RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

LCI-richtlijn Japanse encefalitis

Naar onderwerp 'Japanse encefalitis' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen
 
  1. Historie
  2. Ziekte
  3. Microbiologie
  4. Besmetting
  5. Desinfectie
  6. Verspreiding
  7. Behandeling
  8. Primaire preventie
  9. Maatregelen naar aanleiding van een geval
  10. Overige activiteiten
  11. Wijzigingen

1. Historie

Japanse encefalitis (JE), een arbovirusinfectie, veroorzaakt in Azië een groot volksgezondheidsprobleem met meer dan 35.000 zieken en 10.000 sterfgevallen per jaar. De verwekker, een flavivirus, is in 1924 geïsoleerd. Encefalitisepidemieën bij paarden en mensen zijn in de vorige eeuw beschreven in Japan. Gedurende de eerste helft van deze eeuw waren er jaarlijkse epidemieën in Japan, Korea en China. De laatste decennia heeft de ziekte zich verspreid door heel Azië (Thailand, Burma, Vietnam, Sri Lanka, India, Nepal, en Pakistan). In 1995 is de eerste uitbraak beschreven buiten Azië aan de kust van Australië en in 1998 in Australië zelf. Het eerste ziektecluster in niet-Aziaten is in 1947 beschreven. JE wordt gezien als de belangrijkste veroorzaker van virale encefalitis in Azië.

Naar boven

2. Ziekte

2.1 Pathogenese

Na een steek van een infectieuze mug vindt lokaal en in de regionale lymfklieren virusvermeerdering plaats. Na een viremische fase invadeert het virus het centrale zenuwstelsel. Er treedt een ontstekingsreactie op en geïnfecteerde neuronen worden opgeruimd. Het aanhechten van het virus aan bepaalde cellen van het CSZ is mogelijk geassocieerd aan specifieke neurotransmitterreceptoren.

2.2 Incubatieperiode

5-15 dagen.

2.3 Ziekteverschijnselen

Er is een grote variatie aan gemelde percentages klinische versus niet-klinische infectie. Ongeveer 1:25 tot 1:1000 van de infecties leidt tot klinische ziekte Waarschijnlijk uiten de meeste klinische infecties zich alleen als voorbijgaande hoge koorts, spierpijn, hoofdpijn, abdominale klachten en misselijkheid, maar de exacte percentages zijn onduidelijk. De meeste patiënten herstellen van deze fase na 2-4 dagen, vooral bij jonge kinderen van 3 tot 6 jaar en ouderen kan de infectie zich ontwikkelen tot encefalitis, meningitis en/of myelitis. Patiënten ontwikkelen dan o.a. een stijve nek, convulsies, verlammingsverschijnselen, bewustzijnsstoornissen, gevolgd door spraak- en motorische stoornissen. Vooral kinderen ontwikkelen zeer zaak convulsies. Polioachtige verlammingsverschijnselen treden op in ongeveer 30% van de patiënten en bewegingsstoornissen zoals dystonie tot wel 80% van de patiënten. Uiteindelijk treedt coma op met hypertonie en -reflexie. Bij klinische infectie is de ‘case fatalitiy rate’ 25% (range 5-50%). In 30% van de gevallen treden er neuropsychiatrische restverschijnselen op.

2.4 Verhoogde kans op ernstig beloop

Infectie leidt bij reizigers vaker tot klinische ziekte (1-4%) dan bij mensen die in endemische gebieden wonen (0,1-1%).

Factoren die bij neuro-invasie een rol spelen zijn: leeftijd, genetische gastheerfactoren (verschillen in gevoeligheid voor virus), verworven gastheerfactoren (waaronder kruisimmuniteit ten gevolge van dengue heterologe antistoffen).
Jonge kinderen (<10 jaar) overlijden eerder en hebben een hogere kans op neurologische restverschijnselen. Bij ouderen zou een verhoogd risico op ziekte door vasculaire gastheerfactoren en lagere immuunrespons een rol kunnen spelen.

Congenitale infectie
Er is weinig bekend over Japanse encefalitis tijdens de zwangerschap. In 1980 zijn negen gevallen van bewezen Japanse encefalitis bij zwangeren beschreven: in het eerste en tweede trimester traden abortussen op, in het derde trimester werd geen nadelig effect vastgesteld. Het is onbekend of er congenitale afwijkingen kunnen ontstaan, en of asymptomatische infectie van een zwangere tot infectie van de foetus leidt. 

De invloed van hivinfectie en aids op Japanse encefalitisinfectie is niet beschreven.
(Een hivinfectie verhoogt wel de kans op encefalitis bij een infectie met het verwante Saint-Louis encefalitisvirus.)

2.5 Immuniteit

Homologe antistoffen beperken de viremie. Bij heterologe antistoffen (onder andere bij dengue) is er kans op een averechts werkend immuunversterkend mechanisme (‘immune enhancement theory’).

Naar boven

3. Microbiologie

3.1 Verwekker

Het JE-virus is een flavivirus behorende tot de familie van de Flaviviridae. Er zijn verscheidene nauw verwante virussen: denguevirus, West Nilevirus, tickborne-encefalitisvirus, Saint-Louis encefalitisvirus, Murray-Valley encefalitisvirus en gelekoortsvirus.

3.2 Diagnostiek

Direct
Viremie bij infectie is kort (2-5 dagen) en meestal al verdwenen op het moment dat klinische verschijnselen optreden. Bij peracute infecties of patiënten met een verzwakte afweer kan in een enkel geval virus worden geïsoleerd uit liquor voor kweek of PCR.

Indirect
Gezien de korte viremie is serologisch diagnostiek de aangewezen diagnostische methode. Er zijn IgM en IgG ELISA en IFA’s beschikbaar. Vier dagen na infectie is bij 75% van de patiënten de IgM- ELISA van serum en/of liquor positief, na zeven dagen zijn bijna alle patiënten positief. IgM is sneller meetbaar in liquor dan in serum. IgG productie begint enkele dagen na infectie. Bevesting van infectie vindt plaats door middel van het aantonen van seroconversie naar IgM in liquor en/of serum of door het aantonen van een viervoudige titerverhoging in gepaarde serummonsters met 14 dagen ertussen.

Door de hoge kruisreactiviteit tussen Japanse-encefalitisvirus en andere nauw verwante en mogelijk klinisch overeenkomende flavivirussen zoals West Nilevirus en denguevirus is het aan te raden diagnostiek voor al deze virussen tegelijk uit te voeren. 

Diagnostiek in Nederland vindt uitsluitend plaats in het WHO Reference and Research Centre for Arboviruses and Hemorrhagic Fever Viruses, Erasmus MC, Afdeling Virologie, Rotterdam.

Naar boven

4. Besmetting

4.1 Reservoir

Het JE-virus heeft als natuurlijke gastheer varkens en grote watervogels. In deze gastheren vindt omvangrijke virusvermeerdering plaats. Bij varkens leidt infectie tot abortus en doodgeboorte. Koeien, schapen, honden, vleermuizen, kippen en vogels zijn ook gastheren. Hun rol in de verspreiding is minder duidelijk.

4.2 Besmettingsweg

Besmetting van de mens vindt plaats via de steek van een geïnfecteerde mug: Culex-soorten, met name Culex tritaeniorhynchus en Culex vishnui (India). De mug broedt in zoet, stilstaand en schaduwrijk water. Rijstvelden zijn een ideale broedplaats. De muggen steken gedurende de schemering en in de nacht.

4.3 Besmettelijke periode

Niet van toepassing.

4.4 Besmettelijkheid

Het virus wordt niet van mens op mens overgedragen. Een geïnfecteerd mens is eindgastheer en niet direct besmettelijk. Laboratoriuminfecties tijdens bewerking van materiaal zijn beschreven.

Naar boven

5. Desinfectie

Desinfectie: Standaardmethoden

Te desinfecteren onderdeel

standaardmethode

Oppervlakken (bloed)

2.1.2

Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend, wel bloed)

2.2.2

Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend):

3.1

Textiel met bloed

2.3.2

Intacte huid

Niet van toepassing

Niet-intacte huid (wond)

Niet van toepassing

Handen

2.4.3

Naar standaardmethoden reiniging, desinfectie en sterilisatie in de openbare gezondheidszorg
Naar boven

6. Verspreiding

6.1 Risicogroepen

In hyperendemische gebieden is Japanse encefalitis een ziekte van de kinderleeftijd (vrijwel alle gevallen onder de tien jaar, de helft reeds voor het vierde levensjaar).
Het risico voor reizigers om Japanse encefalitis op te lopen tijdens verblijf in endemische gebieden is afhankelijk van de locatie, de duur van het verblijf, het seizoen en de activiteiten met risico op blootstelling aan de vector: nabijheid rijstvelden, overnachtingsplaats, bezigheden ‘s avonds en bescherming tegen muggen.
Bij langdurig verblijf op het platteland in het transmissieseizoen wordt het risico op Japanse encefalitis geschat op 1/20.000 per week. Dit is mogelijk een onderschatting, gebaseerd op de incidentie bij autochtonen, de ‘infection rate’ is bij reizigers waarschijnlijk hoger.
Het risico om na één muggenbeet Japanse encefalitis te krijgen is relatief laag want:

  • slechts steken van de Culex spp.-muggen zijn potentieel infectieus;
  • onder voor de infectie zeer gunstige omstandigheden is de infection rate in vector muggen 3%;
  • als een individu geïnfecteerd raakt, is de kans op symptomatische neuro-invasieve ziekte <1:200.

6.2 Verspreiding in de wereld

Japanse encefalitis komt epidemisch en endemisch voor.
In een gematigd klimaat treedt Japanse encefalitis in seizoenen op: na een piek in aantallen muggen in juli-augustus volgt een infectiepiek van augustus tot september. Aan het einde van de regentijd is er een voldoende grote Culex spp. -populatie voor transmissie naar de mens. Voorbeelden: China, Korea, Japan, subtropisch gebied Zuidoost Azië, Rusland. Hoe zuidelijker men komt hoe langer het seizoen: april-oktober.
In een tropisch klimaat is Japanse encefalitis endemisch, bijvoorbeeld in tropische delen van Zuidoost-Azië. De incidentie is afhankelijk van het regenseizoen en wordt ook beïnvloed door de trek van vogels en andere gastheren. Deze kunnen de ziekte verspreiden naar nieuwe plaatsen zoals recent de straat van Torres.
Japanse encefalitis komt met name in rurale gebieden voor, maar is ook beschreven aan de rand van grote steden. De laatste jaren vindt er in sommige landen, bijvoorbeeld Japan en Korea, een verschuiving van het epidemisch patroon plaats naar hogere leeftijdsklassen. Hiervoor zijn verschillende factoren verantwoordelijk. Dit zijn zowel socio-economische (hogere levensstandaard, minder landbouwgebieden, meer pesticiden, grootschalige varkensteelt) als zorggerelateerde factoren (vaccinatie van varkens en van de bevolking).
Gemelde incidenties van klinische infecties zijn 1-10/10.000 inwoners per jaar, in epidemische gebieden oplopend tot 50/10.000 inwoners per jaar.

Japanse encefalitis bij reizigers en militairen
Bij niet-gevaccineerde westerse militairen werd in Azië tussen 1945-1991 een risico van minder dan 0,1-2,1/10.000 per week vastgesteld. Van 1978-1992 zijn 24 gevallen van Japanse encefalitis beschreven bij reizigers naar Azië. Naast deze gevallen, het merendeel bij lang-verblijvers, is het opvallend dat er in 1989, 1994 en 1995 gevallen van kort-verblijf-reizigers op Bali beschreven zijn.

6.3 Voorkomen in Nederland

In 2005 is Japanse encefalitis voor het eerst als importziekte in Nederland beschreven. Het betrof twee jonge vrouwelijke reizigers, van wie de ene naar Thailand en en de andere naar Indonesië op vakantie was geweest.

Naar boven

7. Behandeling

Er is geen specifieke therapie. Ondersteunende maatregelen kunnen de morbiditeit en mortaliteit verminderen.

Naar boven

8. Primaire preventie

8.1 Immunisatie

Vanaf januari 2011 is het in Nederland geregistreerde vaccin Ixiaro® beschikbaar. Ixiaro is een met formaline geïnactiveerd vaccin gekweekt in verocellen. Ixiaro is geregistreerd voor personen vanaf 2 maanden. Kinderen vanaf 2 maanden tot en met 2 jaar oud krijgen een halve dosis (0,25 ml vaccin) ten opzichte van de dosis die voor kinderen van 3-17 jaar en volwassenen gebruikt wordt (0.5 ml vaccin).

Het JE-vaccin geproduceerd op muizenhersenen wordt niet meer geproduceerd en is niet meer leverbaar. Dit vaccin was in Nederland niet geregistreerd en werd tot begin 2011 onder
bewustheidsverklaring gegeven en was tot 2012 beschikbaar voor kinderen onder de 18 jaar.

Werkzaamheid vaccin
Voor het Ixiarovaccin is een seroconversieratio van 29.4% 10 dagen na de eerste vaccinatie en 97.3 % een week na de tweede vaccinatie geobserveerd.

Duur bescherming Ixiaro
De primaire serie bestaat uit twee vaccinaties in een schema 0-28 dagen. Een derde dosis (booster) wordt aangeraden binnen het tweede jaar (tussen 12-24 maanden na de 2e dosis) voorafgaande aan potentiele her-exposie aan het Japans encefalitis virus. Voor mensen die continu risico lopen op het krijgen van Japanse encefalitis wordt hetzelfde beleid geadviseerd. 

Voor indicaties van het vaccin zie het LCR-protocol.

8.2 Algemene preventieve maatregelen

Muggenwerende maatregelen in endemische en epidemische gebieden van schemering tot zonsopgang:

  • Dragen van bedekkende kleding.
  • De onbedekte huid insmeren met een muggenwerend middel dat DEET (Diethyltoluamide) bevat.

Adviezen bij het gebruik van DEET:

  • Voorzichtigheidshalve wordt geadviseerd om concentraties boven de 30% te mijden bij kinderen jonger dan 2 jaar en het gebruik van DEET bevattende producten te minimaliseren tijdens de zwangerschap.
  • Breng het middel aan op de onbedekte, intacte huid; niet overbodig insmeren. Afhankelijk van persoonlijke variaties, bijvoorbeeld sterk zweten, heeft DEET een werkingsduur van maximaal4 uur.
  • Voorkom contact met lippen, ogen, open of geïrriteerde huid, bijvoorbeeld ernstige door de zon verbrande huid. Indien toch contact heeft plaatsgevonden dan afspoelen met water.
  • Bij kinderen niet de handen insmeren, opdat DEET niet op de mond of in de ogen wordt gewreven.
  • Bij een geïrriteerde huid die mogelijk het gevolg is van het gebruik van DEET geldt het advies de behandelde huid af te wassen met water en een arts te raadplegen; neem het gebruikte product mee.
  • Indien men zonnebrandcrème en DEET tegelijkertijd gebruikt, dient men eerst de zonnebrandcrème en bij voorkeur pas enige uren later de DEET aan te brengen. Bij een kortere tussenpose kan de zonbeschermende werking van de zonnebrandcrème verminderen.

Naar boven

9. Maatregelen naar aanleiding van een geval

Bij verdachte gevallen serologie doen.

9.1 Bronopsporing

Niet van toepassing.

9.2 Contactonderzoek

Niet van toepassing.

9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

Geen.

9.4 Profylaxe

Geen.

9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf

Japanse encefalitis is niet van mens op mens overdraagbaar. Wering is niet van toepassing.

Naar boven

10. Overige activiteiten

10.1 Meldingsplicht

Er is geen meldingsplicht. Het verdient aanbeveling om bewezen gevallen te melden bij het LCR.

10.2 Inschakelen van andere instanties

Niet nodig.

10.3 Andere protocollen en richtlijnen

LCR-protocol Japanse encefalitis.

10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal

10.5 Literatuur

  • Kager P.A. Japanse encefalitis: vaccinatie voor sommige reizigers naar Azië nuttig en in Nederland mogelijk. NTvG 1993;137, nr35:1755-57.
  • CDC. Inactivated Japanese encephalitis vaccin. Recommendations of the advisory commitee on immunisation practices (ACIP). MMWR 1993;42:1-15.
  • Delsing CE, Ardesch J et al. Een ongewone oorzaak van meningo-encefalitis: Japanse encefalitis. Ned Tijdschr Geneesk 2005;149(43):2423-2427.

11. Wijzigingen

  • Vastgesteld LOI en goedgekeurd Gezondheidsraad november 1998.
  • Augustus 2012: In de richtlijn is informatie toegevoegd over de toediening van het vaccin lxiaro bij kinderen <18 jaar.
  • Februari 2013: gecontroleerd op actualiteit, tekstuele wijzigingen.
  • Ixiaro is nu geïndiceerd én geregistreerd voor actieve immunisatie tegen Japanse encefalitis vanaf de leeftijd van 2 maanden. Tekst bij 8.1 (Immunisatie) aangepast.
  • Geplande herziening 2015.

Hier vindt u alle LCI-richtlijnen.

Naar boven

Home / Documenten en publicaties / Richtlijnen / LCI-richtlijnen / LCI-richtlijn Japanse encefalitis

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu