RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

LCI-richtlijn Paratyfus

Naar onderwerp 'Paratyfus' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen
 

(Informatie uit) de LCI-richtlijnen mogen worden vermenigvuldigd, mits dit gepaard gaat met bronvermelding:
Steenbergen JE van, Timen A, Beaujean DMJA (Red.), 2014, LCI-Richtlijn Paratyfus, http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Professioneel_Praktisch/Richtlijnen/Infectieziekten/LCI_richtlijnen/LCI_richtlijn_Paratyfus, geraadpleegd [datum]. 

  1. Historie
  2. Ziekte
  3. Diagnostiek
  4. Besmetting
  5. Desinfectie
  6. Verspreiding
  7. Behandeling
  8. Primaire preventie
  9. Maatregelen naar aanleiding van een geval
  10. Overige activiteiten

  • Goedgekeurd Gezondheidsraad december 2001
  • Mei 2014: mortaliteit bij 2.4 aangevuld (1%); verspreiding bij 4.2 aangevuld: vooral buiten het huishouden;asymptomatische kolonosatie bij 4.3 toegevoegd; recentere cijfers bij voorkomen in Nederland bij 6.3 toegevoegd; behandeling (bij ongecompliceerde infectie geen antibiotica) aangepast aan behandelbeleid conform recente richtlijn SWAB.
  • Oktober 2009: meldingscriteria in paragraaf 10.1 zijn aangepast aan de Wet publieke gezondheid.
  • November 2015: paragraaf 7: aanpassing in behandelingsbeleid waarin we verwijzen naar het SWAB-beleid.
  • December 2015: paragraaf 7: aanpassing in behandelingsbeleid (SWAB-beleid).

1. Historie

Het woord tyfus komt van het Griekse ‘typhos’, dat letterlijk ‘rook’ betekent, maar ook een onzichtbare maar soms wel te ruiken uitwaseming uit de bodem met een ongunstige invloed op de gezondheid. Paratyfus betekent ‘gelijkend op tyfus’. In Nederland wordt ‘paratyfus’ gebruikt als verzamelnaam voor infecties veroorzaakt door Salmonella paratyphi A, B en C. Het Engelse ‘enteric fever’ omvat, in tegenstelling tot ‘paratyphoid fever’, zowel buiktyfus als paratyfus.
Buiktyfus en paratyfus vertonen qua microbiologische kenmerken, epidemiologie, pathogenese en ziekteverschijnselen grote overeenkomsten. Omdat er ook enkele belangrijke verschillen tussen deze twee aandoeningen zijn, is er in het kader van de LCI-richtlijnen voor gekozen om buiktyfus en paratyfus apart te bespreken.

Naar boven

2. Ziekte

2.1 Pathogenese

Paratyfus is een bacteriële infectieziekte, veroorzaakt door drie serovars van S. enterica, namelijk Salmonella paratyphi A, B en C. Dit zijn invasieve bacteriën die efficiënt de darmmucosa kunnen passeren en vervolgens het mononucleair fagocytosesyteem infecteren. De gastheer krijgt de bacterie binnen via besmet water of voedsel. De grootte van het inoculum en de aard van het voedingsmiddel waarin S. paratyphi zich bevindt beïnvloeden zowel de kans op infectie als de duur van de incubatietijd. Het maagzuur inactiveert het merendeel van de bacteriën, maar sommige voedingsmiddelen kunnen als buffer optreden waardoor deze barrièrefunctie gedeeltelijk teniet wordt gedaan. Het gebruik van zuurremmende medicatie is een belangrijke risicofactor voor infectie.
De bacterie is in staat om na fagocytose te overleven in macrofagen. Via het lymfesysteem bereiken de bacteriën de bloedbaan en andere orgaansystemen.

2.2 Incubatieperiode

De incubatietijd is afhankelijk van de besmettingsdosis en bedraagt meestal 1 tot 3 weken voor de systemische infectie.

2.3 Ziekteverschijnselen

De symptomen kunnen beperkt blijven tot het beeld van een gastro-enteritis met buikpijn, diarree, soms met bloed en slijm, koorts en misselijkheid. Het ziektebeeld kan ook op buiktyfus lijken als er sprake is van een systemische infectie. Er bestaat dan hoge koorts, lusteloosheid, anorexie, hoofdpijn, miltvergroting, wegdrukbare roseolen op de romp, en vaak is er sprake van diarree. Het verloop is meestal milder dan bij buiktyfus (veroorzaakt door S. typhi). Soms is er alleen een septisch beeld.
Milde en asymptomatisch verlopende infecties komen voor.

2.4 Verhoogde kans op een ernstig beloop

Een ernstig beloop komt mogelijk vaker voor bij mensen met een ernstige cellulaire immuundeficiëntie zoals bijvoorbeeld aids. Dit is aangetoond voor S. enteritidis en geldt vermoedelijk ook voor infecties met S.paratyphi spp. De mortaliteit van paratyfus (ca 1%) wordt ingeschat zijnde lager dan van buiktyfus (Bhan 2005). Wereldwijd epidemiologisch onderzoek laat zien dat de mortaliteit in westerse landen minder dan 1,25% is (Buckle 2012).

2.5 Natuurlijke immuniteit

Immuniteit tegen S. paratyphi vereist zowel een humorale als een cellulaire immuunrespons. Hoewel de meeste personen langdurig immuun zijn na het doormaken van paratyfus, kan herinfectie met andere typen voorkomen.

Naar boven

3. Diagnostiek

3.1 Verwekker

S. paratyphi A, B en C behoren tot de familie van de Enterobacteriaceae, geslacht Salmonella, en vallen op basis van serologische typering van somatische (O), flagellaire (H) en Viantigenen respectievelijk onder de groepen A, B en C. Ze zijn onder verschillende namen bekend:

  1. S. paratyphi A
    S. enterica serotype paratyphoid A
  2. S. paratyphi B
    S. enterica serotype paratyphoid B
    S. schottmülleri
  3. S. paratyphi C
    S. enterica serotype paratyphoid C
    S. hirschfeldii

S. paratyphi C draagt als enige het Viantigeen, dat een virulentiefactor is, aangezien dit zure polysaccharidekapsel de fagocytose bemoeilijkt. Van de genoemde typen salmonella is S. paratyphi B degene die het vaakst wordt geïsoleerd.

3.2 Diagnostiek

Alle gegevens die betrekking hebben op de isolatie van S. typhi zijn ook van toepassing op S. paratyphi. (Chr87) De diagnose wordt primair gesteld door middel van een kweek van bloed of beenmergkweken maar S. paratyphi kan ook worden geïsoleerd uit feces, roseolen en/of urine. Als twee tot drie bloedkweken worden afgenomen, kan S. paratyphi in tenminste 50-70% van de klinisch verdachte gevallen worden geïsoleerd. Feceskweken zijn (indien eenmalig uitgevoerd) doorgaans slechts bij 45-65% van de patiënten positief, bij kinderen vaker dan bij volwassenen. Een kweek van het beenmerg heeft met name in de eerste ziekteweek een hoge opbrengst (±90%) en is tot 5 dagen na het starten van antibiotische therapie nog positief.

Naar boven

4. Besmetting

4.1 Reservoir

De mens vormt vrijwel het enige reservoir; hierbij gaat het zowel om dragers als om personen met een acute infectie. Soms zijn dieren, met name vee, drager van S. paratyphi. (Chin00, Des93) Bij een explosie van S. paratyphi B in Engeland werden de bacteriën door melkkoeien via de feces en de melk uitgescheiden.

4.2 Besmettingsweg

Fecaal-oraal.

  • Paratyfus wordt praktisch alleen verspreid door consumptie van water en/of voedsel dat besmet is met feces of urine van patiënten of dragers. Veel verschillende voedingsmiddelen zijn door de jaren heen als bron van S. paratyphi-infecties aangemerkt, en het nuttigen daarvan in endemische gebieden wordt afgeraden. Het gaat hier onder meer om rauwe schelpdieren, ongekookte melk of room, rauwe groenten of fruit. Vliegen en andere insecten kunnen de verwekker overbrengen van feces naar voedsel en dranken. Paratyfus verspreidt zich met name buiten het huishouden om (Vollaard 2004).
  • Besmetting van mens op mens is ongewoon, (Chr87) maar onder bijzondere omstandigheden mogelijk, bijvoorbeeld via oro-anaal seksueel contact of het onder slechte hygiënische omstandigheden hanteren van fecaal verontreinigde kleding of beddengoed. (Eva98)
  • Gezien de grote gelijkenis tussen S. paratyphi en S. typhi in transmissie-eigenschappen kunnen S. paratyphi-infecties net als infecties met S. typhi verkregen worden tijdens het werken in een microbiologisch laboratorium.

De mogelijkheid tot besmetting via melkproducten van koeien en geiten is in de literatuur beschreven. Wanneer melk niet gepasteuriseerd of gekookt wordt, kan infectie via het consumeren van besmette melk plaatsvinden. (Des93)

4.3 Besmettelijke periode

Patiënten met paratyfus scheiden de bacterie uit via de feces en de urine. De besmettelijkheid begint al in het prodromale stadium en duurt meestal tot een à twee weken na het verdwijnen van de symptomen, maar soms enkele maanden. Dragerschap met S. paratyphi (aanwezigheid van de bacterie in de ontlasting gedurende >1 jaar) komt voor (<1%), maar veel minder vaak dan bij S. typhi (1-4%). Na initiele infectie kan na een korte periode van enkele weken asymptomatische rekolonisatie plaatsvinden. Met name vrouwen kunnen soms gedurende een langere periode een symptomatische bacteriurie hebben zonder positieve feceskweek.

4.4 Besmettelijkheid

S. paratyphi kan in water geruime tijd (vele weken) overleven, vooral bij lage temperatuur en onder aërobe omstandigheden. Op oppervlakken sterft de bacterie zeer snel af. Na de stoelgang van een patiënt of drager blijft S. paratyphi op ongewassen droge handen uiterlijk ongeveer 20 minuten in leven, tenzij er sprake is van fecale contaminatie. Handen wassen elimineert het besmettingsrisico vrijwel compleet. (Chr87)

Naar boven

5. Desinfectie

Oppervlakken (geen bloed, wel excreta en besmette water- en voedselcontactplaatsen):

standaardmethode 2.1.1

Oppervlakken (bloed):

standaardmethode 2.1.2

Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend, geen bloed, wel excreta en besmette water- en voedselcontactplaatsen):

standaardmethode 2.2.1
 

Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend, wel bloed):

standaardmethode 2.2.2
 

Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend):

standaardmethode 3.1

Textiel:

standaardmethode 2.3.2

Intacte huid:

niet van toepassing

Niet-intacte huid:

niet van toepassing

Handen:

standaardmethode 2.4.3.

Naar boven

6. Verspreiding

6.1 Vergrote kans op infectie

  • Reizigers naar gebieden waar S. paratyphi (hoog)endemisch voorkomt en waar tevens de infrastructuur niet optimaal is.
  • Personen die oro-anaal seksueel contact hebben met een persoon die S. paratyphi uitscheidt.

De kans om een infectie op te lopen is verhoogd in geval van:

  • Achloorhydrie van de maag (bijv. pernicieuze anemie, gebruik van maagzuurremmers,  status na sommige typen maagoperaties).
  • Bepaalde darmziekten (bijv. veranderde darmflora na antibioticagebruik).
  • Immuunsuppressie (bijv. aids, gebruik van immuunsuppressiva).

6.2 Verspreiding in de wereld

Paratyfus komt weliswaar voor in nagenoeg de gehele wereld maar er zijn waarschijnlijk grote regionale verschillen in incidentie. Prevalentie en incidentie zijn niet exact bekend. De ziekte komt in ieder geval (hoog)endemisch voor onder de lokale bevolking van de meeste landen in Centraal en Zuid-Amerika, in Afrika, en in Zuid- en Zuidoost-Azië.
In Duitsland is het jaarlijkse aantal gemelde gevallen van paratyfus zeer sterk afgenomen van >7000 in 1950 (>10/100.000) tot 66 in 1998. (Schö00)

6.3 Voorkomen in Nederland

In totaal werden in de periode 1990-1997 93 gevallen van paratyfus B bij de IGZ gemeld (gemiddeld twaalf per jaar). Hiervan werden zestig personen waarschijnlijk besmet in het buitenland. De rest van de besmettingen vond in Nederland plaats. In slechts één geval was de oorzaak van de besmetting bekend; dit betrof een infectie door consumptie van besmet kippenvlees. Voor paratyfus A en C bestond tot 1 april 1999 geen meldingsplicht. Er is echter sprake van een qua grootte onbekende onderrapportage, waarschijnlijk omdat:

  • bij milde infecties vaak geen fecesonderzoek wordt verricht;
  • als er wel feceskweek is ingezet, soms geen nadere typering plaatsvindt;
  • na stellen van de diagnose geen melding bij de GGD plaatsvindt.

Van de 203 gevallen van paratyfus A, B en C in de periode 2008 tot begin 2013 werd 165 (81%) geimporteerd uit het buitenland (Osiris data, RIVM). De 38 casus die paratyfus in Nederland hebben opgelopen zijn gelijk verdeeld over de verschillende leeftijdsgroepen.

 

Naar boven

7. Behandeling

Tyfeuze Salmonella infecties paratyfus worden bij een ernstig verlopende infectie behandeld met antibiotica, zo mogelijk op geleide van het resistentiepatroon, oraal of zo nodig intraveneus. Door het vele gebruik van antibiotica wereldwijd voor infecties of als groeibevorderaar in veevoeder, worden steeds vaker (multi)resistente stammen aangetroffen. 

Voor behandelingsadvies van een tyfeuze salmonella infectie verwijzen wij naar de SWAB.

Naar boven

8. Primaire preventie

8.1 Immunisatie

Noch actieve, noch passieve immunisatie is beschikbaar.

8.2 Algemene preventieve maatregelen

In Nederland

Algemene adviezen gericht op het (zoveel mogelijk) voorkómen van overdracht van fecaal-oraal overgedragen infecties.

Reizigers

Reizigers naar (hoog)endemische gebieden dienen af te zien van het nuttigen van ongekookt water, rauwe melk, vruchtensappen, ongeschild/ongewassen fruit en voedsel zoals rauwkost, hamburgers, ijsblokjes, rauwe schaaldieren en dergelijke.

Naar boven

9. Maatregelen naar aanleiding van een ziektegeval

9.1 Bronopsporing

Bronopsporing moet altijd plaatsvinden, zowel bij solitaire gevallen als bij explosies. Altijd nagaan of de zieke (recent) in het buitenland is geweest (waar, wanneer).

9.2 Contactonderzoek

Omdat de kans op overdracht van mens op mens gering is, wordt contactonderzoek (éénmalige kweek van feces) in de volgende gevallen verricht:

  1. Bij alle gezins en daarmee vergelijkbare contacten als
    •    de indexpatiënt geen of onvoldoende hygiënebesef heeft (leeftijd tot zes jaar of verstandelijke beperking);
    •    de indexpatiënt (mede) voor de voedselbereiding zorgdroeg.
  2. Bij geselecteerde contacten als deze
    •    werken met voedingsmiddelen (bijv. horeca, levensmiddelenindustrie, voedselbereiding in een instelling) of in de verzorgende sector;
    •    klachten hebben die kunnen passen bij paratyfus.
  3. Bij de andere leden van een reisgezelschap als de indexpatiënt behoorde tot een reisgezelschap dat dezelfde reis heeft gemaakt (gelijke blootstelling) en er in het gezelschap in totaal twee of meer gevallen van paratyfus zijn opgetreden.

Bij explosies kan soms uitgebreider contactonderzoek noodzakelijk zijn.

9.3 Maatregelen ten aanzien van de patiënt en diens contacten

Isolatie

Isolatie van de patiënt is buiten het ziekenhuis of verpleeghuis zelden noodzakelijk. In het ziekenhuis wordt de patiënt alleen geïsoleerd als deze geen of nauwelijks hygiënediscipline heeft.

Hygiënemaatregelen

Algemeen
Hygiënemaatregelen zijn noodzakelijk. Handen wassen en op de juiste wijze omgaan met feces en mogelijk fecaal besmette voorwerpen vormen de hoeksteen van de persoonlijke hygiëne en minimaliseren de verspreiding van de infectie. (Eva98) Zolang er personen met klinische verschijnselen zijn, moet men extra zorgvuldig zijn. De intensiteit van de maatregelen is enerzijds afhankelijk van het begrip wat betreft persoonlijke hygiëne bij degene die besmettelijk is en anderzijds van de risico’s voor de omgeving (mogelijkheid van snelle verspreiding, aanwezigheid van groepen met lagere weerstand). De aard en uitgebreidheid van de te nemen maatregelen zijn dan ook afhankelijk van de situatie.

Gezinssituatie
In de gezinssituatie kan worden volstaan met beperkte hygiënemaatregelen (volhouden tot minimaal eenmaal de incubatietijd, dit is vier weken):

  • goed de handen wassen na toiletgebruik, met vloeibare zeep, na het verschonen van een luier, het helpen van een kind met de toiletgang, en vóór het (bereiden van) eten;
  • papieren wegwerpluiers gebruiken;
  • ten minste dagelijkse reiniging toilet; geen desinfectie;
  • dagelijks verschonen van handdoeken en eigen handdoek voor de patiënt;
  • nagels kort houden.

Instellingen
Uitgebreide hygiënemaatregelen zijn noodzakelijk wanneer zich een geval van paratyfus voordoet in een instelling (bijv. een kindercentrum of een opvangvoorziening voor verstandelijk gehandicapten). Alle hygiënemaatregelen moeten worden voortgezet tot eenmaal de incubatietijd na het ziek worden van het (laatste) ziektegeval (vier weken).
Naast de reeds genoemde maatregelen wordt bovendien aangeraden:

  • te zorgen voor een goede handhygiëne bij de voedselbereiding en verzorging. Dit is cruciaal;
  • in residentiële instellingen zorgverlenend of voedselbereidend personeel met aangetoonde infectie of klachten te weren (zie paragraaf 9.5);
  • toilet (of eventuele po of postoel) te reinigen en vervolgens desinfecteren na elk gebruik door de patiënt of een geïnfecteerd contact. Hieronder vallen niet alleen pot en bril, maar ook de aangeraakte deurknoppen, doorspoeltrekkers/ drukknoppen en kranen. Bij het reinigen en desinfecteren plastic handschoenen dragen (voor desinfectieprocedures zie de WIP-richtlijnen);
  • indien mogelijk te zorgen voor een eigen toilet voor de patiënt;
  • vloeibare zeep en papieren handdoekjes te gebruiken;
  • te zorgen dat patiënt en eventuele verzorgers geen ringen dragen;
  • schoonmaakbedrijf en schoonmakers in te lichten;
  • voedsel op de juiste manier te bewaren: bij de juiste temperatuur en afgedekt.

Soms zijn nog aanvullende maatregelen noodzakelijk, afhankelijk van de situatie. Of aanvullende maatregelen nodig zijn is ter beoordeling van de GGD op basis van (het verloop van) een concrete situatie.

Bacteriologische nacontrole

Controle van bacteriologisch bevestigde gevallen, met als oogmerk na te gaan of zij nog besmettelijk zijn, is in ieder geval noodzakelijk bij allen die
•    zich in de thuissituatie of beroepsmatig met voedsel(bereiding) bezighouden;
•    wonen in een zeer onhygiënische omgeving.
Procedure: drie feceskweken met een interval van tenminste één dag (afgenomen ten minste 3 weken na de laatste koortsdag en ten minste 2 weken na het beëindigen van eventuele antibiotische therapie) (Eva98) moeten alle negatief zijn.

9.4 Profylaxe

Geen.

9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf

School of kinderdagverblijf

  1. de patiënt
    •    Kindercentra en basisschool groep 1 en 2: weren totdat de feceskweek driemaal negatief is met een interval van tenminste één dag (afgenomen tenminste drie weken na de laatste koortsdag en tenminste twee weken na het beëindigen van eventuele antibiotische therapie).
    •    Basisschool in groep 3 t/m 8: weren tot klinisch herstel.
  2. gezinscontacten van de patiënt
    •    Kindercentra en basisschool groep 1 en 2: alleen bij klachten die kunnen passen bij paratyfus weren totdat fecesonderzoek is gedaan; indien positief: zie a.
    •    Basisschool in groep 3 t/m 8: alleen bij klachten die kunnen passen bij paratyfus weren tot klinisch herstel.

De grens voor wat betreft de maatregelen voor wering van (school)kinderen (groep 1+2 versus groep 3 t/m 8) berust in feite op de mate waarin het kind kan begrijpen wat (hand en toilet)hygiëne inhoudt. Voor bijvoorbeeld het speciaal onderwijs of dagcentra voor verstandelijk gehandicapten moet het advies dan ook zo nodig worden aangepast.

Werk

Weren totdat de feceskweek driemaal negatief is met een interval van ten minste één dag (afgenomen ten minste drie weken na de laatste koortsdag en ten minste twee weken na het beëindigen van eventuele antibiotische therapie):

  • Betrokkene is werkzaam in de levensmiddelensector (afhankelijk van het werk dat gedaan wordt – wel of geen contact met voedingsmiddelen).
  • Betrokkene is belast met de directe verzorging van (ernstig) immuno-incompetente patiënten. In de overige patiëntenzorg kan gewoon worden gewerkt, mits klachtenvrij en zeer goede handhygiëne wordt toegepast.

Personeel dat gaat werken in de levensmiddelensector wordt tegenwoordig niet meer standaard gescreend op infectie met Salmonella spp.

Naar boven

10. Overige activiteiten

10.1 Meldingsplicht

Paratyfus is een meldingsplichtige ziekte groep B2. 

Laboratorium en de arts melden dit aan de GGD. De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid en levert gegevens voor de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten.
Meldingscriterium:

1.   Elke persoon met ten minste 1 van de volgende 2 klinische beelden:

  • Persisterende koorts
  • Ten minste 2 van de volgende 4 symptomen:
    -    Hoofdpijn
    -    Relatieve bradycardie
    -    Non-productieve hoest
    -    Diarree, constipatie, malaise of buikpijn
    (Paratyfus heeft dezelfde symptomen als tyfus, maar gewoonlijk een milder verloop)

in combinatie met:

  • aantonen van de Salmonella paratyphi in het laboratorium
    of
  • recent (< 2 weken) contact met een persoon bij wie de infectie is bevestigd.

2.    Elke persoon zonder klinische verschijnselen
in combinatie met:

  • aantonen van Salmonella paratyphi in het laboratorium
    (Asymptomatisch dragerschap moet alleen worden gemeld wanneer dit voor de eerste keer wordt vastgesteld.)

Als zich in een instelling een of meerdere gevallen met klachten en symptomen passend bij de ziekteverwekker uit deze richtlijn voordoen, kan er sprake zijn van meldingsplicht op basis van Artikel 26 Wet publieke gezondheid.

10.2 Inschakelen van andere instanties

  • Bij een explosie veroorzaakt door voedsel de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit inschakelen.
  • In geval van een paratyfusinfectie bij een medewerker van een verpleeg- of ziekenhuis de ziekenhuishygiënist waarschuwen.
  • In geval van een infectie bij een schoolgaand kind de (betrokken schoolarts van de) afdeling Jeugdgezondheidszorg van de GGD inlichten omdat daar vragen zouden kunnen binnenkomen.

10.3 Andere richtlijnen

10.4 Beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal

10.5 Literatuur

  • Bhan MK, Bahl R, Bhatnagar S. Typoid and paratyphoid fever. Lancet. 2005 Aug 27-Sep 2;366(9487):749-62.
  • Bovee, L. et al. Secundaire gevallen van buiktyfus in Amsterdam. Artikel in voorbereiding 2001.
  • Buckle GC, Walker CL, Black RE. Typhoid fever and paratyphoid fever: Systematic review to estimate global morbidity and mortality for 2010. J Glob Health. 2012 Jun;2(1):010401. doi: 10.7189/jogh.02.010401.
  • Chin J AS (red.). Control of communicable diseases manual. American Public Health Association, Washington 2000.
  • Christie AB. Infectious diseases. Churchill Livingstone, Edinburgh 1987.
  • Desenclos JC et al. Large outbreak of Salmonella enterica serotype paratyphi B infection caused by a goat’s milk cheese. France, 1993. BMJ 1996 (312), no 7023: 67-8.
  • Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering. Landelijke Protocollen Reizigersadvisering, Amsterdam, 1993-2000.
  • Mandell GL, Bennet JE en Dolin R (red.). Mandell, Douglas and Bennett’s principles and practice of infectious diseases. Churchill Livingstone, Philadelphia 2000.
  • Schöneberg I. Erkrankungen an Paratyphus in Deutschland. Bundesgesundheitsblatt 2000 (43) 264-271.
  • Speelman P, Kullberg BJ en Rietra PJGM (red.). Compendium infectieziekten. Wetenschappelijke uitgeverij Bunge, Utrecht 1996.
  • Vollaard AM1, Ali S, van Asten HA, Widjaja S, Visser LG, Surjadi C, van Dissel JT.
  • Risk factors for typhoid and paratyphoid fever in Jakarta, Indonesia. JAMA. 2004 Jun 2;291(21):2607-15.

Hier vindt u alle LCI-richtlijnen.

Naar boven

 

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu