RIVM_Logo

LCI-richtlijn Mycoplasma pneumoniae-infectie

Naar onderwerp 'Mycoplasma pneumoniae-infectie' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen

De infectie veroorzaakt meestal een mild, griepachtig ziektebeeld, waarbij (niet-productief) hoesten en malaise op de voorgrond staan, in mindere mate koorts, hoofdpijn en spierpijn. De symptomen ontstaan meestal geleidelijk, in meerdere dagen tot een week, in tegenstelling tot het acute beeld bij andere respiratoire infecties zoals influenza.

  1. Algemeen
  2. Ziekte
  3. Microbiologie
  4. Besmetting
  5. Desinfectie
  6. Verspreiding
  7. Behandeling
  8. Primaire preventie
  9. Maatregelen naar aanleiding van een geval
  10. Overige activiteiten

  • LCI/Gr oktober 2004
  • november 2008: paragraaf 10.1 aangepast conform Wet publieke gezondheid
  • februari 2009: de paragraaf behandeling is gebaseerd op de adviezen voor therapie van de Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB).

1. Algemeen

In 1944 beschreven Eaton en zijn collega’s een agens dat in staat was een bacteriefilter te passeren en dat een pneumonie kon veroorzaken bij knaagdieren, daarbij werd gedacht aan een virus. (Eat44) Het micro-organisme kon onschadelijk worden gemaakt met serum van patiënten die een ‘primaire atypische pneumonie’ (PAP) hadden doorgemaakt. Kort na 1960 ontdekten onderzoekers dat het veel overeenkomsten vertoonde met het organisme dat pneumonie veroorzaakt bij vee en kweekten Mycoplasma pneumoniae op een celvrij medium. (Cha62) Mycoplasmata behoren tot de kleinste vrij levende bacteriën (150-250 nm). De afwezigheid van een celwand maakt ze ongevoelig voor betalactamantibiotica.

Naar boven

2. Ziekte

2.1 Pathogenese

Mycoplasmata koloniseren slijmvliezen van de luchtwegen en de tractus urogenitalis. De flesvormige cellen van M. pneumoniae hebben een ‘terminal tip structure’ die verantwoordelijk is voor hechting aan celmembranen. De bacterie kan leukocyten en macrofagen binnendringen. Het is niet duidelijk of er intracellulaire vermenigvuldiging plaatsvindt.
Bij infectie van de trachea, bronchiolen en peribronchiale weefsels treft men purulent exsudaat in de luchtwegen aan, bestaande uit vooral polymorfnucleaire leukocyten. Er is infiltratie van de wand van bronchiën en bronchiolen met monocyten, vooral plasmacellen. Als gevolg van de infectie is er verlies van ciliën en complete desquamatie van ciliair luchtwegepitheel.

2.2 Incubatietijd

6 tot 32 dagen, meestal 2 tot 3 weken.

2.3 Ziekteverschijnselen

Naar schatting 20% van de infecties verloopt asymptomatisch, bij kinderen jonger dan vijf jaar is dit percentage hoger. (Cly93)
Complicaties zijn zeldzaam. Van de niet-luchtweggerelateerde symptomen komen dermatologische verschijnselen het meest voor. Ze zijn meestal van voorbijgaande aard (onder andere maculapapillaire erupties, erythema nodosum, urticaria en Stevens-Johnson syndroom). Ook cardiale (myocarditis, pericarditis) en neurologische complicaties (aseptische meningo-encefalitis, Guillain-Barré syndroom) worden gezien.
De infectie veroorzaakt meestal een mild, griepachtig ziektebeeld, waarbij (niet-productief) hoesten en malaise op de voorgrond staan, in mindere mate koorts, hoofdpijn en spierpijn. De symptomen ontstaan meestal geleidelijk, in meerdere dagen tot een week, in tegenstelling tot het acute beeld bij andere respiratoire infecties zoals influenza. (Cly93)
De ziekte gaat over het algemeen vanzelf over. Afhankelijk van de leeftijd ontstaat bij 5-10% van de patiënten een tracheobronchitis of pneumonie. De ziekteduur loopt uiteen van een paar dagen tot meer dan een maand. De pneumonie verloopt meestal mild (‘walking pneumonia’), slechts bij 2% van de patiënten vindt ziekenhuisopname plaats (Verenigde Staten), maar een ernstig en ook fataal beloop (zeer zeldzaam) is mogelijk. (Fin96, Foy79)

2.4 Verhoogde kans op ernstig beloop

Bij immuunsuppressie of immunodeficiëntie, vooral bij verminderde humorale immuniteit (hypogammaglobulinaemie). Ook bij mensen met astma, het syndroom van Down en bij sikkelcelanemie is er een grotere kans op ernstig beloop.

2.5 Immuniteit

Primaire infectie met M. pneumoniae beschermt niet tegen een volgende infectie. (Foy77) Een tweede infectie kan ernstiger verlopen. (Fer75) De duur van de eventuele beschermende immuniteit is onduidelijk en is wel in verband gebracht met humorale antistoffen die tot langer dan een jaar aanwezig blijven.

Naar boven

3 Microbiologie

3.1 Verwekker

Mycoplasma pneumoniae is één van de 102 bekende Mycoplasma-soorten van de orde Mycoplasmatales (klasse Mollicutes = zachte huid), waarvan er dertien bij mensen zijn geïsoleerd. Ze hebben geen celwand maar alleen een vervormbaar plasmamembraan en zijn dus niet zichtbaar met gramkleuring.

3.2 Diagnostiek

Kweken is arbeidsintensief en stelt specifieke eisen aan kweekmedium en personeel. De trage groei en relatieve ongevoeligheid maakt deze methode ongeschikt voor routinediagnostiek. Als alternatief voor de kweek is een directe antigeentest ontwikkeld, een enzyme immuno assay (EIA) die gebruik maakt van monoclonale antilichamen tegen M. pneumoniae-eiwitten.
De meest gebruikte serologische test is de complementbindingsreactie (CBR). De waarde van de uitslag van de test is afhankelijk van het verkrijgen van een eerste bloedmonster kort na de eerste ziektedag en een tweede na tenminste tien dagen. Kruisreactiviteit met onder andere plantenlipiden en menselijk hersenweefsel is aangetoond. Daarnaast wordt vaak gebruik gemaakt van een commerciële microparticle agglutinatietest (MAG), die voornamelijk IgM-antistoffen aantoont met een redelijke specificiteit. IgM-antistoffen kunnen ook met commerciële immuunfluorescentietesten worden aangetoond. Inmiddels zijn er ook diverse commerciële ELISA’s op de markt voor het aantonen van antistoffen tegen M. pneumoniae.
De PCR op keeluitstrijk of sputum is een goede aanvulling op bestaande serologische bepalingen voor het vroegtijdig vaststellen van een M. pneumonia-infectie. Het is een goed gevalideerde test. (Dor99b, Kul94, Ram96) Bij een uitbraak is de PCR op een keelwat een goed diagnostisch middel met een zeer lage belasting voor patiënten.

Naar boven

4 Besmetting

4.1 Reservoir

De mens is het enige bekende reservoir.

4.2 Besmettingsweg

Transmissie kan aërogeen plaatsvinden via druppelkernen vanuit de neus-keelholte (hoesten) of door direct contact. Het is niet duidelijk in hoeverre indirecte overdracht door besmette voorwerpen een rol speelt.

4.3 Besmettelijke periode

Onbekend. Waarschijnlijk minder dan twintig dagen. Behandeling leidt niet tot eradicatie uit de luchtwegen, waar M. pneumoniae tot dertien weken aanwezig kan blijven. Er is een aantal keren beschreven dat de bacterie een week vóór de eerste symptomen werd geïsoleerd uit de keel. Enkele publicaties suggereren dat asymptomatisch dragerschap voorkomt, in hoeverre die personen bijdragen aan overdracht is onbekend. (Foy71, Gna92)

4.4 Besmettelijkheid

Relatief intensief contact lijkt noodzakelijk voor overdracht. Kinderen vormen waarschijnlijk een belangrijk reservoir voor M. pneumoniae. (Dor01) De ziekte wordt meestal in gezinnen geïntroduceerd door een jong kind.

Naar boven

5. Desinfectie

Door het ontbreken van een celwand is de bacterie vrij kwetsbaar. Alcohol (70-80%) en chloor (natriumhypochloriet 250 ppm) zijn effectieve desinfectantia. 

Oppervlakken:

niet van toepassing

Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend):

niet van toepassing

Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend):

niet van toepassing

Textiel:

niet van toepassing

Intacte huid:

niet van toepassing

Niet-intacte huid (wond):

niet van toepassing

Handen:

standaardmethode 2.4.3

Naar boven

6. Verspreiding

6.1 Risicogroepen

M. pneumoniae-infectie komt het meeste voor bij schoolgaande kinderen (vier tot tien jaar) en jongvolwassenen (dertig tot veertig jaar). De infectie verloopt overwegend asymptomatisch of mild bij kinderen jonger dan vijf jaar.
Epidemieën komen regelmatig voor bij jongvolwassenen en in gesloten gemeenschappen: bij rekruten; op kostscholen en zomerkampen en in instellingen voor (verstandelijk) gehandicapten zijn epidemieën beschreven. (Dor99, Dor00) Epidemieën in gesloten gemeenschappen hebben een hoge attack rate (variërend van 6-10%), kunnen maanden tot zelfs jaren aanhouden en verlopen typisch van het ene gebouw naar het andere. (Cor67, Dul87, Lei88) Attack rates variëren van vijf tot meer dan vijftig per duizend per jaar bij militairen, tot een tot drie per duizend per jaar bij burgers.

6.2 Verspreiding in de wereld

Wereldwijd. In een gematigd klimaat komen M. pneumoniae-infecties het hele jaar voor, in absolute aantallen het meest in de winter. In de zomer heeft Mycoplasma relatief een groter aandeel in het totaal aan luchtweginfecties. Epidemische verheffingen komen elke vier à zeven jaar voor. (Lin97, Noa80)

6.3 Voorkomen in Nederland

Huisartsen worden naar schatting jaarlijks door zeshonderd per honderdduizend patiënten geconsulteerd vanwege een M. pneumoniae-infectie (een huisarts met een normpraktijk ziet jaarlijks gemiddeld vijftien patiënten met een M. pneumoniae-infectie). In Nederland zijn epidemieën beschreven in instellingen voor verstandelijk gehandicapten. (Dor99, Dor01)

7. Behandeling

Macroliden of tetracycline verkorten de ziekteduur. Fluoroquinolonen zijn in mindere mate werkzaam. (Sha70, Tay97)
Het vermogen van de mycoplasmata tot intracellulair verblijf is waarschijnlijk de reden dat adequate antibiotische behandeling niet altijd tot eradicatie uit de luchtwegen leidt. (Yu99) Zie voor uitgebreide informatie over de behandeling, inclusief kinderdosering, de richtlijn van de Stichting Werkgroep Antibioticabeleid,.

Naar boven

8. Primaire preventie

8.1 Immunisatie

Een vaccin is niet beschikbaar en wordt op korte termijn niet verwacht. (Jac88)

8.2 Algemene preventieve maatregelen

In de thuissituatie zijn geen maatregelen nodig.
Een goede hoesthygiëne beperkt de kans op overdracht. Strikte naleving van hygiënemaatregelen is waarschijnlijk de belangrijkste vorm van preventie. In instellingen en in gesloten gemeenschappen is de kans op een epidemie verhoogd: zie voor maatregelen paragraaf 9.3.

Naar boven

9 Maatregelen naar aanleiding van een geval

9.1 Bronopsporing

Geen.

9.2 Contactonderzoek

Geen.

9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

Bij meerdere gevallen van M. pneumoniae in een gesloten gemeenschap is het beleid gericht op het voorkomen van verdere uitbreiding. Onderstaande maatregelen dragen significant bij aan het voorkomen van secundaire gevallen: (Klau98, Hyd02)

  • Actieve surveillance (bezoek aan arts en nadere diagnostiek − X-thorax, PCR en serologie − bij hoesten en koorts of spierpijn, nieuwe zieken laten bijhouden door één verantwoordelijke, informeren familie en personeel, bij ziekte contact laten opnemen).
  • Het voorkómen van druppel- en directe overdracht (verscherpte hygiëne, handenwassen, ventilatie).
  • Cohortverpleging (verpleegkundige op vaste groep).
  • Isolatie.

9.4 Profylaxe

Over chemoprofylaxe zijn beperkte gegevens beschikbaar. Daaruit blijkt een (beperkt) aanvullend effect van chemoprofylaxe boven standaardmaatregelen zoals actieve surveillance, het voorkomen van druppeloverdracht en cohortverpleging. (Klau98, Hyd02)
Medicamenteuze profylaxe met azithromycine (gedurende vijf dagen, 500 mg op dag 1 en 250 mg op dag 2-5) is te overwegen bij personen:

  • met een verhoogd risico op een ernstig beloop;
  • woonachtig in instellingen, op basis van verscherpte surveillance.

9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf

Wering is vanuit volksgezondheidsperspectief niet zinvol.

Naar boven

10. Overige activiteiten

10.1 Meldingsplicht

Geen.
Als zich in een instelling een of meerdere gevallen met klachten en symptomen passend bij de ziekteverwekker uit dit protocol voordoen, kan er sprake zijn van meldingsplicht op basis van artikel 26 van de Wet publieke gezondheid.

10.2 Inschakelen andere instanties

Geen.

10.3 Andere richtlijnen

  • LCI-draaiboek Explosies van luchtweginfecties in instellingen (concept)
  • NHG-standaard Acuut hoesten M78
  • WIP-richtlijn Algemene voorzorgsmaatregelen
  • WIP-richtlijn Beleid reiniging, desinfectie en sterilisatie
  • WIP-richtlijn Isolatierichtlijnen

10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal

NHG-patiëntenfolder Hoesten en Verkoudheid

10.5 Literatuur

  • Chanock RM, Hayflick L, Barile MF. Growth on artificial medium of an agent associated with atypical pneumoia and its identification as a PPLO. Proc Natl Acad Sci USA 1962; 48:41.
  • Clyde WA Jr. Clinical overview of typical Mycoplasma pneumoniae infections. Clin Infect Dis 1993; 17(suppl):S32-S36.
  • Cordero L, Cuadrado R, Hall CB et al. Primary atypical pneumoniae: an epidemic caused bij Mycoplasma pneumoniae. J Pediatr 1967;71:1-12.
  • Dorigo-Zetsma JW, Wit de, M, Timmerman-Náray Szabó JS, Schneeberger PM. Epidemie van luchtweginfecties door Mycoplasma pneumoniae in een instelling voor verstandelijk gehandicapten onderzocht met polymerasekettingreactie op keeluitstrijk. Ned Tijdschr Ge-neesk 1999a; 143 (24):1261-65.
  • Dorigo-Zetsma JW, Zaat SA, Wertheim-van-Dillen PM et al. Comparison of PCR, culture, and serological tests for diagnosis of Mycoplasma pneumoniae respiratory tract infection in children. J Clin Microbiol 1999b; 37:14-17.
  • Dorigo-Zetsma JW, Wilbrink B, H. Van der Nat H, Bartelds AIM, Heijnen MLA, Dankert J. Results of molecular detection of Mycoplasma pneumoniae anomg patients with acute respiratory infection and in their household contacts reveals children as human reservoirs. J Infect Dis. 2001;183:675-8.
  • Dorigo-Zetsma JW. Molecular Diagnosis and Epidemiology of Mycoplasma Pneumoniae. Proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2000. ISBN: 90-9014272-X.
  • Dular R, Lambert M, Bruce BW, Phipps PH, Rossier E, Kasatiya S. Mycoplasma pneu-moniae infections in a rural setting in Canada. CMAJ 1987;136: 1271-3.
  • Eaton MD, Meikeljohn G, van Herick W. Studies on the etiology of primary atypical pneu-monia: A filterable agent transmissable to cotton rats, hamsters and chick embryos. J Exp Med 1944; 79:649.
  • Fernald GW, Collier AM, Clyde WA J. Respiratory infections dus to Mycoplasma pneu-moniae in infants and children. Pediatrics 1975; 55: 327-335.
  • Fine MJ, Smith MA, Carson CA, Mutha SS, SankeySS, Weissfeld LA et al. Prognosis and outcomes of patients with community-acquired pneumonia. A meta-analysis. JAMA 1996; 275: 134-141.
  • Foy HM, Kenny GE, McMahan R, Kaiser G, Grayston JT. Mycoplasma pneumoniae in the community. Am J Epidemiol 1971; 93:55-67.
  • Foy HM, Kenny GE, Sefi R, Ochs HD, Allan ID. Second attacks of pneumonia due tot My-coplasma pneumoniae. J Infect dis 1977; 135: 673-677.
  • Foy HM, Kenny GE, Cooney MK, Allan ID. Long-term epidemiology of infections with My-coplasma pneumoniae. J Infect Dis 1979; 139: 681-687.
  • Gnarpe J, Lundback A, Sundelof B, Gnarpe H. Prevalence of Mycoplasma pneumoniae in subjectively healthy individuals. Scand J infect Dis 1992; 24:161-164.
  • Hyde TB, Gilbert M, Schwartz SB, Zell ER, Watt JP, Thacker WL, Talkington DF, Besser RE. Azithromycin prophylaxis during a hospital outbreak of Mycoplasma pneumoniae pneumonia. J Infect Dis 2001; 183:907-912.
  • Jacobs E, Drews M, Stuhlert A, Buttner C, Klein PJ, Kist M et al. Immunological reaction of guinea-pigs following intranasal Mycoplasma pneumoniae infection and immunization with the 168 kDa adherence protein. J Gen Microbiol 1988; 134:473-479.
  • Klausner JD, Passaro D, Rosenberg J, Thacker WL, Talkington DF, Werner SB et al. En-hanced control of an outbreak of Mycoplasma pneumoniae with azithromycin prophylaxis. J Infect Dis 1998; 177:161-166.
  • Kupeveld FJ van, Johansson KE, Galama JM et al. 16S rRNA polymerase chain reaction compared with culture and serological methods for diagnosis of Mycoplasma pneumoniae infection. Eur J Clin Microbiol Infect Dis 1994;13:401
  • Leibowitz ZVI, Schvartzman P, Epstein L, Israela L, Yehudith N. An outbreak of Myco-plasma pneumoniae pneumonia in two kibbutzim: a clinical and epidemiological study. Isr J Med Sci 1988; 24:88-92.
  • Lind K, Benzon MW, Jensen JS, Clyde-WA J. A seroepidemiological study of Mycoplasma pneuymoniae infections in Denmark over the 50-year period 1946-1995. Eur J Epdemiol 1997; 13:581-586.
  • Noah ND, Urquhart AM. Epidemiology of Mycoplasma pneumoniae infection in the British Isles, 1974—9. J Infect 1980; 2:191-194.
  • Ramirez JA, Ahkee S, Tolentino A, Miller RD, Summersgill JT. Diagnosis of Legionella pneumophila, Mycoplasma pneumoniae, or Chlamydia pneumoniae lower respiratory in-fection using the polymerase chain reaction on a single throat swab specimen. Diagn Mi-crobiol infect Dis 1996;24:7-14.
  • Shames JM, George RB, Holliday WB, Rash JR, Mogabgab WJ. comparison of antibiotics in the treatment of Mycoplasmal pneumonia. Arch Intern Med 1970; 125:680-684.
  • Taylor RD, Bebear C.Antiobiotic susceptibilities of mycoplasmas and treatment of myco-plasmal infections. J Antimicrob Chemather 1997; 40:622-630.
  • Yu VL. Antimicrobial therapy and vaccination (Publ. Williams & Wilkins). 1999; 593-594.

Hier vindt u alle LCI-richtlijnen.

Naar boven

 

Home / Documenten en publicaties / Richtlijnen / LCI-richtlijnen / LCI-richtlijn Mycoplasma pneumoniae-infectie

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu