RIVM_Logo

Vragen van Zembla aan RIVM m.b.t. uitzending over rubbergranulaat (5-10-2016)

7 september 2016

Het RIVM was in 2006 deelnemer in de begeleidingscommissie van een onderzoek naar mogelijke gezondheidsgevaren van het gebruik van rubbergranulaat in kunstgrasvelden door het bureau Intron. Onderdeel van dit onderzoek was een urineonderzoek onder zeven voetballers, uitgevoerd door het bureau Industox. Over de waarde van dit onderzoek is later discussie ontstaan. Zijn er binnen het RIVM destijds twijfels geweest over opzet en aard van het Industox-onderzoek? Zo ja, zijn die twijfels ook geuit naar de betrokken autoriteiten (met name de ministeries van VWS en VROM)?
Ja, er zijn twijfels geuit over dit onderzoek, omdat niet alle meetresultaten zijn meegenomen. Wij denken echter niet dat hierdoor de uiteindelijke conclusies met betrekking tot de gezondheidsrisico’s van blootstelling aan PAK’s uit rubbergranulaat beïnvloed is. Dit is in februari 2007 gecommuniceerd aan het ministerie van VROM. Deze brief toegevoegd als bijlage 1.

Het RIVM stelt op haar website (onder de rubriek ‘Alle veelgestelde vragen over rubbergranulaat’ ): ‘het RIVM heeft eerder geconcludeerd dat er bij het sporten met rubberkorrels ingestrooide kunstgrasvelden geen gezondheidsrisico is te verwachten door blootstelling aan PAKs en weekmakers’. Is deze conclusie mede gebaseerd op het eerder genoemde Industox-onderzoek? Is er sinds 2006 door of met medewerking van het RIVM nog nader onderzoek naar die gezondheidsrisico’s gedaan?
Deze conclusies zijn inderdaad mede gebaseerd op het Industox-onderzoek. Het RIVM heeft sindsdien geen nader onderzoek gedaan naar gezondheidsrisico’s van blootstelling aan PAK’s uit rubbergranulaat. Wel is op verzoek van ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport advies uitgebracht naar aanleiding van de opmerkingen van professor Berger. Zie bijlage 2.

Het RIVM is als vertegenwoordiger van Nederland lid van de zogenaamde CARACAL-commissie. Nederland heeft begin december 2015 in deze commissie betoogd dat rubbergranulaat gemaakt van oude autobanden, als een ‘artikel’ zou moeten worden beschouwd en derhalve onder de REACH-regeling inzake PAK’s zou moeten vallen, die per 1 januari 2016 van kracht is geworden. Op 13 januari 2016 heeft Nederland haar standpunt in deze kwestie gewijzigd en betoogd dat het rubbergranulaat als een ‘mengsel’ zou kunnen worden beschouwd. Gesteld is dat dit is gebeurd ‘om pragmatische redenen’. Kunt u uitleggen waarom dit standpunt is gewijzigd en wat die ‘pragmatische redenen’ zijn?
Het RIVM neemt deel aan de CARACAL vergaderingen als adviseur van de ministeries van Infrastructuur en Milieu en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Deze vraag hoort daarom niet bij het RIVM thuis. Voor antwoord op deze vraagt dient u deze te stellen aan het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

‘Aangezien in de discussie over de interpretatie van de EU Verordening 1272/2013 een Duits onderzoek werd aangehaald dat niet gebaseerd was op metingen, maar op irreële aannames ten aanzien van frequentie en duur van huidcontact, hebben wij het ministerie van VWS inderdaad verzocht om het RIVM opdracht te geven om onderzoek te doen naar de werkelijke blootstelling aan infill/tegels. Wij zijn nu in afwachting van dat onderzoek.’
Bedoelt de VACO hier hetzelfde onderzoek, of is er nog een ander onderzoek door het RIVM gaande? De VACO suggereert hier namelijk dat de uitslag van het onderzoek zou kunnen zijn dat de REACH-normen als ‘te streng’ zouden kunnen worden beoordeeld. En dit zou dan kennelijk niet aleen voor de rubber tegels gelden, maar ook voor het rubbergranulaat.

Voor zover ons bekend is dit onderzoek uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en niet op verzoek van VACO. Het gaat hierbij inderdaad om het al eerder besproken onderzoek naar valdempingstegels waar we vrijdag 2 september jl. telefonisch over hebben gesproken en waarvan wij de resultaten eind dit jaar/begin 2017 verwachten.

08 september 2016

Het RIVM-advies over de opmerkingen van professor Berger is in het Engels gesteld. Waarom is dat?
De vragen van professor Berger waren in het Engels gesteld. RIVM heeft de antwoorden in het Engels geformuleerd zodat onze opdrachtgever (het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), indien gewenst, deze antwoorden gemakkelijk in een internationale setting kan inbrengen. De discussie over de interpretatie van de restrictie van PAKs in artikelen vond in de CARACAL meetings in Brussel plaats. De voertaal van deze vergadering is Engels.

Is bij het RIVM ook bekend waarom het ministerie van VWS anno 2016 een advies wil over een commentaar uit 2008 op een rapport uit 2006?
Deze vraag hoort niet thuis bij het RIVM. Voor antwoord op deze vraag dient u deze te stellen aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

09 september 2016

Voor onze duidelijkheid heb ik nogmaals een vraag over het nu lopende onderzoek naar valdempingstegels. Als ik het goed begrepen heb is dat onderzoek er op gericht om te kijken of de normen, die sinds 1 januari 2016 onder de REACH-regeling gelden, voldoende garantie bieden dat er geen gezondheidsrisico’s zijn.
Onderzoek is er op gericht om te onderzoeken wat de eventuele gezondheidsrisico's zijn van de normen die met ingang van 27 december 2015 van kracht zijn voor rubber/kunststof (onderdelen van) voorwerpen.

Het ministerie van VWS heeft om dit onderzoek gevraagd, naar aanleiding van Kamervragen over dit onderwerp.
Voor een toelichting op de aanleiding van de onderzoeksvraag verwijzen wij naar het ministerie van VWS.

Het is níet zo dat er in dit onderzoek wordt gekeken of de normen in de REACH-regeling naar Nederlands inzicht mogelijk hoger zouden moeten zijn.
Het "Nederlands inzicht" is een beleidsstandpunt, voor een antwoord op deze vraag verwijzen wij naar het ministerie van VWS.

28 september 2016

Als het RIVM in 2014 al een risicobeoordeling heeft gedaan, en daarin concludeert dat de toekomstige REACH-norm van 1 of 0,5 mg/kg adequaat is, wat is dan nut en noodzaak van een nieuwe risicobeoordeling?
De RIVM-beoordeling van 2013 is gestart naar aanleiding van een incident. En in de betreffende beoordeling is uitgegaan van een blootstellingsperiode van 6 maanden. De risicobeoordeling die nu wordt opgesteld gaat uit van een blootstellingsperiode van 15 jaar.
De beide beoordelingen hebben een wezenlijk verschillend uitgangspunt. Bij een incident wordt de schadelijkheid van de aangetroffen situatie beoordeeld, met het oog op eventueel direct te nemen maatregelen ter bescherming van de gezondheid of om verdere schade te beperken.
Bij de beoordeling van een veilige norm wordt gekeken naar de bescherming van de gevoeligste groepen van de bevolking, waarbij ook de uitschieters (bijvoorbeeld 15 jaar buitenspelen op rubbertegels) beschermd zijn. Dit is dus de andere kant van het spectrum (bij welke concentratie zijn we er zeker van dat er geen schade optreedt).

Moet ik dit onderzoek in verband brengen met een e-mail die een medewerker van de VACO in december 2015 aan een ambtenaar van VWS stuurde, waarin deze het verzoek deed om er richting de Europese Commissie op aan te dringen voor de valdempingstegels dezelfde uitzondering te bepleiten als ten aanzien van rubbergranulaat?
Deze vraag hoort niet thuis bij het RIVM. Voor antwoord op deze vraag dient u deze te stellen aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

29 september 2016

Is mijn conclusie juist als ik stel dat dat alleen kan betekenen dat de norm minstens even streng moet blijven? Immers, 15 jaar is 30 maal langer dan 6 maanden.
Deze conclusie is onjuist. Zoals besproken in ons telefonisch gesprek van vrijdag 2 september jl. verwachten wij eind dit jaar/begin 2017 de resultaten van het onderzoek naar rubbervaldempingstegels te kunnen publiceren. Tot die tijd kunnen wij geen uitspraak doen over de conclusies noch over de norm.

Home / Documenten en publicaties / Vragen van Zembla aan RIVM m.b.t. uitzending over rubbergranulaat (5-10-2016)

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu