RIVM_Logo

LCI-richtlijn Haemophilus influenzae type b (Hib)-infectie

Naar onderwerp 'Haemophilus influenzae type B' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen 

  1. Historie
  2. Ziekte
  3. Diagnostiek
  4. Besmetting
  5. Desinfectie
  6. Verspreiding
  7. Behandeling
  8. Primaire preventie
  9. Maatregelen naar aanleiding van een geval
  10. Overige activiteiten 
  • Vastgesteld en goedgekeurd Gezondheidsraad 2007.
  • Oktober 2007: paragraaf 8.1.1 en 9.4 gewijzigd.
  • Maart 2008: enkele tekstuele wijzigingen.
  • September 2011: in paragraaf 1 is informatie toegevoegd over non-B-typen H. Influenzae.
  • Mei 2014: In paragraaf 9.4 is er een onderbouwing toegevoegd voor de maximale toedieningstermijn van profylaxe voor huisgenoten na de eerste ziektedag van de index.
  • Oktober 2014: par. 9.4; vergoedingsregeling voor immunisatie is beschreven.
  • November 2014: in de paragraaf Diagnostiek is informatie toegevoegd over de duur van typering van Haemophilus Influenzae.
  • Mei 2016: toevoeging 'Invasieve infectie met Hib na vaccinatie rechtvaardigt nader onderzoek naar imuundeficiënties' in paragraaf 8.1.1.

1. Historie

Haemophilus influenzae type b (Hib) is een gramnegatieve bacterie. Richard Pfeiffer beschreef in 1892 voor het eerst de aanwezigheid van deze bacterie in de bovenste luchtwegen van de mens. Zijn claim dat de bacterie de verwekker was van de ernstige grieppandemie van 1889-1890 vormde de reden om van ‘influenza’ te spreken. In 1918 tijdens de Spaanse griep werd echter aangetoond dat Pfeiffer ongelijk had ten aanzien van de verwekker. Charles Nicolle en Charles Lebailly stelden vast dat het influenzavirus en niet een bacterie verantwoordelijk bleek te zijn voor deze pandemie. 

Tot 1993 is Hib een van de belangrijkste verwekkers in Nederland geweest van invasieve infecties bij kinderen jonger dan 6 jaar. Het veroorzaakte met name meningitis, maar ook epiglottitis, pneumonie, artritis en cellulitis. De invoering van het vaccin tegen Hib in het Rijksvaccinatieprogramma medio 1993 heeft er voor gezorgd dat deze infecties veel minder voorkomen. 

Andere typen van H. Influenzae, ook wel samengevat als 'non-B' H. Influenzae, zijn over het algemeen minder virulent en zijn niet meldingsplichtig. Deze typen worden in deze richtlijn verder buiten beschouwing gelaten. 

2. Ziekte 

2.1 Verwekker

Hib is een kleine (1x 0.3 µm), onbeweeglijke, gramnegatieve, gekapselde bacterie. Om zich in vitro te kunnen vermenigvuldigen heeft de bacterie twee belangrijke groeifactoren (factor X en factor V) nodig die door erytrocyten kunnen worden geleverd. Haemophilus betekent ‘bloedminnend’. Op basis van het kapselpolysaccharide onderscheidt men zes serotypen: a tot en met f.

2.2 Pathogenese

De gekapselde Hib is een natuurlijke bewoner van de nasopharynx bij gezonde mensen. De eerste stap in de pathogenese van invasieve Hib-infectie is kolonisatie van de bovenste luchtwegen waarbij verschillende virulentiefactoren een rol spelen zoals fimbriae, buitenmembraaneiwitten en lipo-oligosacchariden. Vervolgens kunnen bacteriën via deze respiratoire slijmvliezen invaderen naar de bloedbaan. Vaak is hier een virale luchtweginfectie aan vooraf gegaan met epitheelbeschadigingen, wat de invasie bevordert. De aanwezigheid van een kapsel beschermt de bacterie tegen fagocytose door granulocyten en bevordert de overleving in de bloedbaan. Een toename van het aantal bacteriën in de bloedbaan leidt tot het klinische beeld van sepsis. Ook kan de bacterie zich via de bloedbaan verder verspreiden naar andere locaties zoals naar de gewrichten waarbij artritis ontstaat, of naar het centraal zenuwstelsel wat leidt tot meningitis. 

2.3 Incubatieperiode

De incubatieperiode is waarschijnlijk 2-4 dagen.

2.4 Ziekteverschijnselen

Er zijn vier belangrijke manifestaties van invasieve infecties met Hib: meningitis, epiglottitis, pneumonie en septische artritis.

Meningitis

Meningitis is de meest ernstige manifestatie van een infectie met Hib. Voorafgaand heeft het kind vaak een bovensteluchtweginfectie doorgemaakt. Het onderscheid tussen een meningitis veroorzaakt door Hib of een andere bacteriële verwekker is op grond van symptomen bij de patiënt niet goed te maken. Sinds de invoering van het vaccin tegen Hib komt Hib-meningitis met name voor als gevolg van vaccinfalen. Ongeveer de helft van de gevallen onder nul- tot vierjarigen treedt op bij zuigelingen. Hib-meningitis is zeldzaam bij neonaten.

Bij kinderen zijn hoofdpijn, nekstijfheid (vaak pas later in de ziekte), braken, koorts en sufheid belangrijke symptomen. Het driepootfenomeen is een uiting van beginnende meningeale prikkeling: het kind wil alleen rechtop zitten, steunend op de handen achter de rest van het lichaam. Bij zuigelingen is de presentatie minder specifiek en zijn de symptomen vooral braken, sufheid of juist geprikkeldheid, koorts of ondertemperatuur. Nekstijfheid komt op deze jonge leeftijd weinig voor.

De schade die door een bacteriële hersenvliesontsteking wordt veroorzaakt hangt in grote mate af van het moment waarop de behandeling wordt gestart. Herstel kan restloos zijn, maar doofheid, blindheid, verlammingen, leer- en aandachtsstoornissen en zelfs mentale retardatie kunnen het gevolg zijn.

Epiglottitis

Epiglottitis wordt vooral gezien bij kinderen in de leeftijd van twee tot zeven jaar. Het klinisch beeld wordt gekenmerkt door een acuut begin met hoge koorts, keelpijn en slikklachten. Het kwijlen staat op de voorgrond. Er ontstaat een progressieve benauwdheid als gevolg van de luchtwegobstructie met een hoorbare inspiratoire stridor. Het kind zoekt een houding waarbij passage van lucht langs de epiglottisregio zo optimaal mogelijk is en zit daarom meestal voorovergebogen met de mond open. Inspectie van de epiglottis mag echter alleen gebeuren onder speciale omstandigheden waarbij de mogelijkheid om het kind direct te kunnen intuberen voorhanden moeten zijn. Het gevaar bestaat namelijk dat tijdens deze inspectie van de epiglottis een volledige obstructie van de luchtwegen optreedt als gevolg van de manipulatie in de keel. Ook dient nadere diagnostiek die het kind kan opwinden (venapuncties en dergelijke) te worden uitgesteld. Bij de verdenking op epiglottitis moet het kind direct naar het ziekenhuis worden gestuurd. De behandeling bestaat uit intubatie en de toediening van antibiotica.

Pneumonie

Het is onbekend hoe vaak een pneumonie veroorzaakt door Hib voorkomt op kinderleeftijd. Het zijn meestal kinderen in de leeftijdscategorie tussen de vier maanden en vier jaar die ziek worden. De meeste infecties treden op in de herfst en winter. Het gaat hierbij om een (ernstige) pneumonie waarbij vaak ook pleuravocht aanwezig is. Het klinisch beeld van een Hib-pneumonie is niet te onderscheiden van andere bacteriële verwekkers zoals pneumokokken of stafylokokken. Symptomen zoals tachypnoe, hoesten, opgeven van sputum, benauwdheid, koorts en algeheel ziek zijn komen vaak voor. Bij kinderen moet echter ook bij buikpijn met of zonder eerdergenoemde symptomen altijd aan een longontsteking gedacht worden: bij lage ontstekingen kan door prikkeling van het middenrif buikpijn ontstaan. De diagnostiek bestaat uit röntgenfoto van de longen, bloedonderzoek en sputumkweek. De behandeling bestaat uit toediening van antibiotica.

Artritis

Hib is een belangrijke verwekker van septische artritis bij kinderen jonger dan twee jaar. Meestal is één groot gewricht aangedaan waarbij bewegingsbeperking, pijn en zwelling op de voorgrond staan. Ook is koorts een belangrijk symptoom. De diagnose kan worden gesteld door de verwekker te isoleren uit bloed en/of synoviaal vocht.

2.5 Verhoogde kans op ernstig beloop

De kans op het krijgen van een invasieve Hib-infectie is verhoogd bij:

  • hyposplenie en (functionele) asplenie (bijvoorbeeld bij sikkelcelziekte);
  • geen- of onvolledige vaccinatie met het Hib-vaccin;
  • immuunstoornis (hypogammaglobulinemie, agammaglobulinemie, gecombineerde immunodeficiëntie);
  • overig: chronische ziekte/maligniteit, hoofdtrauma met liquorlekkage.

2.6 Natuurlijke immuniteit

Bescherming tegen invasieve Hib-infecties wordt bewerkstelligd door antistoffen gevormd tegen het kapselpolysaccharide. Deze antistoffen zorgen voor opsonisatie en complementactivatie waardoor het micro-organisme wordt opgeruimd door fagocyterende cellen. Direct na de geboorte neemt bij het kind de hoeveelheid van deze antistoffen afkomstig van de moeder geleidelijk af. De piekincidentie van invasieve Hib-infecties in Nederland werd tot 1992 bij niet- of onvolledig gevaccineerde kinderen gevonden op de leeftijd tussen1  en 11 maanden. Vervolgens bouwt het kind geleidelijk zelf antistoffen op, vooral via asymptomatisch dragerschap en deels via kruisimmuniteit tegen andere bacteriën. Vanaf 6-jarige leeftijd zijn bij niet-gevaccineerde kinderen invasieve Hib-infecties ongebruikelijk geworden als het gevolg van deels natuurlijk verkregen immuniteit tegen de bacterie.

Naar boven

3. Diagnostiek

3.1 Microbiologische diagnostiek

Indien bij een patiënt de klinische verdenking op een invasieve Hib-infectie bestaat, zoals meningitis, epiglottitis of pneumonie, is het belangrijk om te proberen de bacterie te isoleren. Liquor, bloed, pleura- of synoviaal vocht kunnen worden gekweekt op media zoals chocolade-agar (verrijkt met factor X = haem en factor V = nicotinamide-adenine-dinucleotide). Ook kan een grampreparaat van een van bovengenoemde lichaamsvloeistoffen een aanwijzing geven voor de diagnose Hib-infectie. Indien uit de liquor of bloed H. influenzae wordt geïsoleerd vindt serotypering plaats door het Nederlands Referentielaboratorium voor Bacteriële Meningitis (Academisch Medisch Centrum, Amsterdam). Dit duurt standaard 10 dagen. Echter op verzoek kan typering binnen 2 dagen bekend zijn. Dit is vooral nuttig in situaties wanneer er een indicatie is voor chemoprofylaxe bij contacten van de patiënt met een invasieve infectie.

3.2 Overige diagnostiek

-

Naar boven

4. Besmetting

4.1 Reservoir

H. influenzae komt uitsluitend bij mensen voor; er is geen andere natuurlijke gastheer bekend.

4.2 Besmettingsweg

Vanuit de bovenste luchtwegen vindt aerogene verspreiding met name plaats door middel van druppeltjes die vrijkomen tijdens niezen, hoesten en nauw contact.

4.3 Besmettelijke periode

Zolang de bacterie zich in de keel bevindt, of tot een dag na het instellen van therapie of profylaxe door middel van antibiotica die keeldragerschap elimineren.

4.4 Besmettelijkheid

Met name niet-gevaccineerde of onvolledig gevaccineerde (minder dan drie vaccinaties) gezinscontacten (of andere zeer nauwe contacten) jonger dan 4 jaar van de indexpatiënt hebben een verhoogd risico op het krijgen van een Hib-infectie. In de maand na het ziek worden van de indexpatiënt is voor niet-gevaccineerde kinderen jonger dan 2 jaar de kans op het krijgen van de infectie 3.8%, 1.5% voor kinderen van 2-3 jaar, 0.1% voor kinderen van 4-5 jaar en 0% voor kinderen vanaf 6 jaar. Profylaxe met rifampicine zorgt in 95% van de gevallen dat dragerschap verdwijnt en geeft daarmee ook een significante daling in het aantal secundaire gevallen in gezinscontacten van de indexpatiënt. 

5. Desinfectie

Naar standaardmethoden reiniging, desinfectie en sterilisatie in de openbare gezondheidszorg 

Naar boven

6. Verspreiding

6.1 Verhoogde kans op infectie

  • Niet- of onvolledig gevaccineerde kinderen jonger dan vier jaar, zie ook paragraaf 4.4
  • Gezinscontacten of andere zeer nauwe contacten van de indexpatiënt

6.2 Verspreiding in de wereld

Sinds de invoering van het Hib-vaccin is de incidentie van invasieve Hib-infecties sterk afgenomen in de Verenigde Staten en in Europa. In deze landen heeft een reductie van meer dan 90% plaatsgevonden van het aantal gevallen van Hib-meningitis. Echter zowel in Engeland als in Nederland is er sinds 2000 een geringe toename van invasieve Hib-infecties. De belangrijkste oorzaak voor de toename van deze infecties in Engeland berust waarschijnlijk op het ontbreken van een boostervaccinatie op de leeftijd van elf maanden. Wereldwijd wordt er nog weinig gevaccineerd, met name in de ontwikkelingslanden. De schatting is dat minder dan 2% van de invasieve Hib-infecties wordt voorkomen door vaccinatie. Dit komt doordat het vaccin in de ontwikkelingslanden niet routinematig wordt gebruikt vanwege de hoge kosten die invoering met zich mee brengt.

6.3 Voorkomen in Nederland

Voor het invoeren van het Hib-vaccin in het Rijksvaccinatieprogramma was 2 tot 4% van de kinderen gekoloniseerd met deze bacterie. Echter sinds de invoering van het vaccin is dragerschap minder dan 1%.

Uit de gegevens van het Nederlands Referentielaboratorium voor Bacteriële Meningitis blijkt een duidelijke afname van het aantal geïsoleerde Hib uit liquor of bloed sinds de invoering van het vaccin in 1993 (zie Tabel 1).

Tabel 1. Haemophilus influenzae-isolaten uit liquor en/of bloed

Jaar

Totaal H.I. isolaten

Serotype b

% Hib

1992

315

294

93.3

1993

277

244

88.0

1994

176

148

84.0

1995

96

60

62.5

1996

88

30

34.0

1997

85

19

22.4

1998

88

19

21.6

1999

69

12

17.4

2000

74

15

20.3

2001

90

17

18.9

2002

108

31

28.8

2003

129

21

24.0

2004

125

48

32.0

Bron: Bacterial meningitis in the Netherlands. Annual report 1992-2004. Netherlands Reference laboratory for bacterial meningitis.

Het totaal aantal isolaten bereikt een dal in 1999 waarna weer een geringe stijging is opgetreden tot in 2004. Het aantal patiënten met vaccinfalen (een invasieve Hib-infectie bij een gevaccineerd kind) bedroeg in de periode 1995-2001 jaarlijks vijf, en steeg vanaf 2002 jaarlijks tot vijftien. Ongeveer de helft van deze kinderen had kwalitatief en/of kwantitatief onvoldoende Hib-antistoffen, met een goede reactie na boostervaccinatie. Slechts twee kinderen hadden een dysimmunoglobulinemie.

Er is geen eenduidige verklaring voor de toename van het aantal invasieve Hib-infecties in Nederland. Secundair vaccinfalen zou de reden voor deze toename kunnen zijn: door massavaccinatie is het dragerschap met Hib verminderd waardoor natuurlijke boosting minder vaak optreedt op oudere leeftijd. Door een afname in immuniteit ontstaat een verhoogde gevoeligheid voor invasieve infecties.

Voor meer over vaccinfalen, zie verder paragraaf 8.1.1. 

Naar boven

7. Behandeling

Zonder antibiotische therapie kan een infectie veroorzaakt door Hib snel fataal verlopen. Dit geldt met name voor Hib-meningitis en epiglottitis. De behandeling van Hib-meningitis bestaat uit cefotaxim of ceftriaxon gedurende tien dagen, intraveneus toegediend. Tevens wordt als aanvullende behandeling gedurende vier dagen dexamethason gegeven ter voorkoming van neurologische complicaties (doofheid). Dexamethason dient gegeven te worden vóór toediening van de antibiotica. De andere vormen van invasieve Hib-infecties zoals pneumonie of artritis kunnen empirisch worden behandeld met amoxicilline-clavulaanzuur. Afhankelijk van de gevoeligheid van de bacterie zal de therapie worden aangepast.

Naar boven

8. Primaire preventie

8.1 Immunisatie

8.1.1 Actieve immunisatie

Het Hib-vaccin is een gevriesdroogd polysaccharide-eiwitconjugaatvaccin dat bestaat uit gezuiverd capsulair polyribosylribitolfosfaat van Hib dat is gekoppeld aan tetanustoxoïd. Door deze conjugatie van kapselpolysacchariden aan een dragereiwit wordt een T-celafhankelijke immuunrespons bewerkstelligd. Dit heeft als gevolg het opwekken van immunologische geheugenvorming met daardoor langdurige immuniteit na toediening van het vaccin. Tevens zijn conjugaatvaccins werkzaam bij zeer jonge kinderen. Het conjugaatvaccin DaKTP-Hib-Hep B-vaccin is opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma en wordt op de leeftijd van twee, drie, vier en elf maanden toegediend. Bescherming ontstaat nadat er minstens drie vaccinaties zijn gegeven. Bij kinderen ouder dan 12 maanden, die nog niet tegen Hib zijn ingeënt, volstaat een eenmalige vaccinatie. Zowel los Hib-vaccin als combinatievaccins, waarvan Hib een van de componenten is, moeten intramusculair worden toegediend.

Als vaccinfalen bevestigd wordt, is het aan te raden de patiënt na herstel nog eenmaal met het Hib-vaccin te enten. Tevens wordt geadviseerd antilichaamtiters te laten onderzoeken om te kijken of er een respons op het vaccin heeft plaatsgevonden. Voor het aanvragen hiervan verwijzen wij naar het Diagnostisch Vademecum infectieziekten. Daarnaast is nader onderzoek naar immuundeficiënties gerechtvaardigd bij een invasieve infectie met Haemophilus influenza type b na vaccinatie. 

8.1.2 Passieve immunisatie

Geen.

8.2 Algemene preventieve maatregelen

Niezen en hoesten met de binnenkant van de elleboog voor de mond beperkt de kans op overdracht. Daarnaast is in alle gevallen het gebruik van papieren wegwerpzakdoeken hygiënischer.

Naar boven

9. Maatregelen naar aanleiding van een geval

9.1 Bronopsporing

Niet van toepassing.

9.2 Contactonderzoek

Contactonderzoek wordt ingesteld ten behoeve van de indicatiestelling voor chemoprofylaxe.

9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

Geen.

9.4 Profylaxe

Profylaxe heeft als doel het voorkomen van ziekte door eliminatie van dragerschap bij contacten van de index. Bijna alle onderzoeken naar de secondary attack rate voor invasieve Hib-infecties zijn uitgevoerd in het prevaccinatietijdperk in de Verenigde Staten. Uit de gecombineerde resultaten van deze onderzoeken blijkt dat 44% van de secundaire gevallen onder huisgenoten zich binnen 4 dagen manifesteerde en 68% binnen 8 dagen. Hoelang na het begin van ziekte bij de index het nog zinvol is om te starten met profylaxe bij huisgenoten is niet onderzocht. Om uniformiteit met het beleid bij meningokokkose te bewerkstelligen, wordt aanbevolen tot 4 weken na de eerste ziektedag van de index profylaxe te adviseren aan de huisgenoten (in analogie van de richtlijn van Public Health England).

Profylaxe met rifampicine is aanbevolen voor (naar analogie van de richtlijn opgesteld door de American Academy of Pediatrics):
  • alle huisgenoten* van de indexpatiënt indien er in het gezin kinderen < 4 jaar zijn die niet of nog onvolledig gevaccineerd zijn;
  • alle huisgenoten* van de indexpatiënt indien een immuno-incompetent kind (ongeacht de leeftijd) deel uitmaakt van het gezin;
  • de patiënt zelf voor ontslag uit het ziekenhuis, tenzij hij/zij behandeld is geweest met een antibioticum dat ook dragerschap bestrijdt, zoals ceftriaxon of cefotaxim;
  • contacten van de indexpatiënt in een kinderdagverblijf, ongeacht de leeftijd, indien zich twee of meer gevallen van invasieve Hib-infecties voordoen binnen 60 dagen na ziek worden van de indexpatiënt.

* huisgenoot: iemand die 4 uur aaneengesloten met de indexpatiënt doorbrengt in een periode van 5-7 dagen voorafgaand aan de ziekenhuisopname van de indexpatiënt.

Dosering

Rifampicine 20 mg/kg oraal (maximaal 600 mg/dag; kinderen tot één maand 10 mg/kg) in één keer gedurende vier dagen; contra-indicatie zwangerschap. Een mogelijke bijwerking is rode verkleuring van urine, traanvocht en sputum. Eenmalig Ceftriaxon 250 mg intramusculair is een alternatief voor in de zwangerschap.

De kosten van de immunisatie betreffen individuele zorg en vallen daarmee onder de zorgverzekeringswet. De GGD kan deze kosten bij de zorgverzekeraar declareren op basis van de Beleidsregel overige geneeskundige zorg. Meer informatie over deze beleidsregel kunt u terugvinden op http://www.ggdkennisnet.nl/thema/verzekerde-zorg/dossiers/139-nederlandse-zorgautoriteit. Indien er op scholen, kindercentra en instellingen gevaccineerd dient te worden kan per cliënt de entstof en een vaccinatie(consult) gedeclareerd worden.

Algemene preventieve maatregelen en bron- en contactopsporing door de GGD’en zijn taken die op het gebied van de collectieve preventie liggen en vallen in het kader van de Wpg onder verantwoordelijkheid van de gemeente. 

9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf

Niet van toepassing.

Naar boven

10. Overige activiteiten

10.1 Meldingsplicht

Een invasieve infectie met Hib is een meldingsplichtige ziekte groep C.

Het laboratorium en de arts melden een geval van invasieve infectie met Hib binnen één werkdag aan de GGD. De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid aan het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM.

Melding bij:
Een persoon met een klinisch beeld passend bij invasieve infectie door Haemophilus influenzae type b, dat wil zeggen ten minste één van de volgende verschijnselen:
meningitis, epiglottitis, bacteriemie zonder focus of sepsis, artritis, pneumonie, osteomyelitis, pericarditis of cellulitis
EN
aantonen van H. influenzae type b in materiaal afkomstig uit een normaal steriele plaats. 

10.2 Inschakelen van andere instanties

Indien er sprake is van invasieve ziekte door H. influenzae zal de betreffende stam voor verdere typering naar het Referentielaboratorium voor Bacteriële meningitis in het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam worden gestuurd.

10.3 Andere protocollen en richtlijnen

Niet van toepassing.

10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal

Literatuur

  • Aubrey R, Tang C. The pathogenesis of disease due to type b Haemophilus influenzae. Uit: Methods in molecular medicine, vol: 71. Haemophilus influenzae protocols. Editor: M. Herbert. Humana Press Inc., Totowa, 2001.
  • Burgmeijer R, Bolscher N. Hib-ziekten. Uit: Vaccinaties bij kinderen. Koninklijke van Gorcum, Assen, 2002.
  • Kelly D, Moxon ER. Is Haemophilus influenzae type b disease finished? Uit: Hot topics in infection and immunity in children. Editor: Pollard AJ, Mc Cracken Jr GH, Finn A. Kluwer Academic/Plenum publishers, New York, 2004.
  • Kelly D, Moxon ER, Pollard AJ. Haemophilus influenzae type b conjugate vaccines. Immunol 2004; 113: 163-74.
  • Ladhani S, Neely F, Heath PT, Nazareth B, Roberts R, Slack MPE, McVernon J, Ramsay ME. Recommendations for the prevention of secondary Haemophilus influenza type b (Hib) disease. Journal of Infection 2009; 58: 3-14.
  • McVernon J, Mitchison NA, Moxon ER. T helper cells and efficacy of Haemophilus influenzae type b conjugate vaccination. Lancet Infect Dis 2004; 4: 40-43.
  • Murphy TF. Haemophilus infections. Principles and practice of infectious diseases. Mandell GL, Bennett JE, Dolin R. Elsevier Inc, Philadelphia, 2005.
  • Netherlands Reference Laboratory for Bacterial Meningitis (AMC/RIVM). Annual report 2003. Amsterdam: University of Amsterdam, 2004.
  • Peltola H. Worldwide Haemophilus influenzae type b disease at the beginning of the 21st century: global analysis of the disease burden 25 years after the use of the polysaccharide vaccine and a decade after the advent of conjugates. Clin Microbiol Rev 2000; 13: 302-17.
  • Red Book on CD-ROM, 2nd edition. American Academy of Pediatrics, 2003.
  • Revised recommendations for the prevention of secondary Haemophilus influenza type b (Hib) disease. Juli 2013. Public Health England.
  • Rijksvaccinatieprogramma 2005. Staatstoezicht op de volksgezondheid. Inspectie voor de gezondheidszorg.
  • Roord JJ, Geelen SPM, Heymans HSA, Fleer A. Infecties op de kinderleeftijd. Uit: Leerboek Infectieziekten. Editors: Furth R. van, Geus A. de, Hoepelman AIM, Meer JWM van der, Verhoef J. Bohn Stafleu en van Loghum, Houten, 1992.
  • Schadewaldt H. Die erstbeschreibung des Haemophilus influenzae durch Richard Pfeiffer. Dtsch Med Wschr 1975; 100: 2405-8.
  • Spanjaard L, Hof S van den, Melker HE de, Vermeer-de Bondt PE, Ende A van der, Rijkers GT. Toename van het aantal invasieve infecties door Haemophilus influenzae type b. Ned Tijdschr Geneeskd: 2005; 149: 2738-42.
  • Tognotti E. Scientific triumphalism and learning from facts: bacteriology and the “Spanish Flu” challenge of 1918. Soc Hist Med 2003;16:97-110.

Hier vindt u alle LCI-richtlijnen.

Naar boven

 

Home / Documenten en publicaties / Richtlijnen / LCI-richtlijnen / LCI-richtlijn Haemophilus influenzae type b (Hib)-infectie

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu