RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

LCI-richtlijn Malaria

Naar onderwerp 'Malaria' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen
 

Malaria is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door malariaparasieten die na een muggenbeet in het lichaam komen. Malaria (mala aira = 'slechte lucht') is een van de meest bedreigende infectieziekten in de (sub)tropen. Er zijn verschillende vormen van malaria. Malaria tropica is de meest voorkomende vorm van malaria en meestal ook de ernstigste. Malaria komt regelmatig voor in Nederland. Het gaat dan om importgevallen van mensen die de ziekte in (sub)tropen hebben opgelopen.

1. Algemeen
2. Ziekte
3. Microbiologie
4. Besmetting
5. Desinfectie
6. Verspreiding
7. Behandeling
8. Primaire preventie
9. Maatregelen naar aanleiding van een geval
10. Overige activiteiten


  • LOI mei 2004
  • November 2008: paragraaf 10 aangepast conform de Wet Publieke Gezondheid
  • Februari 2009: de paragraaf behandeling is gebaseerd op de adviezen voor therapie van de Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB)
  • Mei 2014: de richtlijn is aangepast aan de WHO Malaria Fact sheet N°94 2013, de LCR Malariaprofylaxe Bulletin (2014) en de SWAB-richtlijn (2013)


1. Algemeen

Hippocrates beschreef reeds de kenmerkende intermitterende koorts van malaria. In de Republiek der Nederlanden was malaria in de zeventiende eeuw berucht als de ‘zwartwaterkoorts’, die onder Nederlandse missionarissen en handelslieden in West-Afrika de belangrijkste doodsoorzaak was. Tot 1958 kwam malaria veroorzaakt door Plasmodium vivax endemisch voor in Noord-Holland. In 1880 ontdekte de Franse militairarts Laveran parasieten in het bloed van patiënten die aan malaria leden. Twintig jaar later ontrafelde de Schotse arts Ross de volledige mens-mug-cyclus. Zowel Laveran als Ross ontvingen voor hun ontdekkingen een Nobelprijs.
De jaarlijkse incidentie van malaria werd in 2010 door de WHO geschat op 154 tot 219 miljoen gevallen wereldwijd (range 154-289 miljoen). Er overlijden naar schatting 660.000 (range 490.000 – 836.000) mensen per jaar aan malaria, het merendeel daarvan zijn Afrikaanse kinderen onder de vijf jaar.3

2. Ziekte

2.1 Pathogenese

Tijdens een bloedmaal injecteert de besmette mug enkele sporozoïeten, die via de bloedbaan leverparenchymcellen bereiken, waarin zij zich ontwikkelen tot weefselschizonten. Na vijf tot vijftien dagen barsten de levercellen open en komen miljoenen merozoïeten vrij in de bloedbaan, die dan onmiddellijk erytrocyten binnendringen. Bij P. vivax en P. ovale kan een deel van de leverstadia lange tijd aanwezig blijven als zogenaamde hypnozoïet. Ten koste van de erytrocyt ontwikkelt de merozoïet zich in 24-36 uur tot trofozoïet en vervolgens tot bloedschizont, waaruit zich opnieuw merozoïeten ontwikkelen. Uiteindelijk barst de erytrocyt en komen er 6 tot 36 merozoïeten vrij, die op hun beurt weer nieuwe erytrocyten binnendringen. De ziekteverschijnselen worden veroorzaakt door de vernietiging van erytrocyten, het vrijkomen van producten van parasiet en erytrocyt in de bloedbaan en de reactie van de gastheer hierop. Bij P. falciparum kunnen geïnfecteerde erytrocyten in de zeer kleine bloedvaten van verschillende organen vastlopen (met name hersenen en nieren), waardoor complicaties kunnen ontstaan.
Bij P. vivax en P. ovale kunnen de hypnozoïeten zich weken tot maanden na infectie verder ontwikkelen tot weefselschizonten en dan opnieuw symptomen van malaria veroorzaken (‘relapses’). Profylactische middelen voorkómen wel de verschijnselen van P. vivax en P. ovale, maar niet de ontwikkeling van hypnozoïeten. Zo kan weken tot maanden en − zelden − jaren na het stoppen met profylaxe een 'uitgestelde eerste aanval' optreden. Een deel van de merozoïeten vormt mannelijke microgametocyten en vrouwelijke macrogametocyten (begin seksuele cyclus). Deze worden tijdens een bloedmaal door de mug opgezogen. In de mug ontstaan hieruit de mannelijke microgameten en vrouwelijke macrogameten. Deze versmelten tot zygoten, die in de muggenmaag uitgroeien tot oöcysten. In de oöcyste ontstaan duizenden sporozoïeten die naar de speekselklier van de mug migreren, waarmee de cyclus opnieuw kan beginnen.

2.2 Incubatieperiode

De periode die verloopt tussen de beet van een besmettelijke mug en het ontstaan van symptomen bedraagt meestal twaalf tot veertien dagen.4 Deze kan bij malaria veroorzaakt door P. falciparum soms slechts zeven dagen zijn en bij malaria veroorzaakt door P. malariae oplopen tot enkele weken. Bij gebruik van malariaprofylaxe kunnen P. vivax en P. ovale weken tot maanden (soms jaren) na infectie een ‘uitgestelde eerste aanval’ veroorzaken.4,5
Ook bij P. falciparum kan een verlengde incubatietijd optreden bij personen die chemo-profylaxe toepassen of die onregelmatig antimalariamiddelen slikken.5

2.3 Ziekteverschijnselen

Het ziektebeeld bij niet-immunen verschilt van dat bij semi-immunen. Bij niet-immunen (de Nederlandse reiziger) zijn er bij mensen met een parasitemie altijd symptomen. De parasitemie kan beïnvloed worden door voorafgaand profylaxegebruik. Ook de symptomen kunnen daardoor veranderd zijn (bijvoorbeeld weinig koorts). Bij semi-immunen kan een parasitemie afhankelijk van de leeftijd (bij volwassenen en oudere kinderen) symptoomloos of met lichte verschijnselen verlopen. De belangrijkste symptomen van malaria zijn hoofdpijn, koorts en spierpijn. Laboratoriumonderzoek toont vaak een anemie en trombopenie, terwijl bij lichamelijk onderzoek een splenomegalie kan worden vastgesteld. Het koortspatroon is afhankelijk van de soort plasmodium. In de praktijk is het echter meestal niet mogelijk op het koorts-verloop alleen een onderscheid te maken tussen de verschillende soorten.

P. falciparum

Malaria tropica begint met een grillig verlopende koorts, al dan niet met koude rillingen, nu eens intermitterend dan weer remitterend of continu. De typische anderdaagse koortsaanvallen komen bij malaria tropica zelden voor. In het begin ziet men een ‘griepachtig’ ziektebeeld met misselijkheid, braken, diarree, hoofdpijn en spierpijn. Indien de patiënt niet tijdig wordt behandeld, kunnen er complicaties ontstaan zoals anemie, hersenmalaria, icterus, nierinsufficiëntie en shock. De sterfte aan malaria tropica bij niet-immune volwassenen is afhankelijk van de snelheid waarmee het ziektebeeld wordt herkend.
Men moet erop bedacht zijn dat voortzetting van de malariaprofylaxe gedurende vier weken na terugkeer een malaria aanval niet hoeft te verhinderen. Bij infectie met een resistente P. falciparum-stam kan de aanval zich voordoen nog tijdens de toepassing van de profylaxe of binnen twee maanden na beëindiging ervan. Bij het gebruik van mefloquine als profylacticum kan dit als gevolg van de zeer lange halfwaardetijd (13-37 dagen, gemiddeld 21 dagen) uitlopen tot enkele maanden na terugkeer. Gezien het mogelijk ernstige beloop van malaria tropica is snelle diagnostiek en een deskundige behandeling van levensbelang.

P. vivax, P. ovale en P. malariae

Malaria tertiana (derdedaagse koorts) en quartana (vierdedaagse koorts) worden gekenmerkt door (pas na enige tijd optredende) regelmatig terugkerende koortspieken met koude rillingen, om de 48 uur bij P. vivax of P. ovale infectie of om de 72 uur bij P. malariae. In het algemeen verlopen deze vormen van malaria goedaardig. Bij malaria tertiana kunnen zich recidieven voordoen tot ongeveer vier jaar na terugkeer uit het malariagebied (zie paragraaf 2.1 Pathogenese).

P.knowlesi

De laatste jaren zijn een aantal nieuwe plasmodiumsoorten ontdekt die ook malaria bij de mens veroorzaken.6,7 Het meest beschreven is de Malaria knowlesi die overgebracht wordt door de anopheles latens.8 Deze werd lang over het hoofd gezien, maar na de ontwikkeling van nieuwe moleculaire diagnostische technieken kan deze nu onderscheiden worden van P. malariae.8-10 Malaria knowlesie is potentieel dodelijk en komt wijdverspreid voor in ZuidOost-Azie.4 Ook touristen kunnen dit importeren.10-12

2.4 Verhoogde kans op ernstig beloop

Afkomstig van WHO fact sheet 2013

  • Jonge kinderen in stabiele, endemische gebieden, die nog geen beschermende immuniteit hebben ontwikkeld tegen de meeste ernstige vormen van malaria;
  • Niet-immune zwangere vrouwen, aangezien malaria hoge aantallen miskramen veroorzaakt en kan leiden tot maternale sterfte;
  • Semi-immune zwangere vrouwen in gebieden met hoge transmissie. Malaria kan resulteren in een miskraam en een laag geboortegewicht, in het bijzonder tijdens een eerste en tweede zwangerschap;
  • Semi-immune HIV-geïnfecteerde zwangere vrouwen in stabiele transmissie regio’s gedurende alle zwangerschappen. Vrouwen met een malaria infectie van de placenta hebben een hoger risico op het doorgeven van een HIV infectie aan hun kind.
  • Personen met HIV/aids
  • Immigranten van endemische gebieden en hun kinderen die wonen in niet-endemische gebieden en terugkeren naar hun thuislanden om familie en vrienden te bezoeken lopen een risico vanwege een afgenomen of afwezige immuniteit.3

2.5 Immuniteit

Vrijwel iedereen in gebieden waar malaria voorkomt kan de ziekte krijgen. Continue herinfectie of langdurige infectie kan tot een bepaalde graad van verworven immuniteit leiden (deze semi-immuniteit beschermt niet tegen asymptomatische parasitemie). Het opbouwen van deze weerstand duurt echter jaren. Kinderen van moeders in hoog-endemische gebieden hebben gedurende het eerste half jaar enige bescherming door passief verkregen antilichamen en door het foetaal hemoglobine (HbF).

Eenmaal opgebouwde semi-immuniteit gaat snel verloren in een niet-endemisch malariagebied. Semi-immune personen die langer dan één jaar onafgebroken in een gebied zonder malariatransmissie hebben gewoond, dienen dan ook dezelfde voorzorgen in acht te nemen als niet-immunen bij een bezoek aan endemische malariagebieden. Erfelijke factoren spelen een rol bij de weerstand tegen malaria. Mensen met een heterozygote vorm van sikkelcelanemie (AS) en G6PD-deficiëntie zijn mogelijk beschermd tegen de ernstige vormen van malaria, zij dienen echter wel de gebruikelijke profylaxe toe te passen.13,14

Naar boven

3. Microbiologie

3.1 Verwekker

Een protozoön van het geslacht Plasmodium. De mens kan door vier soorten malariaparasieten worden geïnfecteerd.

Tabel: De vier soorten malariaparasieten waardoor de mens kan worden geïnfecteerd

 

Verwerkker

Ziektebeeld

Koortsbeloop

1

P. falciparum

malaria tropica

grillig

2

P. vivax

malaria tertiana

derdedaags koorts

3

P. ovale

malaria tertiana

derdedaags koorts

4

P. malariae

malaria quartana

vierdedaags koorts

 

3.2 Diagnostiek

Antigeen

De klassieke methode voor de diagnose malaria is het lichtmicroscopisch aantonen van parasieten in een dikkedruppelpreparaat. Met een bloeduitstrijkje kunnen verschillende plasmodiumsoorten worden gedifferentieerd en kan de parasitemie worden bepaald (het percentage erytrocyten dat met parasieten is geïnfecteerd). Herhaald microscopisch onderzoek kan noodzakelijk zijn, omdat de parasieten soms door het cyclisch uiteenvallen van de schizonten niet aantoonbaar zijn. Dit kan ook het geval zijn in preparaten van patiënten die net met de therapie begonnen zijn of profylaxe gebruiken. Het dikkedruppelpreparaat dient goed vervaardigd te zijn en er dient twintig minuten gezocht te worden in tenminste honderd velden onder het olie-immersie objectief alvorens het kan worden afgegeven met de mededeling: ‘geen parasieten gevonden’. Als er malariaparasieten zijn gezien, moet de juiste plasmodiumsoort worden vastgesteld. Een ervaren microscopist kan een parasitemie van 0,002% aantonen.
Andere diagnostische laboratoriummethoden zijn onder andere: quantitative buffy coat (laag van leukocyten en trombocyten die bij centrifugeren van bloed boven de samengepakte erytrocyten verschijnt), fluorescentie of donkerveldmicroscopie en polymerase chain reaction (PCR). In vergelijking met lichtmicroscopie hebben alle andere methoden een aantal nadelen: zij zijn of minder nauwkeurig, te duur, of het duurt te lang voor de diagnose gesteld kan worden. Zij worden soms gebruikt als aanvulling op standaard diagnostiek.15-17
Er is een aantal malariasneltesten op de markt (Optimal, Parasight-F en Malaquick; deze laatste is ook voor particulier gebruik op de markt). Vaak worden malariasneltesten in ziekenhuizen op de spoedeisende eerste hulp gebruikt als adequate microscopische diagnostiek niet voorhanden is. Hoewel de sensitiviteit en specificiteit van deze tests goed zijn, komen vals-negatieve uitslagen voor en zijn er enkele praktische beperkingen. Men kan malaria dus niet uitsluiten bij een negatief testresultaat. In het algemeen wordt het gebruik van deze tests afgeraden. De eventuele gebruiker dient op de hoogte te zijn van de beperkingen van de verschillende tests. Als zelftest worden ze meestal niet aangeraden.15-17

Antistof

Antistoffen zijn pas na een week aantoonbaar in het bloed en blijven jarenlang aanwezig; antistofbepaling heeft geen plaats in de diagnostiek of de klinische follow-up van acute malaria.

4. Besmetting

4.1 Reservoir

De mens en Anopheles-muggen zijn het reservoir voor P. falciparum, P. ovale, P. vivax en P. malariae. Bij verschillende vogels en primaten komen ook andere plasmodiumsoorten voor, deze spelen geen rol als ziekteverwekker bij de mens.

4.2 Besmettingsweg

De mens raakt besmet door de beet van een geïnfecteerde vrouwelijke mug van het genus Anopheles. De mug is actief tussen zonsondergang en opgang. Er is geen overdracht van malariaparasieten bij temperaturen onder de 16ºC of boven de 33ºC, en daarom ook niet op hoogten boven ongeveer 2.000 meter (ontwikkeling in de mug vindt dan niet plaats).
Er is in de natuur geen directe overdracht van mens op mens. De overdracht vindt plaats van mug, via de mens, naar mug. De mens is een tussengastheer.
Malaria kan ook worden overgedragen door bloedtransfusie met bloed van een malariapatiënt, van moeder op kind, en via hergebruik van besmette naalden.18 In Nederland is één geval beschreven van een verpleegkundige die na een prikaccident malaria kreeg.

4.3 Besmettelijke periode

De mug is twee weken na een infectieus bloedmaal besmettelijk voor de mens en blijft dit levenslang (ongeveer een maand).
Het bloed van de patiënt is voor de mug besmettelijk vanaf het moment dat er gametocyten (geslachtelijke vormen) aanwezig zijn: vanaf de vierde dag na infectie voor P. vivax en P. ovale en vanaf de vijftiende dag na infectie voor P. falciparum en P. malariae. Gametocyten blijven ondanks therapie nog enkele weken in het bloed aanwezig.14,19

4.4 Besmettelijkheid

De parasiet overleeft zeer kort (korter dan één uur) in menselijk bloed buiten het lichaam.

Naar boven

5. Desinfectie

Desinfectietabel

 

Te desinfecteren onderdeel

Standaardmethode

1

Oppervlakken (bloed)

2.1.2

2

Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend, wel bloed)

2.2.2

3

Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend)

3.1

4

Textiel met bloed

2.3.2

5

Intacte huid

niet van toepassing

6

Niet-intacte huid (wond)

2.4.2

7

Handen

2.4.3 

Naar standaardmethoden reiniging, desinfectie en sterilisatie in de openbare gezondheidzorg

6. Verspreiding

6.1 Risicogroepen

Reizigers naar of terugkomend uit gebieden waar malaria voorkomt.

6.2 Verspreiding in de wereld

Malaria is een ziekte van de subtropen en tropen. In Afrika overheerst P. falciparum, in Midden-Amerika, delen van Zuid-Amerika en het Midden-Oosten P. vivax. In Afrika komt tevens P. ovale voor. De overige malariagebieden (Zuidoost-Azië, Amazonegebied) hebben ongeveer evenveel P. falciparum als P. vivax. P. malariae komt overal voor, maar weinig frequent.
In Europa komt malaria vrijwel alleen als importziekte voor. Incidenteel zijn in de buurt van (lucht-)havens gevallen van malaria beschreven bij mensen die nooit in de tropen zijn geweest.20,21

6.3 Voorkomen in Nederland

In 1946 was de piek van de laatste epidemie van endemische malaria in Noord-Holland (uitsluitend veroorzaakt door P. vivax). Daarna was er tot 1958 slechts een beperkt aantal meldingen van endemische malaria. Op 17 november 1970 is Nederland officieel malariavrij verklaard.2 De incidentie van importgevallen nam af, van 535 in 2000 tot 197 in 2007.22 Het aandeel van kinderen wordt hierbij onderschat.23
In de buurt van (lucht-)havens zijn enkele gevallen van besmetting met malaria tropica beschreven bij mensen die nooit in de tropen zijn geweest. Deze infecties worden toegeschreven aan de import van geïnfecteerde muggen uit de tropen en komen voornamelijk voor gedurende de warme zomermaanden.24

Naar boven

7. Behandeling

De behandeling van malaria wordt steeds moeilijker door het oprukken van P. falciparum-stammen die resistent zijn tegen de gebruikelijke antimalariamiddelen. Wel komen er ook nieuwe antimalariamiddelen op de markt. Er dient rekening te worden gehouden met chloroquineresistente P. vivax-stammen in Zuidoost-Azië. Ongecompliceerde malaria door plasmodium vivax kan goed behandeld worden met een op arthemisin-gebaseerde combinatietherapie.25,26

Bij iedereen die binnen enkele maanden na het verlaten van de tropen ziek wordt en koorts heeft, moet de mogelijkheid van malaria overwogen worden. De enige juiste handelwijze is malaria aan te tonen dan wel uit te sluiten; de uitslag dient binnen enkele uren bekend te zijn, inclusief plasmodiumsoort. Zie voor uitgebreide informatie over de behandeling de richtlijn van de Stichting Werkgroep AntibioticaBeleid27-29, het LCR malariaprofylaxebulletin30 en Fact sheet N°94 2013 over Malaria van de WHO:

malaria tropica: http://swabid.nl/node/8957

malaria tertiana: http://swabid.nl/node/8940

malaria quatarna: http://swabid.nl/node/8951 en het LCR malariaprofylaxebulletin 2014 3,27-30 (https://www.lcr.nl/)

8. Primaire preventie

8.1 Immunisatie

Actief

Geen. Ondanks ruime inspanning voor de ontwikkeling van vaccins gericht op alle stadia van de parasiet, is er in de nabije toekomst geen effectief vaccin te verwachten.

Passief

Geen.

8.2 Chemoprofylaxe

(Zie § 3 LCR: Malariaprofylaxe bulletin 2013)30
Chemoprofylaxe van malaria is primair gericht op het voorkómen van ernstig verlopende malaria tropica veroorzaakt door P. falciparum. De arts en reiziger moeten zich ervan bewust zijn dat, mede door de in ernst toenemende en zich uitbreidende meervoudige resistente parasieten, de bescherming zelden 100% is: bij koorts in de tropen dient malaria altijd te worden uitgesloten, ook als men profylaxe toepast.
De in Nederland beschikbare profylactische middelen chloroquine, mefloquine, proguanil en eventueel doxycycline worden gebruikt als suppressieve profylactica: zij werken voornamelijk op de bloedstadia van de parasiet. Omdat het vanaf het moment van infectie maximaal enige weken kan duren voordat de bloedstadia zijn ontwikkeld, moeten deze middelen tot vier weken na het verlaten van het malariagebied worden doorgeslikt.
Atovaquon/proguanil is een causaal profylacticum en werkt in op de leverstadia van de parasiet. Omdat deze leverstadia veel sneller na infectie ontstaan, hoeft atovaquon/proguanil maar tot zeven dagen na het verlaten van het malariagebied worden doorgeslikt. Omdat atovaquon/proguanil niet werkt op de hypnozoïeten, kan na het staken van dit middel nog wel een (uitgestelde) eerste aanval van P. vivax of P. ovale optreden.
De profylaxe van malaria wordt steeds moeilijker door het optreden van resistentie tegen de gebruikte middelen. Aanbevelingen over de te gebruiken medicijnen moeten door geografische veranderingen in het voorkomen van resistente parasieten periodiek worden aangepast. Om optimaal uniform beleid te handhaven wordt verwezen naar het meest recente LCR-bulletin Malariaprofylaxe (www.lcr.nl/)30. Hierin wordt extra aandacht gegeven aan adviezen voor bijzondere groepen zoals reizigers naar gebieden met meervoudige resistentie, zwangeren, jonge kinderen en langverblijvers.
Medische hulp moet gezocht worden, ook als men maanden na vertrek uit de tropen koorts krijgt.

8.3 Algemene preventieve maatregelen

Preventie van malaria is in landen waar malaria endemisch is, gericht op controle van de mug (applicatie insecticidenspray) en muggenlarve (leeft in stilstaand water: verwijderen plasjes en poelen; chemicaliën in water, inzet van larvenetende vissen), het vermijden van contact met de mug (gebruik geïmpregneerde muggennetten), en chemoprofylaxe. (Kage03)

8.4 Overige preventieve maatregelen

Naast een zo adequaat mogelijke chemoprofylaxe moet men zich in gebieden waar malaria endemisch voorkomt maximaal tegen muggenbeten beschermen door de volgende maatregelen:

  • Draag huidbedekkende kleding (lange broek, lange mouwen en sokken) vanaf zonsondergang tot het slapen gaan.
  • Verblijf in een muskietenvrije kamer of gebruik een muskietennet, geïmpregneerd met een antimuggenvloeistof.
  • Smeer de onbedekte huid in met een muggenmiddel dat diethyltoluamide (DEET) bevat.

Adviezen bij gebruik van DEET:

  • Voorzichtigheidshalve wordt geadviseerd om concentraties boven 30% te vermijden bij kinderen jonger dan twee jaar en het gebruik van DEET bevattende producten te minimaliseren tijdens het eerste trimester van de zwangerschap.
  • Breng het middel aan op de onbedekte, intacte huid; niet overdadig insmeren. DEET 30% heeft een werkingsduur van ongeveer 5 uur, dit kan korter zijn afhankelijk van persoonlijke variatie (bijvoorbeeld sterk zweten).
  • Voorkom contact met lippen, ogen, open of geïrriteerde huid, bijvoorbeeld ernstig door de zon verbrande huid. Indien toch contact heeft plaatsgevonden dan afspoelen met water.
  • Bij kinderen niet de handen insmeren, zodat DEET niet op de mond of in de ogen wordt gewreven.
  • Bij een geïrriteerde huid die mogelijk het gevolg is van het gebruik van DEET geldt het advies de behandelde huid af te wassen met water en een arts te raadplegen; neem het gebruikte product mee.
  • Indien men zonnebrandcrème en DEET tegelijkertijd gebruikt dient men eerst de zonnebrandcrème en enige uren later de DEET aan te brengen. Bij een korte tussenpose kan de zonbeschermende werking van de zonnebrandcrème verminderen.

DEET bij kinderen:

Er zijn verschillende onderzoeken naar het risico van het gebruik van DEET bevattende insectenwerende middelen bij kinderen gedaan. Deze onderzoeken laten zien dat DEET bij kinderen veilig gebruikt kan worden.13 Uit voorzichtigheid wordt door het LCR wel geadviseerd om concentraties > 30% te mijden bij kinderen < 2 jaar. Een goede voorlichting aan ouders over het gebruik van DEET kan klachten helpen voorkomen.15

  • Laat kinderen niet zichzelf insmeren.
  • Smeer bij kinderen niet de handen in; zo wordt voorkomen dat DEET op de mond of in de ogen wordt gewreven.
  • Lees de bijsluiter goed en houdt de juiste intervallen aan bij het insmeren. Spoel voor het opnieuw aanbrengen de oude DEET van de huid af
  • Spoel de DEET ’s nachts af als kinderen onder een goed geïmpregneerd muskieten-net slapen.

DEET bij zwangeren:

Uit onderzoek blijkt dat DEET tot en met 20% tijdens het 2e en 3e trimester van de zwangerschap veilig gebruikt kan worden.16 Ook bij dierproeven worden geen aanwijzingen gevonden voor teratogeniteit.17,18 Het LCR is van mening dat DEET tot een percentage van 30% veilig gebruikt kan worden tijdens de hele zwangerschap, echter uit voorzorg is het verstandig het gebruik te minimaliseren:

  • Gebruik een concentratie van 20-30%.
  • Draag zoveel mogelijk aangepaste (bedekkende) kleding en verblijf in muggenvrije ruimtes.
  • Spoel het insectenwerend middel af wanneer men weer in een muggenvrije ruimte (slaapkamer) komt.

DEET bij borstvoeding:

Er is weinig bekend over het gebruik van DEET bevattende middelen door de moeder bij het geven van borstvoeding. Op basis van de beschikbare informatie ziet het LCR geen reden om het gebruik van DEET bij het geven van borstvoeding af te raden.13,19

Naar boven

9. Maatregelen naar aanleiding van een geval

9.1 Bronopsporing

Niet nodig, met uitzondering van personen die mogelijk in Nederland zijn besmet.
Wel gegevensverzameling: land van besmetting, periode van verblijf, profylaxe, risicogroep en type malaria. Bij waarschijnlijke bron in Nederland nader brononderzoek in overleg met de LCI.

9.2 Contactonderzoek

Niet nodig.

9.3 Maatregelen ten aanzien van de patiënt en contacten

Geen.

9.4 Profylaxe

Niet van toepassing. Malaria is niet direct van mens op mens overdraagbaar.

9.5 Wering van werk, school of kindercentrum

Wering is niet van toepassing. Malaria is niet van mens op mens overdraagbaar.

10. Overige activiteiten

Aan elke bloeddonor moet voor donatie gevraagd worden of hij recent een malariagebied heeft bezocht.

  1. Personen die een malariagebied hebben bezocht, mogen de eerstkomende zes maanden na vertrek uit het gebied geen bloed geven.
  2. Wanneer betrokkene malariaprofylaxe heeft toegepast, geldt een termijn van zes maanden na het staken van deze behandeling.
  3. Wanneer betrokkene na het vertrek uit het gebied, of na het staken van de malaria-profylaxe, onverklaarde koorts heeft gehad, geldt een periode van zes maanden na het einde van de koorts.
  4. Personen die zijn geboren en getogen in een malariagebied, die daar langer dan vijf jaar hebben gewoond of die malaria hebben doorgemaakt, mogen niet eerder bloed geven dan drie jaar na het vertrek uit het gebied, respectievelijk het herstel van de malaria.
    Bovenstaande beperkingen gelden niet voor donoren van wie uitsluitend plasma wordt ingezameld.
  5. Personen die zelf malaria hebben gehad mogen de eerste drie jaar niet doneren en moeten voor donatie negatief zijn getest voor malaria.
    (http://www.sanquin.nl/repository/documenten/en/prod-en-dienst/287294/blood-transfusion-guideline.pdf)


10.1 Meldingsplicht

Malaria is een meldingsplichtige ziekte groep C. Het laboratorium waar de ziekteverwekker is vastgesteld en de arts dienen dit te melden aan de GGD. De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid en levert gegevens voor de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten.

Meldingscriterium:

  • een persoon met koorts
    en
  • aantonen van malariaparasieten.

10.2 Inschakelen van andere instanties

Geen.

10.3 Andere richtlijnen

  • LCR-bulletin ‘Malariaprofylaxe’
  • LCI-Verpleegkundig Stappenplan Infectieziekten (VSI) Malaria, 2006

10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal

10.5 Literatuur

  1. Hempelmann E, Krafts K. Bad air, amulets and mosquitoes: 2,000 years of changing perspectives on malaria. Malaria journal 2013;12:232.
  2. Kaaden JJvd. Geschiedenis van de inheemse malaria in Nederland. Infectieziekten Bulletin 2003;14.
  3. WHO. Malaria. Fact sheet N°94 2013.
  4. White NJ, Pukrittayakamee S, Hien TT, Faiz MA, Mokuolu OA, Dondorp AM. Malaria. Lancet 2014;383:723-35.
  5. Schwartz E, Parise M, Kozarsky P, Cetron M. Delayed onset of malaria--implications for chemoprophylaxis in travelers. The New England journal of medicine 2003;349:1510-6.
  6. Singh B, Kim Sung L, Matusop A, et al. A large focus of naturally acquired Plasmo-dium knowlesi infections in human beings. Lancet 2004;363:1017-24.
  7. Ta TH, Hisam S, Lanza M, Jiram AI, Ismail N, Rubio JM. First case of a naturally acquired human infection with Plasmodium cynomolgi. Malaria journal 2014;13:68.
  8. Vythilingam I, Tan CH, Asmad M, Chan ST, Lee KS, Singh B. Natural transmission of Plasmodium knowlesi to humans by Anopheles latens in Sarawak, Malaysia. Transactions of the Royal Society of Tropical Medicine and Hygiene 2006;100:1087-8.
  9. Singh B, Daneshvar C. Human infections and detection of Plasmodium knowlesi. Clinical microbiology reviews 2013;26:165-84.
  10. Kantele A, Jokiranta TS. Review of cases with the emerging fifth human malaria pa-rasite, Plasmodium knowlesi. Clinical infectious diseases : an official publication of the Infectious Diseases Society of America 2011;52:1356-62.
  11. Link L, Bart A, Verhaar N, van Gool T, Pronk M, Scharnhorst V. Molecular detection of Plasmodium knowlesi in a Dutch traveler by real-time PCR. Journal of clinical mi-crobiology 2012;50:2523-4.
  12. Muller M, Schlagenhauf P. Plasmodium knowlesi in travellers, update 2014. Interna-tional journal of infectious diseases : IJID : official publication of the International Society for Infectious Diseases 2014;22c:55-64.
  13. Whitty CJ, Chiodini PL, Lalloo DG. Investigation and treatment of imported malaria in non-endemic countries. Bmj 2013;346:f2900.
  14. WHO. Guidelines for the treatment of malaria2010, second edition.
  15. Kattenberg JH, Ochodo EA, Boer KR, Schallig HD, Mens PF, Leeflang MM. Syste-matic review and meta-analysis: rapid diagnostic tests versus placental histology, microscopy and PCR for malaria in pregnant women. Malaria journal 2011;10:321.
  16. Maltha J, Gillet P, Jacobs J. Malaria rapid diagnostic tests in endemic settings. Clinical microbiology and infection : the official publication of the European Society of Clinical Microbiology and Infectious Diseases 2013;19:399-407.
  17. Maltha J, Gillet P, Jacobs J. Malaria rapid diagnostic tests in travel medicine. Clinical microbiology and infection : the official publication of the European Society of Clinical Microbiology and Infectious Diseases 2013;19:408-15.
  18. Kitchen AD, Chiodini PL. Malaria and blood transfusion. Vox sanguinis 2006;90:77-84.
  19. Visser LG, Berger P, den HJ, van Wout JW. [Treatment of falciparum malaria with artemether-lumefantrine according to a 5-day schedule: results of a study in 21 pa-tients and recommendations]. Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 2007;151:2208-13.
  20. Thang HD, Elsas RM, Veenstra J. Airport malaria: report of a case and a brief review of the literature. The Netherlands journal of medicine 2002;60:441-3.
  21. Zoller T, Naucke TJ, May J, et al. Malaria transmission in non-endemic areas: case report, review of the literature and implications for public health management. Malaria journal 2009;8:71.
  22. van Rijckevorsel GG, Sonder GJ, Geskus RB, et al. Declining incidence of imported malaria in the Netherlands, 2000-2007. Malaria journal 2010;9:300.
  23. Driessen GJ, Pereira RR, Brabin BJ, Hartwig NG. Imported malaria in children: a national surveillance in the Netherlands and a review of European studies. European journal of public health 2008;18:184-8.
  24. Arends JE, Oosterheert JJ, Kraaij-Dirkzwager MMr, et al. Two cases of Plasmodium falciparum malaria in the Netherlands without recent travel to a malaria-endemic country. Am J Trop Med Hyg 2013; 89(3):527-30 2013.
  25. Bukirwa H, Unnikrishnan B, Kramer CV, Sinclair D, Nair S, Tharyan P. Artesunate plus pyronaridine for treating uncomplicated Plasmodium falciparum malaria. The Cochrane database of systematic reviews 2014;3:Cd006404.
  26. Gogtay N, Kannan S, Thatte UM, Olliaro PL, Sinclair D. Artemisinin-based combina-tion therapy for treating uncomplicated Plasmodium vivax malaria. The Cochrane database of systematic reviews 2013;10:Cd008492.
  27. SWAB (Stichting Werkgroep Antibioticabeleid). Het Nationale Antibioticaboekje: Be-handelingsadviezen malaria quaterna, 2013. (http://swabid.nl/node/8951).
  28. SWAB (Stichting Werkgroep Antibioticabeleid). Het Nationale Antibioticaboekje: Be-handelingsadviezen malaria tertiana (P. vivax/ovale), 2013. (http://swabid.nl/node/8940).
  29. SWAB (Stichting Werkgroep Antibioticabeleid). Het Nationale Antibioticaboekje: Be-handelingsadviezen malaria tropica (P.falciparum), 2014. (http://swabid.nl/node/8957).
  30. LCR Malariawerkgroep. LCR Malariaprofylaxe Bulletin 2014. (www.lcr.nl).

Hier vindt u alle LCI-richtlijnen.

Naar boven

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu