RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

LCI-richtlijn Bof (parotitis epidemica)

Naar onderwerp 'Bof (paroditis epidemica)' | Naar pagina over totstandkoming van de LCI-richtlijnen
 
  1. Historie
  2. Ziekte
  3. Diagnostiek
  4. Besmetting
  5. Desinfectie
  6. Verspreiding
  7. Behandeling
  8. Primaire preventie
  9. Maatregelen naar aanleiding van een geval
  10. Overige activiteiten

  • Vastgesteld LOI februari 2009, december 2010: goedgekeurd door de Gezondheidsraad.
  • Mei 2009: tekstuele aanpassingen paragraaf 9 en 10.
  • Augustus 2010: aan paragraaf 8C is informatie toegevoegd over het vaccineren van ongevaccineerde personen tijdens een uitbraak.
  • Maart 2013: de bijsluiter van het MMRVAXPRO-vaccin is aangepast: de gevaccineerde dient gedurende 4 weken na vaccinatie zwangerschap te vermijden. Dit stond al in de richtlijn, maar was in tegenspraak met de bijsluiter. Nu is dit niet meer in tegenspraak dus is die opmerking verwijderd.
  • Oktober 2014: par. 9.3 vergoedingsregeling voor immunisatie is beschreven.
  • Augustus 2015: maatregelen teruggebracht van 9 tot 5 dagen na de zwelling, in lijn met internationale richtlijnen.

1. Historie

Bof is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door het bofvirus. Voor de introductie vande BMR-vaccinatie in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in 1987 kwamen regelmatig bofepidemieën voor, waarbij voornamelijk kinderen tussen het eerste en negende levensjaar werden aangedaan. Na 1987 daalde het aantal aangegeven gevallen naar minder dan 50 per jaar. (Con01) In 1999 is de meldingsplicht voor bof afgeschaft, echter in 2008 is deze weer geïntroduceerd, met name ter surveillance van vaccinfalen.

Naar boven

2. Ziekte

2.1 Verwekker

Bofvirus is een RNA-virus behorend tot de groep paramyxovirussen.

2.2 Pathogenese

Het bofvirus infecteert de bovenste luchtwegen, waarna vermenigvuldiging van het virus plaatsvindt in het plaatselijke luchtwegepitheel en regionale lymfeklieren. De daarop volgende viremie verplaatst het virus naar de targetorganen: speekselklieren, pancreas, testis, ovarium en centraal zenuwstelsel. In de parotis ontstaat een interstitiële ontsteking met een serofibrineus en leukocytair exsudaat en een degeneratie van de cellen van de parotisgangen. In de testis ontstaan hemorragieën, interstitieel oedeem en een degeneratie van de tubuli. De pancreas laat een interstitieel oedeem en een beperkte degeneratie van de eilandjes van Langerhans zien. Histologisch is bij bofmeningo-encefalitis een perivasculaire demyelinisatie te zien, die karakteristiek is voor een postinfectieuze encefalitis.

2.3 Incubatieperiode

De incubatieperiode varieert van 12 tot 25 dagen (de meeste gevallen van bof ontstaan tussen de 16 en 18 dagen). (AAP03)

2.4 Ziekteverschijnselen

Naar schatting verloopt ongeveer een derde van de bofinfecties asymptomatisch, bij kinderen jonger dan 2 jaar zelfs meer dan de helft. De ziekte begint met koorts en wordt begeleid door andere prodromalesymptomen, zoals spierpijn, hoofdpijn en malaise. In veel gevallen is slechts sprake van een bovensteluchtweginfectie. (Con01) Een van de kenmerkendesymptomen van bof is de ontsteking van de speekselklieren (parotitis). Meestal verloopt de parotitis eenzijdig en de zwelling van het omliggende weefsel kan het oorlelletje doen oplichten. Bij een gelijktijdige infectie van de andere speekselkieren in de mondbodem kan een forse confluerende zwelling ontstaan.De vergrote speekselklier veroorzaakt pijn, vooral bij het openen van de mond. Ook oorpijn is een frequent voorkomend verschijnsel. De zwelling van de parotis is maximaal na 2 à 3 dagen, en is binnen een week weer verdwenen, evenals de overige symptomen.
Als complicatie van bof kunnen aseptische meningitis, encefalitis, epididymo-orchitis, oöforitis, gehoorverlies, pancreatitis, thyroïditis, artritis, mastitis, glomerulonefritis, trombocytopenie, cerebellaire ataxie en myocarditis voorkomen. (
AAP03, Bea99, Con01) Aseptische meningitis, de meest voorkomende complicatie op de kinderleeftijd (1 tot 10%), treedt vooral tussen de leeftijd van 3 en 7 jaar op en heeft een gunstige prognose. (Bea99)

Bij een klein percentage gaat het klinisch beeld gepaard met een encefalitis (0.02 tot 0.3% van alle bofgevallen). Deze kan ernstiger verlopen, maar heeft slechts zelden een fatale afloop (1.4%). (AAP03)
Epididymo-orchitis (ontsteking van de epididymis en de testis) komt voornamelijk voor na de puberteit. Bij 25% van de mannen met een postpuberale infectie doet zich een, meestal eenzijdige, orchitis voor. Een op de 6 patiënten heeft een bilaterale epididymo-orchitis. (
Con01) Steriliteit bij mannen als complicatie van het doormaken van een bilaterale bof-epididymo-orchitis wordt zelden waargenomen. (Bea99, Con01)
Oöphoritis (ontsteking van de eierstokken) komt voor bij ongeveer 5% van de postpuberale vrouwen met klinische bof en veroorzaakt buikpijn. Deze complicatie beïnvloedt de fertiliteit zeer zelden.(Bea99)

In de differentiaaldiagnose van een (solitaire) parotitismoet gedacht worden aan andere oorzaken: infectieuze (para-influenzavirus, influenza A, coxsackie A-virus, echovirus, hiv et cetera) en niet-infectieuze oorzaken (medicamenten, maligniteiten, immunologische ziekten en obstructie van de speekselbuis). (MMWR06-3)

2.5 Verhoogde kans op ernstig beloop

De kans op chronische, dubbelzijdige parotitis is groter bij hivgeïnfecteerde kinderen.
Op basis van beschikbare data bestaan tot dusver geen aanwijzingen dat het krijgen van bof tijdens de zwangerschap tot een verhoogd risico op aangeboren afwijkingen leidt. Er zijn vermeldingen in de literatuur dat parotitis door het bofvirus in de eerste 12 weken van de zwangerschap is geassocieerd met een verhoogd risico op spontane abortus. (AAP03) Ook zijn er enkele casussen gepubliceerd waarbij een mogelijke associatie tussen bofvirusinfectie in het eerste trimester en spontane abortus werd beschreven (Gar80, Kur82), maar in een studie bij 79 zwangere Duitse vrouwen met serologisch bewezen acute bofinfectie kon een toename van spontane abortus of premature bevalling niet worden bewezen. (End05) Het is dus onduidelijk of het doormaken van bof tijdens de zwangerschap een risico voor het ongeboren kind geeft.

2.6 Natuurlijke immuniteit

Na infectie met het bofvirus ontstaat waarschijnlijk een levenslange immuniteit. De prevalentie van beschermende antistoffen tegen het bofvirus bij 25 tot 79-jarige Nederlanders met overwegend natuurlijke immuniteit, verworven vóór de introductie van het BMR-vaccin, is >96%. (Hof03, Nar03) De verworven immuniteit na vaccinatie en natuurlijke infectie is mogelijk niet levenslang. In de literatuur zijn meerdere uitbraken van bof onder gevaccineerden beschreven. (Bro05, MMWR06-1,2,3, Sav05)

Risicofactoren voor een uitbraak onder gevaccineerden zijn: aanwezigheid van niet of niet-volledig gevaccineerden, afnemende immuniteit na vaccinatie, primair vaccinfalen en crowding. (Coh07, Par07)Er zijn vermoedens dat de introductie van nieuwe en/of variante bofvirusstammen een rol kan spelenbij het ontstaan van deze uitbraken. (San08)

Naar boven

3. Diagnostiek

 

3.1 Microbiologische diagnostiek

Laboratoriumdiagnostiek

Direct

  • Virusisolatie door middel van kweek van keeluitstrijk of urine.
  • Nucleïnezuuramplificatietechniek (RT-PCR) is geschikt voor de keeluitstrijk-, urine- en speekselmonsters, en voldoende sensitief indien de monsters zijn afgenomen binnen de 1e week na de eerste ziektedag. (Oka05) Met deze techniek kan het virus ook getypeerd worden (fylogenetische typering) (door CIb/IDS).

Indirect

  • Specifieke antistoffen (IgM en IgG) worden in de regel met een immunofluorescentietest (IFT) of een ELISA aangetoond. Bij ongevaccineerden is de meest aangewezen test het aantonen van IgM-antistoffen in het serum. Deze kunnen meestal na 3 dagen na de eerste ziektedag worden aangetoond en zijn tot enkele weken na de ziekte nog goed aantoonbaar. Bij gevaccineerden die alsnog bofparotitis ontwikkelen is de sensitiviteit van de IgM-antistofbepaling echter onvoldoende. Bij gevaccineerden wordt dan ook RT-PCR aangeraden voor de diagnostiek van bof.
  • Een (minstens) viervoudige titerstijging van IgG-antistoffen. Deze bepaling is zeer betrouwbaar maar vereist 2 bloedmonsters. Het eerste monster moet (bij voorkeur) binnen 3 dagen na de eerste ziektedag worden afgenomen.

Bofvirus en antistoffen kunnen soms ook in het cerebrospinale vocht worden aangetoond. (Kra06)

3.2 Overige diagnostiek

De diagnose bof is klinisch eenvoudig(er) te stellen wanneer deze zich presenteert in de klassieke vorm tijdens een epidemie: parotitis epidemica. Echter, bij een solitaire parotitisof atypische bof leunt de diagnose op laboratoriumonderzoek.

Naar boven

4. Besmetting

4.1 Reservoir

De mens is de enige bekende gastheer van het bofvirus.

4.2 Besmettingsweg

Druppelinfectie uit neus- en keelholte (hoesten, niezen).

4.3 Besmettelijke periode

Bof is het meest besmettelijk vanaf 1 tot 2 dagen vóór het optreden van de parotiszwelling tot 5 dagen daarna. (AAP03) Er zijn gevallen beschreven waar het virus in het speeksel geïsoleerd is vanaf 5 dagen vóór tot 9 dagen na het ontstaan van de parotitis. (AAP03) In de urine is tot 5 dagen na het begin van de parotitis bij 80% van de patiënten het virus aantoonbaar.

4.4 Besmettelijkheid

Bof is een erg besmettelijke infectieziekte, ook subklinische infecties zijn besmettelijk.

Naar boven

5. Desinfectie

Conform de richtlijn standaardmethoden reiniging, desinfectie en sterilisatie in de openbare gezondheidszorg
 

Naar boven

6. Verspreiding

6.1 Risicogroepen

Iedereen die niet gevaccineerd is of op natuurlijke wijze immuniteit heeft verworven, vooral als er sprake is van clustering van niet-immune personen in bepaalde woon- of verblijfplaatsen:

  • kinderen van 6 tot 14 maanden die hun eerste BMR-vaccinatie nog niet hebben gekregen;
  • kinderen die, bijvoorbeeld om religieuze of antroposofische redenen, niet gevaccineerd zijn;
  • volwassenen geboren voor 1987 die de ziekte niet hebben doorgemaakt.
  • Mogelijk zijn er personen bij wie de vaccingeïnduceerde immuniteit sneller daalt dan gewenst. De grens waarbij deze waning immunity leidt tot een verhoogde kans op een bofinfectie is nog onbekend, evenals de immunologische kenmerken van deze personen.

Voor de introductie van BMR in 1987 raakte vrijwel iedereen geïmmuniseerd door het wilde virus. Het aantal vatbaren in deze groep is laag (<4%).

6.2 Verspreiding in de wereld

Bof komt wereldwijd voor. Tussen 2004 en 2005 werden bofepidemieën in het Verenigd Koninkrijk gemeld. (MMWR06-1) Hier betrof het mensen in de leeftijdscategorie van 15 tot 24 jaar. Van hen had 3.3% 2 doses BMR-vaccin ontvangen en 30% één dosis. (MMWR06-1) In juli 2005 ontstond een bofuitbraak in een zomerkamp in de staat New York. (MMWR06-2) De index was een twintigjarige ongevaccineerde man uit het Verenigd Koninkrijk en alle gevallen waren tussen de 10 en 15 jaar. Vanaf december 2005 tot april 2006 werden verschillende grote bofuitbraken (met 515 vermoedelijke bofgevallen) gemeld in de staat Iowa in de Verenigde Staten. (MMWR06-3) Tussen mei 2005 en januari 2006 zijn 2 uitbraken van bofparotitis in Nova Scotia (Canada) gemeld. (Wat06) Bij de eerste uitbraak betrof het in 69% van de gevallen patiënten die 2 doses BMR-vaccin hadden gehad, bij de tweede uitbraak betrof het in 95% van de gevallen patiënten die maar één dosis BMR-vaccin hadden gehad.

6.3 Voorkomen in Nederland

In 1999 werd de wettelijke meldingsplicht voor bof afgeschaft en berustte de surveillance van bof op informatie van de ziekenhuisregistratie door PRISMANT, van de virologische weekstaten en de sterftestatistieken door het CBS. Dit bood in beperkte mate zicht op de daadwerkelijke incidentie van bof in Nederland. Met de ingang van de nieuwe Wet publieke gezondheid in 2008 is de meldingsplicht voor bof opnieuw ingevoerd.
Nadat in 1987 gestart werd met vaccinatie is het aantal ziekenhuisopnamen wegens bof in Nederland drastisch gedaald. H
et aantal ziekenhuisopnamen in verband met bof daalde van 390 naar nul in 1994.(Bea99, Con01) In de periode tussen 1997 en 2003 werden 2 sterftegevallen door bof geregistreerd. (Abb04) In 2004 werd in een populatie van 843 studenten en medewerkers van de Hotelschool in Den Haag en Amsterdam bij 105 personen (12%) parotitis of orchitis of laboratoriumbevestigde bof (n=34) aangetoond. 34% van de studenten en medewerkers (287/843) had typische klachten of 2 of meer atypische klachten.
In 2007/2008 verspreidde een ander genotype bofvirus (type D) zich sterk onder de ongevaccineerden in Nederland. Omdat bof niet meldingsplichtig was, is niet duidelijk geworden hoeveel gevallen van bof er daadwerkelijk zijn geweest. Ten tijde van deze uitbraak zijn frequent parotitismeldingen onderzocht van onvolledig (1x) en volledig (2x) gevaccineerde personen. De meeste van deze personen bleken bij laboratoriumonderzoek door hetzelfde virus (type D) te zijn geïnfecteerd geweest als de ongevaccineerden (CIb/IDS- onderzoek).


Naar boven

7. Behandeling

Alleen symptomatische behandeling is hier aangewezen.

Naar boven

8. Primaire preventie

8.1 Immunisatie
8.1.1 Actieve immunisatie

A. Samenstelling

Het bofvaccin is een levend verzwakt virus en maakt deel uit van de BMR-vaccinatie tegen bof, mazelen en rodehond. (Monovalent bofvaccin is in Nederland niet verkrijgbaar).

B. Risicogroepen, (contra-)indicaties, bijwerkingen en interacties

Risicogroepen: zie ook paragraaf 2.5 en 6.1.
In ongevaccineerde populaties komt bofvirusinfectie voornamelijk tussen het eerste en negende levensjaar voor. In gevaccineerde populaties worden ongevaccineerden gemiddeld later besmet. Niet-geïmmuniseerde en
immuno-incompetentepersonen zijn de belangrijkste risicogroepen.

Contra-indicaties voor het BMR-vaccin zijn:

  • BMR-vaccinatie is gecontra-indiceerd voor zwangeren.
    Op theoretische gronden mag het vaccin niet worden gegeven aan zwangeren. Omdat een risico voor de foetus ten gevolge van toediening van deze levende virusvaccins in theorie niet kan worden uitgesloten, dient de gevaccineerde gedurende 4 weken na vaccinatie zwangerschap te vermijden. Dit geldt voor alle mazelen-, bof-, BMR- of andere vaccins die een verzwakt levend virus bevatten. [CDC01]
  • Recent gebruik van immunoglobuline-substitutietherapie: BMR-vaccinatie moet ten minste 2 weken voor of 3 maanden na immunoglobulinetherapie plaatsvinden. Theoretisch gezien kunnen antilichamen het verzwakte bofvirus neutraliseren en daarmee de effectiviteit van de vaccinatie beïnvloeden.
  • Verminderde immunologische afweer (immunodeficiëntie, bestraling, stamceltransplantatie et cetera). Bij hivgeïnfecteerden wordt vaccinatie echter toch aanbevolen vanwege het ernstige beloop van een mazeleninfectie, mits de immunologische toestand van de patiënt dat toelaat. Deze wordt bepaald aan de hand van het aantal CD4+- en CD8+-cellen.
  • Anafylactische shock na eerdere BMR-vaccinatie. Het voorkomen van anafylactische reactie na vaccinatie is niet bekend: in Nederland is er alleen een passieve registratie van bijwerkingen, zowel bij het RIVM als bij Lareb (Nederlands Bijwerkingen Centrum). De incidentie van anafylactische reactie na vaccinatie is erg laag, maar het kan wel voorkomen. (LCR06). De Inspectie voor de Gezondheidszorg vindt de aanwezigheid van noodsets voor reanimatie op het CB tijdens toediening van BMR-vaccin niet nodig.
  • Bij aandoeningen met een immunologische component (zoals bij een reumatische aandoening of (auto)immuunstoornis) moet de beslissing over vaccinatie individueel worden genomen, in overleg met behandelend arts en een in immunologie en infectieziekten gespecialiseerde kinderarts en GGD.
  • Cytostaticagebruik of hoge dosis corticosteroïden. Voor mensen met langdurig (14 dagen of langer) gebruik van een prednisondosis equivalent aan ≥2 mg/kg/dag (kinderen) en ≥20 mg/dag (volwassenen), is BMR gecontra-indiceerd. Het advies is om niet eerder dan 4 weken na het stoppen van corticosteroïdtherapie te vaccineren. (AAP03) Bij tijdelijke toediening van immunosuppressiva en cytostatica worden regulaire vaccinaties (inclusief BMR) bij voorkeur uitgesteld tot ten minste één maand na het staken van de therapie.

Van de bofcomponent in het BMR-vaccin zijn geen specifieke bijwerkingen bekend. De bekende bijwerkingen worden toegeschreven aan de mazelen- en de rubellacomponenten. (AAP03)

Voor kinderen bekend met een allergie voor kippenei-eiwit is de BMR-vaccinatie niet gecontra-indiceerd. Zij lopen geen groter risico dan kinderen die niet allergisch zijn voor kippenei-eiwit.

Bijwerkingen en interacties:

  • branderig, stekend gevoel op de injectieplaats;
  • koorts en/of erytheem, meestal 5 tot 12 dagen na de vaccinatie;
  • febriele convulsies, met name bij kinderen die met koorts op vaccinatie reageren en die hiervoor gepredisponeerd zijn;
  • soms lymfeklierzwellingen.

C. Doseringsschema

0.5 ml BMR-vaccin wordt subcutaan geïnjecteerd. In het kader van het RVP worden 2 BMR-vaccinaties uitgevoerd: de eerste op de leeftijd van 14 maanden en de tweede op de leeftijd van 9 jaar. Een volledige serie bevat twee vaccinaties. Ongevaccineerde personen die hun vaccinatiestatus op peil willen brengen tijdens een uitbraak, krijgen 2 bofvaccinaties met een minimaal interval van 1 maand.

D. Bescherming, beschermingsduur, revaccinatie

Tweemaal bofvaccinatie biedt aanzienlijke maar geen 100% bescherming tegen infectie met het bofvirus. Na de eerste dosis BMR is het percentage beschermende antistoffen 90-96% en na de tweede dosis tot 98%. (Oka05)De prevalentie van beschermende antistoffen (cut-off 40 RU/ml) tegen het bofvirus bij 1 tot 14-jarigen met overwegend vaccingeïnduceerde immuniteit, was 91%, en daarmee significant lager dan de prevalentie van beschermende antistoffen bij personen met een overwegend natuurlijke immuniteit (97.5% bij 25 tot 79-jarigen). (Bea99) De vaccingeïnduceerde immuniteit is ruim voldoende om epidemieën te voorkomen. Onbekend is de individuele mate van waning imunity en het moment waarop dit begint.

E. Vaccinatieprogramma’s

Als onderdeel van het RVP, als het BMR-vaccin.

F. Bijzonderheden

Geen.

G. Toekomstige ontwikkelingen

Niet bekend.

8.1.2 Passieve immunisatie

Passieve immunisatie met immunoglobuline is niet effectief in het beschermen tegen infectie met bofvirus.

8.2 Algemene preventieve maatregelen

Aangezien bof zeer besmettelijk is zijn algemene maatregelen zoals handenwassen en hoesthygiëne niet voldoende om transmissie te voorkomen.
In de klinische setting wordt druppelisolatie toegepast.

Naar boven

9. Maatregelen naar aanleiding van een geval

9.1 Bronopsporing

Een solitaire bof is uitzonderlijk, maar kom wel voor. Het belang van bronopsporing is gelegen in het traceren van mogelijke import van nieuwe bofstammen waartegen het vaccin in het Rijksvaccinatieprogramma geen bescherming biedt. Kweek en moleculaire typering zijn aangewezen om de herkomst door typering van het virus te achterhalen.
Als er sprake is van een bestaand cluster of een landelijke epidemie dan heeft bronopsporing geen meerwaarde en is dus niet nodig.

9.2 Contactonderzoek

Naar aanleiding van een melding van bof (in het laboratorium bevestigd) moet de vaccinatiestatus van de personen in de omgeving van de patiënt worden nagegaan, evenals de aanwezigheid van personen met verhoogd risico op gecompliceerd beloop zoals niet-immune zwangeren en immuungecompromitteerde personen. Met name zal de vaccinatiestatus in het gezin, de schoolklas of kinderdagverblijfgroep moeten worden gecontroleerd.

9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten

Bij een solitair geval van bof en afwezigheid van contacten met verhoogd risico op gecompliceerd beloop, zijn extra maatregelen in het algemeen niet zinvol. Indien deze contacten wel aanwezig zijn, dan dient de patiënt tot het einde van de besmettelijke periode (tot 5 dagen na het optreden van de parotiszwelling) contact met deze personen te mijden. Indien er sprake is van een solitair geval dat niet met andere door laboratoriumonderzoek bevestigde gevallen in verband gebracht kan worden, is het natuurlijk van belang dat de diagnose wordt bevestigd door laboratoriumdiagnostiek alvorens tot maatregelen wordt overgegaan.

In een instelling (bijvoorbeeld een school (met name een basisschool), kinderdagverbijf of gezondheidsinstelling) is het aan te raden bij een solitair bevestigd geval of een uitbraak van bof, vaccinatie aan te bieden (of serie af te ronden) aan contacten (groepsgenoten, leerkrachten, begeleiders) die nooit eerder (een volledige serie) BMR-vaccinatie hebben gehad, noch klinisch bof hebben doorgemaakt. Vervroegd vaccineren van kinderen onder de 14 maanden is niet nodig. Bof wordt bij deze leeftijd zelden gezien, waarschijnlijk omdat zij nog over maternale antistoffen beschikken.

De kosten van de immunisatie betreffen individuele zorg en vallen daarmee onder de zorgverzekeringswet. De GGD kan deze kosten bij de zorgverzekeraar declareren op basis van de Beleidsregel overige geneeskundige zorg. Meer informatie over deze beleidsregel kunt u terugvinden op ggdkennisnet. Indien er op scholen, kindercentra en instellingen gevaccineerd dient te worden kan per cliënt de entstof en een vaccinatie(consult) gedeclareerd worden.

Algemene preventieve maatregelen en bron- en contactopsporing door de GGD’en zijn taken die op het gebied van de collectieve preventie liggen en vallen in het kader van de Wpg onder verantwoordelijkheid van de gemeente.

9.4 Profylaxe

Geen

9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf

Wering van bofpatiënten van school of kinderdagverblijf is niet zinvol en niet nodig. Niet alleen is de bofpatiënt tijdens de prodromale fase al besmettelijk, maar ook heeft ongeveer de helft van de bofpatiënten geen typische symptomen. Besmetting van klasgenoten heeft dus meestal al plaatsgevonden voordat de diagnose is gesteld. Ook het weren van niet-gevaccineerde kinderen ten tijde van een bofepidemie wordt niet zinvol geacht.

Echter, in de situatie van een afgrensbare uitbraak van bof kan wering van niet-immune zwangere vrouwen in het eerste trimester of van immuungecompromitteerde personen overwogen worden, bijvoorbeeld wering van een zwangere leidster in een kinderdagverblijf waar bof heerst. Zij zou tijdelijk vervangende werkzaamheden kunnen uitvoeren (zie bijlage I. Evidence-based literatuuronderzoek).

Naar boven

10. Overige activiteiten

10.1 Meldingsplicht

Bof is een meldingsplichtige ziekte groep C.

De arts meldt een geval van parotitis binnen een werkdag aan de GGD. De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid aan het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM.

Melding bij:
een persoon met ten minste 1 van de volgende 3 verschijnselen:

  • acuut ontstane, pijnlijke zwelling van de glandula parotis of andere speekselklier,
  • orchitis,
  • meningitis,

in combinatie met ten minste 1 van de volgende 2 criteria:

  • laboratoriumbevestiging van bofvirusinfectie,
  • contact (<4 weken geleden) met een persoon bij wie bofinfectie is vastgesteld.

Laboratoriumbevestiging van bofvirusinfectie:

  • in persoon die niet recent (4 weken voor afname monsters) is gevaccineerd:
    - detectie van een bof-specifieke significante antistofrespons in serum of speeksel,

en/of
- detectie van bof-RNA,

en/of
- isolatie van bofvirus (kweek).

  • in persoon die recent is gevaccineerd (4 weken voor afname monsters):
    - detectie van wildtype bof-RNA.

10.2 Inschakelen van andere instanties

Geen.

10.3 Andere protocollen en richtlijnen

Geen

10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal

10.5 Literatuur

  • Aanwezigheid van een arts op reizigersvaccinatiebureaus. Rapport Bureau Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering 2006, pag. 16.
  • Abbink F, Greeff SC de, Hof S van den, Melker HE de. Het Rijksvaccinatieprogramma in Nederland: het vóórkomen van de doelziekten. RIVM-rapport 210021001/2004, RIVM 2004.
  • American Academy of Pediatrics. Mumps. In: Pickering L ed. Red Book: 2003 Report of the Committee on Infectious Diseases. 26th ed. Elk Grove Village, IL: American Academy of Pediatrics, 2003:439–43.
  • Beaumont MTA, Hof S van den, Berbers GAM, Conyn-van Spaendonck MAE. De immuniteit van de Nederlandse populatie tegen bof: evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma. RIVM rapport nr 213676010; pp.38. Bilthoven, 1999.
  • Brockhoff HJ, Sonder GJB. Bof op een internationale school, Infectieziekten Bulletin 2005; jaargang 16, nummer 2:54-55.
  • Burgmeijer R, Hoppenbrouwers K, Bolscher (red.). Handboek Vaccinaties (Deel B, Hoofdstuk 1, p. 3-11). Assen: Van Gorcum, 2007. ISBN 978 90 232 4339 7.
  • Cohen, C, White JM, Savage EJ, et al. Vaccine effectiveness estimates, 2004-2005 mumps, England. Emerg Infect Dis 2007;13:12-17.
  • Conyn-van Spaendonck MAE, Vermeer-de Bondt PE, Hof S van den, Bosman A. Bof, wat weten we er nog van? Infectieziekten Bulletin 2001; jaargang 12 nummer 4 (bof):114-116.
  • Enders M, Rist B, Enders G. Abort- und Fruhgeburtenrate nach akuter Mumpsinfecktion in der Schwangerschaft. Gynakol. Geburtshilfliche Rundsch 2005;45(1):39-43.
  • Garcia AGP, Perira JMS, Vidigal N, et al. Intrauterine infection with mumps virus. Obstetrics and Gynaecology 1980;56:756-59.
  • Heymann D.L. Control of Communicable Diseases Manual19th Edition
  • Hof S van den, Beaumont MT, Berbers GA, Melker HE de. Antibodies against mumps in The Netherlands as assessed by indirect ELISA and virus neutralization assay. Epidemiol Infect 2003;131:703-9.
  • Krause CH, Eastick K, Ogilvie MM. Real-time PCR for mumps diagnosis on clinical specimens-comparison with results of conventional methods of virus detection and nested PCR. J Clin Virol 2006;37:84-89.
  • Krause CH, Molyneaux PJ, Ho-Yen DO, McIntyre P, Carman WF, Templeton KE. Comparison of mumps-IgM ELISAs in acute infection. J Clin Virol 2007;38:153-6.
  • Kurtz JB, Tomlinson AH, Pearson J. Mumps virus isolated from a fetus. Br Med J 1982;284:471.
  • MMWR Morb. Mortal Wkly Rep 2006;55 (7):173-5 [1].
  • MMWR Morb. Mortal Wkly Rep 2006;55 (7):175-7 [2].
  • MMWR Morb. Mortal Wkly Rep 2006;55 (14):401-2 [3].
  • Nardone A, Pebody RG, Hof S van den, et al. Sero-epidemiology of mumps in western Europe. Epidemiol Infect 2003;131:691-701.
  • Okafuji T, Yoshida N, Fujino M, et al. Rapid diagnostic method for detection of mumps virus genome by loop-mediated isothermal amplification. J Clin Microbiol 2005;43:1625-31.
  • Park DW, Nam MH, Kim JY, et al. Mumps outbreak in a highly vaccinated school population: assessment of secondary vaccine failure using IgG avidity measurements. Vaccine 2007;25:4665-70.
  • Redbook, 30e editie 2015
  • Santos CL, Ishida MA, Foster PG, et al. Detection of a new mumps virus genotype during a parotitis epidemic of 2006-2007 in the State of São Paolo, Brazil. J Med Virol 2008;80:323-9.
  • Savage E, Ramsay M, White J, Beard S, Lawson H, Hunjan R, et al. Mumps outbreaks across England and Wales in 2004: observational study. BMJ 2005;330:1119-20.
  • Watson-Creed G, Saunders A, Scott J, Lowe L, Pettipas J, Hatchette TF. Two successive outbreaks of mumps in Nova Scotia among vaccinated adolescents and young adults. CMAJ 2006;175:483-8.

Hier vindt u alle LCI-richtlijnen.

Naar boven

Home / Documenten en publicaties / Richtlijnen / LCI-richtlijnen / LCI-richtlijn Bof (parotitis epidemica)

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu