RIVM_Logo

LCI-richtlijn Listeriose

Naar onderwerp 'Listeriose' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen
  1. Historie
  2. Ziekte
  3. Diagnostiek
  4. Besmetting
  5. Desinfectie
  6. Verspreiding
  7. Behandeling
  8. Primaire preventie
  9. Maatregelen naar aanleiding van een geval
  10. Overige activiteiten

De herziening van deze richtlijn is tot stand gekomen onder leiding van Edwin Slok, RIVM/LCI.
Maand en jaar van vaststelling LOI: maart 2016

Wijzigingen:
22 augustus 2016: Op basis van literatuur en in overleg met het Voedingscentrum is softijs verwijderd uit het lijstje met risicoproducten. 


1. Historie

Listeriose is een zeldzame en potentieel ernstige voedseloverdraagbare ziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Listeria monocytogenes (Lorber 2010). Bacterium monocytogenes werd voor het eerst beschreven in 1926 (Murray 1926). In 1940 veranderde de naam in L. monocytogenes (Harvey 1940). Enkele jaren later kon voor het eerst een relatie worden gelegd met een al bekend klinisch beeld dat heel variabel kan zijn: van een asymptomatisch verloop tot zeer ernstige invasieve vormen.

Naar boven

2. Ziekte

2.1 Verwekker

L. monocytogenes is een grampositieve, staafvormige bacterie die zeer lang onder extreme condities kan overleven en zowel aeroob als anaeroob goed groeit op de gebruikelijke voedingsbodems. De bacterie kan zich vermenigvuldigen bij temperaturen van 3 tot 42 ºC, bij hoge zoutconcentraties (tot 10%) en bij een pH van 6-9,6. L. monocytogenes is een saprofyt die in aarde en grondwater, bij mens en dier voorkomt. De bacterie besmet gemakkelijk allerlei (voedsel)producten en kan endemisch worden in bedrijven die levensmiddelen produceren (Luber 2011).

2.2 Pathogenese

L. monocytogenes is een bacterie die zich na invasie vanuit de darm intracellulair vermenigvuldigt en verspreidt. Op deze wijze onttrekt het micro-organisme zich aan het humorale afweermechanisme, alleen cellulaire immuniteit biedt bescherming tegen infecties. Het organisme heeft een bijzondere affiniteit voor het centrale zenuwstelsel en is een zoönose (Lorber 2010).

[Veterinair]

Bij septicemische beloopvormen of abortus vormt de intestinale mucosa de belangrijkste porte d’entrée (OIE 2014). Via de bloedbaan worden uterus en vrucht geïnfecteerd. Bij een encefalitische beloopvorm invadeert L. monocytogenes de hersenstam vermoedelijk via de hersenzenuwen na binnendringen van de orale mucosa via kleine wondjes. Septicemische, abortieve en encefalitische beloopvormen worden vooral bij schapen, geiten en runderen gezien (OIE, 2014). L. monocytogenes kan na orale opname in het darmkanaal terechtkomen. Het dier kan vervolgens enkele maanden tot jaren drager blijven. 

2.3 Incubatieperiode

De mediane incubatietijd verschilt per klinische vorm en bedraagt voor:

  • gastro-enteritis 24 uur (6-240 uur);
  • bacteriëmie 2 dagen (1-12 dagen);
  • invasieve listeriose 8 dagen (1-67 dagen);
  • infectie van het centraal zenuwstelsel 9 dagen (1-14 dagen);
  • infectie tijdens de zwangerschap 27.5 dagen (17-67 dagen, maar kort bij een bacteriëmie tijdens de zwangerschap) (Goulet 2013).

[Veterinair]

Bij dieren is de incubatietijd 1 tot 7 weken. Abortus vindt doorgaans 5 tot 10 dagen na infectie plaats. 

2.4 Ziekteverschijnselen

Bij personen met een ongestoorde afweer verloopt de infectie in het algemeen asymptomatisch of als een mild ziektebeeld met griepachtige verschijnselen (koorts, spierpijn, maagdarmklachten zoals misselijkheid en diarree). Bij immuungecompromitteerden met een gestoorde cellulaire afweer verloopt de infectie vaker invasief en ernstiger (Nightingale 2005). Meestal betreft het een gegeneraliseerde infectie met bacteriëmie, meningitis of meningo-encefalitis; soms peritonitis, hepatitis, peri- of endocarditis en een enkele keer papulopustulaire of vesiculopustulaire huidlaesies. Ook zijn bot- en gewrichtsinfecties beschreven (den Hertog 2007, Scholing 2007, Ahmad 2008, Antolin 2008, Oevermann 2010, Dias 2011, Charlier 2012, Liatsos 2012, Godshall 2013). 

Encefalitis is een bijzondere vorm van infectie. Patiënten klagen over hoofdpijn en koorts en hebben tekenen van paralyse die kunnen lijken op een cerebrovasculair accident. Voorbijgaande bewustzijnsdalingen met cerebellaire symptomen kunnen het ziektebeeld compliceren. 

Infectie bij zwangeren, met name in de tweede helft van de zwangerschap, kan leiden tot intra-uteriene vruchtdood en vroeggeboorte. Zwangeren hebben lang niet altijd zelf (ernstige/herkenbare) ziekteverschijnselen. De meeste infecties treden in het derde trimester van de zwangerschap op, maar hier is ook de meeste aandacht voor. Bij neonaten kan het sepsis veroorzaken (‘early onset’ binnen 7 dagen post-partum (gemiddeld 1,5 dagen), besmetting waarschijnlijk in utero) en meningo-encefalitis (‘late onset’ langer dan 7 dagen post-partum) (Posfay-Barbe 2009). De CFR is gemiddeld 20-35% maar hangt af van de aanwezigheid van risicofactoren voor een ongunstig beloop (Swaminathan 2007, Barton Behravesh 2011, Okike 2013). Zo is de sterfte bij early onset (binnen een week) neonaten 14-56%; bij late onset (dag 7 t/m dag 28) 25%; bij jonge, niet-zwangere patiënten zonder dan wel met predisponerende factoren 3% respectievelijk 24%; en bij patiënten ouder dan 70 jaar 20% (Swaminathan 2007, Barton Behravesh 2011, Okike 2013). Predisponerende risicofactoren voor een ongunstig beloop zijn onder andere stoornissen aan de immuniteit (hematologische maligniteit, behandeling met chemotherapie of immunosuppressiva), levercirrose, nieraandoeningen, colitis ulcerosa, ziekte van Crohn, rheumatoïde artritis en psoriasis (Metelmann 2010, Hohmann 2012). 

In Nederland varieerde het sterftepercentage tussen 5% (2011) en 31% (2006), en bedroeg 14% in 2012. De meest voorkomende ziektebeelden in 2012 waren sepsis (29%), maagdarminfectie (22%), meningitis (12%) en longontsteking (12%) (Friesema 2014). 

[Arbo]

Bij gezonde personen verloopt de infectie meestal asymptomatisch of leidt deze alleen tot milde ziekteverschijnselen (koorts, spierpijn en maagdarmklachten). Ziekteverschijnselen doen zich overwegend voor bij zwangere vrouwen, neonaten, ouderen en immuungecompromitteerde personen. 

Of een patiënt kan werken zal volledig afhangen van de ernst van het beeld. De bedrijfsarts zal de functionele mogelijkheden en daarmee de inzetbaarheid dienen vast te stellen. Er is geen risico op overdracht van persoon tot persoon. 

[Veterinair]

Veel dieren dragen L. monocytogenes symptoomloos in hun darmen bij zich. Bij volwassen herkauwers en konijnen kunnen vooral neurologische verschijnselen worden waargenomen door encefalitis. Bij dieren met één maag (varken, hond, kat), maar ook bij jonge herkauwers kan septicemie optreden met algemene ziekteverschijnselen (suf, zwak, koorts, soms met diarree). Bij herkauwers kan L. monocytogenes sporadisch subklinische mastitis veroorzaken. In het laatste deel van de dracht kan bij de verschillende diersoorten zonder voorafgaande ziekteverschijnselen abortus plaatsvinden (Radositis 2011). 

2.5 Verhoogde kans op ernstig beloop

Een verhoogde kans op een ernstig beloop komt voor bij zwangeren (vooral in de tweede helft van de zwangerschap kan de infectie leiden tot intra-uteriene vruchtdood en vroeggeboorte), ouderen (invasieve listeriose) en mensen met ernstig onderliggend lijden (onder andere bij chemotherapie, orgaantransplantatie, klepgebreken of klepprotheses, hiv/aids, diabetes mellitus, chronische leverziekten, nierziekten). Ook het gebruik van maagzuurremmers of immunosuppressiva verhoogt de kans op een ernstiger beloop van de ziekte (NVAB 2007, KIZA 2014). 

[Arbo]

Medewerkers met een verhoogd risico op een ernstig beloop (zie boven) moeten blootstelling vermijden en te allen tijde de juiste voorzorgsmaatregelen treffen (zie 8.2). 

[Veterinair]

Drachtige dieren en dieren met veel maagdarmwormen zijn vatbaarder voor infectie. Bij dieren is de incubatietijd 1 tot 7 weken. Abortus vindt doorgaans 5 tot 10 dagen na infectie plaats.

2.6 Natuurlijke immuniteit

Alleen cellulaire afweer biedt bescherming tegen ziekte. Bij gezonde personen is een beschermende cellulaire afweer aanwezig. Deze wordt opgebouwd door herhaaldelijke blootstelling aan L. monocytogenes

Naar boven

3. Diagnostiek (deze paragraaf wordt nog herzien)

3.1 Microbiologische diagnostiek

L. monocytogenes kan gekweekt worden uit bloed, liquor, amnionvocht (vruchtwater) en meconium. Een grampreparaat van de liquor kan een aanwijzing geven (grampositieve staafjes). Bij zwangeren wordt in principe (uit vruchtwater) in eerste instantie een gram en kweek gedaan, bij vermoeden op listeria wordt een agglutinatietest gedaan. 

Er bestaan 13 serotypen. In 2012 werden in Nederland bij patiënten in isolaten serotypen 4b (44%), 1/2a (31%) en 1/2b (16%) het meest aangetroffen, en in voedsel isolaten met serotypen 1/2a (69%), gevolgd door 1/2b (21%) en 3a (7%) (Brouwer 2010, Friesema 2014). 

[Veterinair]

L. monocytogenes komt overal voor. Bij veel dieren kunnen antilichaamtiters worden aangetoond zonder dat er sprake is geweest van klinische listeriose. Alleen een hoge titer of een titerstijging kan een diagnose ondersteunen. Kweek kan worden gedaan van bloed, organen, vruchtvliezen en melk. Kweek uit vaginale uitvloeiing kan tot 2 weken na abortus. Hoge titers kunnen worden gevonden bij zieke dieren in kuddes waar klinische gevallen zijn geweest. 

3.2 Overige diagnostiek

PFGE

Naar boven

4. Besmetting

4.1 Reservoir

L. monocytogenes komt vooral voor bij dieren, in grond, in water en op vegetatie. 

[Veterinair]

L. monocytogenes kan bij veel warm- en koudbloedige diersoorten worden aangetroffen. Veel dieren zijn symptoomloos drager. Bij varkens kan de bacterie in de tonsillen zitten en bij de slacht een bron van besmetting van het vlees en slachtapparatuur vormen (Autio et al. 2004). Sporadisch komt listeriose bij gezelschapsdieren als honden, katten en konijnen voor. 

In silage (kuilvoer) kan L. monocytogenes zich vermenigvuldigen en tot enkele jaren overleven. 

4.2 Besmettingsweg

L. Monocytogenes is wijdverspreid aanwezig in de omgeving en kan worden gevonden in de aarde, oppervlaktewater en vegetatie en bij verscheidene huis- en wilde dieren. 

Besmetting van mensen vindt vooral indirect plaats, via het eten van voedsel dat besmet is met L. monocytogenes. Doordat L. monocytogenes ook bij lage temperatuur (vanaf 3 ºC) groeit, is het langdurig bewaren van gekoelde consumptieartikelen risicovol. Maar voedsel wordt vooral besmet door slechte hygiëne: er ontstaan gemakkelijk biofilms in apparatuur en transportbuizen die gebruikt worden in de voedselindustrie (Carpentier 2011). Voorbeelden van risicoproducten zijn zachte kazen (zoals brie en camembert) die met ongepasteuriseerde melk zijn bereid, rauwe vleeswaren (zoals paté, carpaccio, filet américain, tartaar, rosbief en ossenworst), rauwe, gerookte of gemarineerde vis, gerookte mosselen, ongepasteuriseerde melk, kant-en-klare pannenkoeken en voorverpakte salades (Butt 2004, de Jong-Potjer 2011). 

Directe transmissie kan ook plaats vinden via direct dierlijk contact of via het milieu (aarde, vegetatie, water) waarin de listeriacysten zitten. Verder kan er verticale transmissie optreden van moeder naar kind tijdens de zwangerschap of bij de geboorte. Sporadisch zijn nosocomiale infecties bij neonaten beschreven (Lazarus 2013). Directe overdracht van dier naar mens is mogelijk, voornamelijk als gevolg van obstetrische ingrepen bij geïnfecteerde herkauwers. Dit komt zelden voor en uit zich als dermatitis (zie ook 9.1) (Laureyns 2008). 

[Veterinair]

Dieren worden over het algemeen orofecaal besmet. Herkauwers kunnen worden besmet door het eten van besmet kuilvoer. In stalgebouwen, voederpijpen en materialen kan L. monocytogenes lange tijd overleven en een besmettingsbron vormen, doordat de bacteriën biofilms kunnen vormen of meer dan 2 jaar in droge grond of feces kunnen overleven (Radositis 2011). 

4.3 Besmettelijke periode

Na ziekte en na een asymptomatische infectie kunnen mensen tot enkele maanden L. monocytogenes in de ontlasting blijven uitscheiden. Moeders blijven tot 7 à 10 dagen na de bevalling bovendien besmettelijk via urine en vaginale afscheiding. 

[Veterinair]

Bij dieren komt listeriose vooral in winter en het vroege voorjaar voor. Immuniteit neemt toe, waarna minder wordt uitgescheiden. In melk kan L. monocytogenes tot 3 jaar worden uitgescheiden. 

4.4 Besmettelijkheid

Uitbraken zijn vrijwel altijd gerelateerd aan consumptie van besmet voedsel. Er is slechts één epidemie beschreven op een afdeling neonatologie ten gevolge van besmet instrumentarium (Lazarus 2013). Overdracht van mens op mens (met uitzondering van verticale transmissie) komt zelden voor. 

[Veterinair]

Sommige dieren scheiden L. monocytogenes in lage hoeveelheden via feces uit. De kans op besmetting van andere dieren langs deze weg is laag, maar zorgt wel voor besmetting van de omgeving en apparatuur. Bij abortus komen grotere aantallen bacteriën vrij, waardoor de kans op besmetting veel groter is. Na infectie bij dieren via maagdarmkanaal kan L. monocytogenes langdurig worden uitgescheiden.

Naar boven

5. Desinfectie

Conform de richtlijn Standaardmethoden reiniging, desinfectie en sterilisatie in de openbare gezondheidszorg.

Wanneer L. monocytogenes in een bedrijf, dat betrokken is bij levensmiddelenproductie (bijvoorbeeld een kaasfabriek), wordt gevonden dienen in overleg met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit speciale maatregelen genomen te worden om het micro-organisme te elimineren. Het is belangrijk dat de apparatuur zodanig ontworpen is dat alle onderdelen goed te reinigen en te desinfecteren zijn.  

[Veterinair]

Na abortus is reiniging en desinfectie van omgeving van belang. Zo wordt voorkomen dat veel kiemen in het milieu achterblijven en een besmettingsbron voor anderen vormen.

Naar boven

6. Verspreiding

6.1 Verhoogde kans op infectie

Zwangeren, foetussen, neonaten, ouderen en cellulair immuungecompromitteerden (zoals patiënten met corticosteroïden, chemotherapie, hemodialyse, transplantatie, diabetici, HIV) behoren tot de risicogroepen voor invasieve listeriose (Hohmann 2012, Mateus 2013). 

[Arbo]

Personen die bij hun werkzaamheden direct of indirect (bijvoorbeeld via besmet materiaal zoals ontlasting of besmette grond) contact hebben met L. monocytogenes lopen een verhoogd risico (bijvoorbeeld boeren, melkers, dierenartsen, vleesverwerkers, abattoirpersoneel) (KIZA 2014). Daarnaast lopen personen die gericht werken met L. monocytogenes in laboratoria een verhoogd risico op blootstelling (Wright 2009); infecties worden echter niet beschreven. Van dierenartsen en veehouders is bekend dat zij een huidinfectie kunnen oplopen na een verlossing bij geïnfecteerde landbouwhuisdieren (Dijkstra 1959, McLauchlin 1994, Visser 1996). De kans op gastro-intestinaal dragerschap is groter bij professionals die met dieren werken, bijvoorbeeld in de vleesverwerkende industrie (Heymann 2008). 

6.2 Verspreiding in de wereld

Er zijn weinig gegevens beschikbaar van niet-westerse landen, waar de typische risicoproducten (gekoelde, kant-en-klare producten met lange bewaartijd) waarschijnlijk minder worden geconsumeerd dan in westerse landen, maar waar men wel weer meer in direct contact met dieren leeft. In 2010 bedroeg in Europa de incidentie van L. monocytogenes 0,33 per 100.000 (0,43 voor Nederland) en bleef het aantal gevallen over de periode 2006-2010 stabiel. De incidentie onder mannen ouder dan 65 jaar is het hoogst, gevolgd door jonge kinderen (0-4 jaar), met name in de late zomer en de vroege herfst. In de Verenigde Staten was de gemiddelde incidentie van L. monocytogenes 2,9 per miljoen inwoners over 2009-2011, met de hoogste incidentie onder 65-plussers en een sterftepercentage van 21% (ECDC 2013). 

[Veterinair]

Wereldwijd voorkomen. 

6.3 Voorkomen in Nederland

De incidentie in 2012 van L. monocytogenes bedroeg 4,5 ziektegevallen per miljoen inwoners (2006-2011: 3,2-5,2 per miljoen) met een sterftepercentage tussen 5% en 31%. De incidentie varieert per leeftijdsgroep en geslacht, waarbij mannen ouder dan 65 jaar de hoogste incidentie hebben (Friesema 2014). 

[Arbo]

Zowel bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) als bij Osiris zijn de afgelopen jaren geen meldingen geregistreerd van L. monocytogenes opgelopen tijdens het werk. Dit zegt weinig over het daadwerkelijk aantal beroepsmatig opgelopen gevallen. Het NCvB heeft te maken met onderregistratie. 

[Veterinair]

In Nederland komt L. monocytogenes vrij algemeen op veehouderijen voor. Veel dieren zijn drager en de bacterie komt in de omgeving voor.

Naar boven

7. Behandeling

Zie voor de behandeling van L. monocytogenes de richtlijnen van de Stichting Werkgroep Antibioticabeleid voor meningitis en voor sepsis. 

Bij een bewezen listeriose heeft behandeling met amoxicilline de voorkeur, eventueel in combinatie met een aminoglycoside. Een alternatief voor amoxicilline is cotrimoxazol (Lorber 2010, van de Beek 2012). L. monocytogenes is niet gevoelig voor cefalosporinen. 

Profylaxe is niet zinvol, maar behandeling kan wel zinvol zijn wanneer tijdens de bronopsporing door middel van kweken (zie 9.1) blijkt dat zwangeren met koorts besmette producten hebben genuttigd (zie ook 9.3). 

Voor kinderen jonger dan 90 dagen dient overlegd te worden met de kinderarts (Okike 2015). Tot de leeftijd van 18 jaar adviseert de SWAB bij een L. monocytogenes-meningitis te starten met amoxicilline iv 200mg/kg/24u in 4 doses minimaal 21 dagen (SWAB 2015). 

Tot op heden is de behandelduur nog niet goed uitgezocht, maar aangeraden wordt om 10-14 dagen te behandelen voor een invasieve infectie zonder en 14-21 dagen met een meningitis. Een langere behandelduur is nodig bij patiënten die ernstig ziek zijn of die een endocarditis of trombo-encefalitis hebben (van de Beek 2012, Okike 2015, SWAB 2015). 

[Veterinair]

Behandeling van dieren met antibiotica is mogelijk, maar de kiem is vaak lastig te bereiken. Vooral in geval van mastitis.

Naar boven

8. Primaire preventie

8.1 Immunisatie

Geen. 

[Veterinair]

Er bestaan levend verzwakte vaccins voor dieren, maar deze worden weinig toegepast in Nederland, enerzijds omdat de werkzaamheid twijfelachtig is en anderzijds omdat toepassing vanwege het sporadisch karakter van de ziekte bij dieren niet kosteneffectief is (Merck Veterinary Manual). 

8.2 Algemene preventieve maatregelen

  • Voor zwangeren en immuungecompromitteerde personen geldt: vermijd het eten van risicovolle producten, bijvoorbeeld bepaalde vleeswaren (met name met een lange bewaartijd), rauwmelksekaassoorten, gerookte mosselen, gerookte of gemarineerde vis, voorgesneden salades en rauwe (ongepasteuriseerde) melkproducten.
  • Was rauwe groenten goed voor consumptie.
  • Scheid rauwe voedingsmiddelen goed van bereide voedingsmiddelen.
  • Was handen en keukenmaterialen na het verwerken van rauwe voedingsmiddelen.
  • Koel restanten zeer snel en bewaar deze slechts korte tijd.
  • Let altijd op de uiterste consumptiedatum en hanteer de aanbevolen bewaartemperatuur van producten.
  • Verhit kant-en-klare maaltijden en ook kant-en-klare pannenkoeken, door en door.
  • Vermijd gedurende de hele zwangerschap contact met mogelijk besmette aarde; draag handschoenen en was na afloop handen met water en zeep.
  • Verhit kip, vlees, vis en schaal-/schelpdieren altijd voldoende. 

[Arbo]

Besmetting met L. monocytogenes wordt hoofdzakelijk opgelopen door het eten van besmet voedsel. L. monocytogenes komt echter ook veelvuldig voor op veehouderijen in Nederland; veel dieren zijn (symptoomloos) drager van de bacterie. Na infectie kan een dier L. monocytogenes langdurig uitscheiden, waardoor ook de omgeving besmet wordt. 

Bij werkzaamheden in de veehouderij dienen de volgende maatregelen getroffen te worden:

  • Medisch kwetsbare werknemers (zwangeren (met name in de tweede helft van de zwangerschap) en immuungecompromitteerde werknemers) dienen contact met besmette of dode landbouwhuisdieren te vermijden en andere werkzaamheden aangeboden te krijgen. Vooral risicovolle activiteiten zoals het verrichten van verloskundige handelingen en het uitmesten van stallen, moeten worden vermeden (NVAB). Zie ook hieronder de maatregelen genoemd onder zoönose.
  • In alle gevallen is het noodzakelijk dat werknemers hygiënisch werken en zorgen voor een goede persoonlijke hygiëne (onder andere consequent handen wassen, bedrijfskleding op bedrijf laten). Bij hygiënisch werken moet ook gedacht worden aan een goede hygiëne in de stallen en het reinigen van gebruiksmaterialen en een besmette omgeving (bijvoorbeeld na abortus).
  • Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van persoonlijke beschermingsmiddelen, afgestemd op de werkzaamheden die worden verricht. Hierbij kan gedacht worden aan het dragen van lange handschoenen, een waterdicht schort en een spatbril bij risicovolle handelingen (toucheren, het geven van geboortehulp) bij mogelijk besmette dieren. In situaties waarbij aerosolen vrijkomen, moet ook mond- en neusbescherming (type FFP2 of FFP3) gedragen worden (met toezicht op juist gebruik). Huidwondjes moeten worden afgedekt met een waterdichte pleister. Bij verdachte wondjes is het aan te bevelen deze te laten onderzoeken (McLauchlin 1994). 

Werknemers dienen bovendien voorlichting en instructie te krijgen over infectierisico’s en transmissieroute (indirect via besmette aarde of voedsel, direct door contact met geïnfecteerde dieren) en de preventieve maatregelen die kunnen worden getroffen. 

In de voedselindustrie kan eventuele besmetting van werknemers worden voorkomen door het treffen van standaard hygiënemaatregelen en het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen afgestemd op de werkzaamheden.

[Veterinair]

  • Zwangeren dienen geen geboortehulp te verlenen bij (mogelijk) geïnfecteerde herkauwers. Ook nakomelingen en nageboortes van deze dieren kunnen besmet zijn.
  • Draag lange handschoenen bij het geven van geboortehulp aan mogelijk besmette dieren en dek huidwondjes met een waterdichte pleister af, draag een spatbril.
  • Neem op een dierhouderij of bedrijf voor verwerking van vlees of melk(producten) algemene hygiëneregels in acht: reinig en desinfecteer machines en oppervlaktes regelmatig en grondig.
  • Reinig en desinfecteer uiers/spenen vóór het melken van herkauwers om besmetting van de melk te voorkomen.
  • Gebruik alleen gepasteuriseerde melk voor consumptie en verwerking tot melkproducten.

Naar boven

9. Maatregelen naar aanleiding van een geval

9.1 Bronopsporing

Bronopsporing is vooral bij clusters van groot belang. Clusters kunnen opgemerkt worden door nationale surveillance (Osiris) of door microbiologische laboratoria of clinici gemeld worden aan GGD of aan het CIb-Signaleringsoverleg. De GGD neemt bij incidentele (geïsoleerde) gevallen een voedselanamnese af. De GGD zendt mogelijk bronmateriaal voor kweek in via de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit en laat isolaten doorsturen naar het Nederlands Referentielaboratorium voor Bacteriële Meningitis voor typering en naar het RIVM voor moleculaire typing (PFGE). De huidige surveillance van L. monocytogenes wordt uitgevoerd door het RIVM in samenwerking met het Nederlands Referentielaboratorium voor Bacteriële Meningitis en betreft de beschrijving van de epidemiologie, inclusief serotypering, moleculaire typering (PFGE) en onderzoek naar risicovol voedsel (door case-controlonderzoek). Hierover wordt gerapporteerd in het Infectieziekten Bulletin (Maassen 2012). 

Directe overdracht van dier naar mens is mogelijk, voornamelijk als gevolg van obstetrische ingrepen bij geïnfecteerde herkauwers. Dit komt zelden voor en uit zich als dermatitis. Het treft voornamelijk dierenartsen en veehouders; zij dienen dan ook tijdens een bevalling handschoenen te dragen. Echter, een langdurige bevalling kan minutieuze scheurtjes in de handschoen veroorzaken, waardoor ook deze beschermingsmaatregel onvoldoende kan zijn (Laureyns 2008). 

9.2 Contactonderzoek

Bij een bevestigde bron dient te worden nagegaan of er personen zijn die mogelijk hetzelfde voedsel gegeten hebben. Als hier zwangeren bij zijn, moet hen verteld worden dat zij alert moeten zijn op het ontwikkelen van koorts. Indien koorts ontstaat, dienen zij contact op te nemen met de huisarts. 

9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

  • Meconium van neonaten van mogelijk geïnfecteerde moeders onderzoeken (gramkleuring en kweek) en bij positieve bevindingen behandelen met antibiotica.
  • Een zwangere met koorts (> 38,5 ºC) en een positieve kweek (feces of bloed) behandelen om infectie van de foetus te voorkomen: amoxicilline 4-6 gram/dag intraveneus gedurende 14 dagen. Het kan noodzakelijk zijn om langer te behandelen, bijvoorbeeld wanneer de moeder een verminderde immuniteit heeft (Lamont 2011).

9.4 Profylaxe

Profylaxe is niet zinvol, maar behandeling kan wel zinvol zijn wanneer tijdens de bronopsporing door middel van kweken (zie 9.1) blijkt dat zwangeren met koorts besmette producten hebben genuttigd (zie 9.3). 

9.5 Wering van werk, school, kinderdagverblijf of consultatiebureau

Wering is vanuit het perspectief van de volksgezondheid niet zinvol. 

[Arbo]

Zieke werknemers hoeven niet geweerd wanneer de standaard hygiënische maatregelen consequent worden genomen. Zie onder 8.2 voor wering van kwetsbare werknemers. 

9.6 Maatregelen bij zoönosen

Ten aanzien van L. monocytogenes worden geen maatregelen getroffen.

Naar boven

10. Overige activiteiten

10.1 Meldingsplicht

Listeriose is een meldingsplichtige ziekte groep C.

Listeriose is een meldingsplichtige ziekte groep C. Het laboratorium en de arts melden een geval van listeriose binnen één werkdag aan de GGD. De GGD meldt anoniem conform de Wet Publieke Gezondheid aan het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM. 

Melding bij:
Een persoon bij wie L. monocytogenes wordt geïsoleerd uit feces, bloed of liquor.
OF
In geval van een zwangerschap waarbij L. monocytogenes wordt geïsoleerd uit materiaal van een foetus, doodgeboren kind, pasgeboren kind of de moeder, worden zowel moeder als kind apart gemeld. 

Als zich in een instelling een of meerdere gevallen voordoen met klachten en symptomen passend bij listeriose, kan er sprake zijn van meldingsplicht op basis van artikel 26 Wet Publieke Gezondheid. 

[Arbo]

Indien de ziekte (waarschijnlijk) is opgelopen tijdens de beroepsuitoefening moet de casus worden gemeld bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). 

[Veterinair]

Er is een meldingsplicht voor dierenartsen voor listeriose bij dieren, er is geen bestrijdingsplicht.

10.2 Inschakelen van andere instanties

De Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit wordt in het kader van surveillance door de GGD ingeschakeld om het voedsel te onderzoeken. De GGD ziet erop toe dat geïsoleerde stammen, van zowel de patiënt als het voedsel, bij het NRBM terechtkomen voor nadere typering als er aanwijzingen zijn dat er mogelijk een relatie is met een bepaald voedingsmiddel. Bij patiënten met een invasieve infectie de geïsoleerde stam(men) opsturen naar het Nederlands Referentielaboratorium voor Bacteriële Meningitis voor typering. 

10.3 Andere protocollen en richtlijnen

10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal

10.5 Literatuur

  • Ahmad M, Krishnan A, Kelman E, Allen V, Bargman JM (2008). Listeria monocytogenes peritonitis in a patient on peritoneal dialysis: a case report and review of the literature. Int Urol Nephrol 40(3): 815-819.
  • Antolin J, Gutierrez A, Segoviano R, Lopez R, Ciguenza R (2008). Endocarditis due to Listeria: description of two cases and review of the literature. Eur J Intern Med 19(4): 295-296.
  • Barton Behravesh C, Jones TF, Vugia DJ, Long C, Marcus R, Smith K, Thomas S, Zansky S, Fullerton KE, Henao OL, Scallan E (2011). Deaths associated with bacterial pathogens transmitted commonly through food: foodborne diseases active surveillance network (FoodNet), 1996-2005. J Infect Dis 204(2): 263-267.
  • van de Beek D, Brouwer MC, Thwaites GE, Tunkel AR (2012). Advances in treatment of bacterial meningitis. Lancet 380(9854): 1693-1702.
  • Brouwer MC, Tunkel AR, van de Beek D (2010). Epidemiology, diagnosis, and antimicrobial treatment of acute bacterial meningitis. Clin Microbiol Rev 23(3): 467-492.
  • Butt AA, Aldridge KE, Sanders CV (2004). Infections related to the ingestion of seafood Part I: Viral and bacterial infections. Lancet Infect Dis 4(4): 201-212.
  • Carpentier B, Cerf O (2011). Review--Persistence of Listeria monocytogenes in food industry equipment and premises. Int J Food Microbiol 145(1): 1-8.
  • Charlier C, Leclercq A, Cazenave B, Desplaces N, Travier L, Cantinelli T, Lortholary O, Goulet V, Le Monnier A, Lecuit M (2012). Listeria monocytogenes-associated joint and bone infections: a study of 43 consecutive cases. Clin Infect Dis 54(2): 240-248.
  • Dias V, Cabral S, Anjo D, Vieira M, Antunes N, Carvalheiras G, Gomes C, Meireles A, Mendonca T, Torres S (2011). Successful management of Listeria monocytogenes pericarditis: case report and review of the literature. Acta Cardiol 66(4): 537-538.
  • Dijkstra RGT (1959). Huidinfectie door Listeria monocytogens. Diergeneesk 84: 719.
  • ECDC (2013). Annual epidemiological report: Reporting on 2010 surveillance data and 2011 epidemic intelligence data. Stockholm.
  • Friesema IHM, van der Zwaluw WK, Notermans DW, Biesta-Peters EG, van der Ende A, Spanjaard L, van Pelt W (2014). Surveillance van Listeria monocytogenes in Nederland, 2012. Infectieziekten Bulletin 25(1): 14-18.
  • Godshall CE, Suh G, Lorber B (2013). Cutaneous listeriosis. J Clin Microbiol 51(11): 3591-3596.
  • Goulet V, King LA, Vaillant V, de Valk H (2013). What is the incubation period for listeriosis? BMC Infect Dis 13(1): 11.
  • Harvey PJH (1940). Listeria: Change of name for a genus bacteria. Nature 264(45).
  • den Hertog MH, Ang CW, Dippel DW (2007). Rhombencephalitis due to Listeria monocytogenes. Ned Tijdschr Geneeskd 151(34): 1885-1890.
  • Heymann DL (2008). Control of communicable diseases manual. Washington, DC, American Public Health Association. 19th ed.
  • Hohmann EL, Kim J (2012). Case records of the Massachusetts General Hospital. Case 8-2012. A 53-year-old man with Crohn's disease, diarrhea, fever, and bacteremia. N Engl J Med 366(11): 1039-1045.
  • de Jong-Potjer LC, Beentjes M, Bogchelman M, Jaspar AHJ, van Asselt KM (2011). NHG-Standaard Preconceptiezorg. Huisarts & Wetenschap 54(6): 310-312.
  • KIZA (2014). Kennissysteem Infectieziekten en Arbeid. www.kiza.nl. Bezocht bezocht 23-04-2014.
  • Lamont RF, Sobel J, Mazaki-Tovi S, Kusanovic JP, Vaisbuch E, Kim SK, Uldbjerg N, Romero R (2011). Listeriosis in human pregnancy: A systematic review. Journal of Perinatal Medicine 39(3): 227-236.
  • Laureyns J, Moyaert H, Werbrouck H, Catry B, de Kruif A, Pasmans F (2008). Pustular dermatitis by Listeria monocytogenes after the assisted delivery of a dead calf. Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift 77: 29-34.
  • Lazarus C, Leclercq A, Lecuit M, Vaillant V, Coignard B, Blanchard H, Novakova I, Astagneau P (2013). Probable nosocomial transmission of listeriosis in neonates. J Hosp Infect 85(2): 159-160.
  • Liatsos GD, Thanellas S, Pirounaki M, Ketikoglou I, Moulakakis A (2012). Listeria monocytogenes peritonitis: presentation, clinical features, treatment, and outcome. Scand J Gastroenterol 47(10): 1129-1140.
  • Lorber B (2010). Listeria monocytogenes. Principles and Practice of Infectious Diseases. Mandell GL, Bennet JE, Dolin R. Philadelphia, Elsevier, Churchill Livingstone.
  • Luber P, Crerar S, Dufour C, Farber J, Datta A, Todd EC (2011). Controlling Listeria monocytogenes in ready-to-eat foods: Working towards global scientific consensus and harmonization–Recommendations for improved prevention and control. Food Control 22(9): 1535-1549.
  • Maassen C, de Jong A, Stenvers O, Valkenburgh S, Friesema I, Heimeriks K, van Pelt W, Graveland H (2012). Staat van Zoönosen 2011 [State of zoonotic diseases 2011]. RIVM rapport 330291008.
  • Mateus T, Silva J, Maia RL, Teixeira P (2013). Listeriosis during Pregnancy: A Public Health Concern. ISRN Obstet Gynecol 2013: 851712.
  • McLauchlin J, Low JC (1994). Primary cutaneous listeriosis in adults: an occupational disease of veterinarians and farmers. Vet Rec 135(26): 615-617.
  • Metelmann C, Schulz K, Geldschlager-Canda R, Plotz S, Handrick W (2010). Listeriosis in adults - case reports and review of the literature. Wien Klin Wochenschr 122(11-12): 354-359.
  • Murray EGD, Webb RE, Swann MBR (1926). A disease of rabbits characterized by a large mononuclear leucocytosis, caused by a hitherto undescribed bacillus Bacterium monocytogenes (n. sp.). J. Pathol. Bacteriol. 29: 407-439.
  • Nightingale KK, Windham K, Wiedmann M (2005). Evolution and molecular phylogeny of Listeria monocytogenes isolated from human and animal listeriosis cases and foods. J Bacteriol 187(16): 5537-5551.
  • NVAB (2007). Richtlijn zwangerschap, postpartumperiode en werk. https://www.nvab-online.nl/richtlijnen/richtlijnen-NVAB/richtlijn-Zwangerschap-postpartumperiode-en-werk.
  • Oevermann A, Zurbriggen A, Vandevelde M (2010). Rhombencephalitis caused by listeria monocytogenes in humans and ruminants: A zoonosis on the rise? Interdisciplinary Perspectives on Infectious Diseases 2010.
  • Okike IO, Awofisayo A, Adak B, Heath PT (2015). Empirical antibiotic cover for Listeria monocytogenes infection beyond the neonatal period: a time for change? Arch Dis Child 100(5): 423-425.
  • Okike IO, Lamont RF, Heath PT (2013). Do we really need to worry about Listeria in newborn infants? Pediatr Infect Dis J 32(4): 405-406.
  • Posfay-Barbe KM, Wald ER (2009). Listeriosis. Semin Fetal Neonatal Med 14(4): 228-233.
  • Radositis OM, Gay C, Blood D, Hinchcliff K (2011). Veterinary Medicine: A Textbook of the Disease of Cattle, Sheep, Pigs, Goats and Horses. London, W.B. Saunders Company Ltd. 10th ed.
  • Scholing M, Schneeberger PM, van den Dries P, Drenth JPH (2007). Clinical features of liver involvement in adult patients with listeriosis: Review of the literature. Infection 35: 212-218.
  • SWAB (2015). Meningitis - Listeria monocytogenes. http://swabid.nl/node/7204. Bezocht 21-05-2015.
  • Swaminathan B, Gerner-Smidt P (2007). The epidemiology of human listeriosis. Microbes Infect 9(10): 1236-1243.
  • Visser IJ (1996). Pustular dermatitis in veterinarians following delivery in domestic animals; an occupational disease. Ned Tijdschr Geneeskd 140(22): 1186-1190.
  • Wright WE, Couturier AJ (2009). Couturier's occupational and environmental infectious diseases. Beverly Farms, MA, OEM Press. 2nd ed.

Naar boven


Onder Download vind u de volgende bijlage:
1. Onderbouwing 

Hier vindt u alle LCI-richtlijnen.


 

Richtlijnenboek LCI-Richtlijnen Infectieziektebestrijding

Download

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu