, Ruiz-Palacios GM, et al. A short report on highlights of world-wide development of RIX4414: a Latin American experience. Vaccine 2006;24(18):3784-5.
  • Lorrot M, Vasseur M. How do the rotavirus NSP4 and bacterial enterotoxins lead differently to diarrhea? Virol J 2007;4:31.
  • Marshall J, Botes J, et al. Rotavirus detection and characterisation in outbreaks of gastroenteritis in aged-care facilities. J Clin Virol 2003;28(3):331-40.
  • McLean B, Holmes IH. Transfer of antirotaviral antibodies from mothers to their infants. J Clin Microbiol 1980;12(3):320-5.
  • Mohan P, Haque K. Oral immunoglobulin for the prevention of rotavirus infection in low birth weight infants. Cochrane Database Syst Rev(3): CD003740, 2003.
  • Mori I, Matsumoto K, et al. Prolonged shedding of rotavirus in a geriatric inpatient. J Med Virol 2002;67(4):613-5.
  • Murukowicz J, Szajewska H, et al. Options for the prevention of rotavirus disease other than vaccination. J Pediatr Gastroenterol Nutr 2008;46 Suppl 2: S32-7.
  • Ohlsson A, Lacy JB. Intravenous immunoglobulin for preventing infection in preterm and/or low-birth-weight infants. Cochrane Database Syst Rev(1): CD000361, 2004.
  • Pang XL, Lee B, et al. Increased detection of rotavirus using a real time reverse transcription-polymerase chain reaction (RT-PCR) assay in stool specimens from children with diarrhea. J Med Virol 2004;72(3):496-501.
  • Parashar UD, Gibson CJ, et al. Rotavirus and severechildhood diarrhea. Emerg Infect Dis 2006;12:304-6.
  • Parashar UD, Hummelman EG, et al. Global illness and deaths caused by rotavirus disease in children. Emerg Infect Dis 2003;9(5):565-72.
  • Pelt W van, Giessen AW van de, Mevius DJ, Koopmans MPG, Duynhoven YTHP van Trends in gastro-enteritis van 1996 tot en met 2004. Infectieziekten Bulletin 2006;16(7):250-256.
  • Rahman M, Matthijnssens J, et al. Predominance of rotavirus G9 genotype in children hospitalized for rotavirus gastroenteritis in Belgium during 1999-2003. J Clin Virol 2005;33(1):1-6.
  • Ruiz-Palacios GM, Perez-Schael I, et al. Safety and efficacy of an attenuated vaccine against severe rotavirus gastroenteritis. N Engl J Med . 2006;354(1):11-22.
  • Salinas B, Perez Schael I, et al. Evaluation of safety, immunogenicity and efficacy of an attenuated rotavirus vaccine, RIX4414: A randomized, placebo-controlled trial in Latin American infants. Pediatr Infect Dis J 2005;24(9):807-16.
  • Sattar SA, Abebe M, et al. Activity of an alcohol-based hand gel against human adeno-, rhino-, and rotaviruses using the fingerpad method. Infect Control Hosp Epidemiol 2000;21(8):516-9.
  • Sethi D, Cumberland P, et al. A study of infectious intestinal disease in England: risk factors associated with group A rotavirus in children. Epidemiol Infect 2001;126(1):63-70.
  • Soriano-Gabarro M, Mrukowicz J, et al. Burden of rotavirus disease in European Union countries. Pediatr Infect Dis J 2006;25(1 Suppl): S7-S11.
  • Staat MA, Azimi PH, et al. Clinical presentations of rotavirus infection among hospitalized children. Pediatr Infect Dis J 2002;21(3):221-7.
  • Thomas PD, Pollok RC, Gazzard BG. Enteric viral infections as a cause of diarrhoea in the acquired immunodeficiency syndrome. HIV Med 1999;1:19-24.
  • Vesikari T, Karvonen A, et al. Efficacy of RIX4414 live attenuated human rotavirus vaccine in Finnish infants. Pediatr Infect Dis J 2004;23(10):937-43.
  • Vesikari T, Karvonen A, et al. A short report on highlights of world-wide development of RIX4414: an European experience. Vaccine 2006;24(18):3779. (Ves06-I)
  • Vesikari T, Matson DO, et al. Safety and efficacy of a pentavalent human-bovine (WC3) reassortant rotavirus vaccine. N Engl J Med 2006;354(1):23-33. (Ves 06-II)
  • Vesikari T, Clark HF, et al. Effects of the potency and composition of the multivalent human-bovine (WC3) reassortant rotavirus vaccine on efficacy, safety and immunogenicity in healthy infants. Vaccine 2006;24(22):4821-9. (Ves06-III)
  • Vesikari T, Damme P Van, et al. European Society for Paediatric Infectious Diseases/European Society for Paediatric Gastroenterology, Hepatology, and Nutrition evidence-based recommendations for rotavirus vaccination in Europe. J Pediatr Gastroenterol Nutr 2008;46 Suppl 2: S38-48.
  • Wielen M van der, Damme P Van. Pentavalent human-bovine (WC3) reassortant rotavirus vaccine in special populations: a review of data from the Rotavirus Efficacy and Safety Trial. Eur J Clin Microbiol Infect Dis 2008;27(7):495-501.
  • Wilhelmi I, Roman E, et al. Viruses causing gastroenteritis. Clin Microbiol Infect 2003;9(4):247-62.
  • Wit MA de, Koopmans MP, et al. Hospital admissions for rotavirus infection in the Netherlands. Clin Infect Dis 2000;31(3):698-704.
  • Wit MA de, Koopmans MP, et al. Etiology of gastroenteritis in sentinel general practices in the netherlands. Clin Infect Dis 2001;33(3):280-8. (Wit01-I)
  • Wit MA de, Koopmans MP, et al. Gastroenteritis in sentinel general practices,The Netherlands. Emerg Infect Dis 2001;7(1):82-91. (Wit01-II)
  • Wit MA de, Koopmans MP, et al. Sensor, a population-based cohort study on gastroenteritis in the Netherlands: incidence and etiology. Am J Epidemiol 2001;154(7):666-74. (Wit01-III)
  • Wit MA de, Koopmans MP, et al. Risk factors for norovirus, Sapporo-like virus, and group A rotavirus gastroenteritis. Emerg Infect Dis 2003;9(12):1563-70.
  • Zerr DM, Allpress AL, et al. Decreasing hospital-associated rotavirus infection: a multidisciplinary hand hygiene campaign in a children's hospital. Pediatr Infect Dis J 2005;24(5):397-403.

Hier vindt u alle LCI-richtlijnen.

 

Naar boven

 

 

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu