RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Surveillance van Shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) in Nederland, 2014

De surveillance van Shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) in Nederland is gebaseerd op de meldingen van STEC O157-infecties. In 2007 is de diagnostiek van STEC non-O157 hieraan toegevoegd, hoewel deze nog niet landelijk dekkend is. Voor het vaststellen van mogelijke bronnen van infectie onderzoekt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) monsters van voedsel en landbouwhuisdieren op STEC. In 2014 werden 898 infecties gemeld, waarvan 79 patiënten met een STEC O157-infectie, 202 patiënten met een STEC non-O157-infectie en 617 patiënten met STEC zonder verdere bevestiging. Tien patiënten ontwikkelden het hemolytisch-uremisch syndroom (HUS). Twee volwassen zijn overleden aan een STEC-infectie. De incidentie van zowel STEC O157 als STEC non-O157 is iets gedaald ten opzichte van 2013.

Shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) is een bacterie die maag-darmklachten kan veroorzaken met symptomen variërend van diarree tot hemorragische colitis en het hemolytisch-uremisch syndroom (HUS).[1] STEC O157- en non-O157-infecties zijn meldingsplichtig onder de Wet publieke gezondheid (Wpg), vanwege de ernst van de ziekte, vooral bij kleine kinderen en ouderen, en het risico op grootschalige uitbraken. Aangezien niet alle Nederlandse laboratoria technieken gebruiken om STEC non-O157 te detecteren, is dit deel van de surveillance niet landelijk dekkend. In dit artikel presenteren we de resultaten van de surveillance voor het jaar 2014.

Methoden

Binnen de aangifte dient elke positieve bevinding van STEC (op basis van fecesonderzoek of serologie) door het laboratorium gemeld te worden aan de lokale GGD. Daarnaast worden de laboratoria gevraagd om mogelijk STEC positieve E. coli-kolonies op te sturen naar het RIVM. Op het RIVM worden alle ingestuurde STEC-isolaten met behulp van polymerase chain reaction (PCR) getest op de aanwezigheid van de belangrijkste virulentiegenen. Als er virulentiegenen aangetoond kunnen worden, wordt het isolaat vervolgens getypeerd met O- en H-serotypering. Tenslotte worden DNA-profielen van de STEC O157-isolaten gemaakt door middel van pulsed-field gel electroforese (PFGE) om zo stammen onderling met elkaar te kunnen vergelijken.

De GGD verzamelt de basisinformatie over het klinische beeld bij de patiënt en blootstelling aan bekende risicofactoren en geeft dit via Osiris, het officiële meldingsportaal, door aan het RIVM. Daarnaast wordt, waar mogelijk, een langere vragenlijst afgenomen waarin dieper ingegaan wordt op klinisch beeld, gebruik van de gezondheidszorg en risicofactoren. Bij een vermoeden van een bron uit levensmiddelen of door contact met landbouwhuisdieren wordt contact opgenomen met de NVWA voor monstername van levensmiddelen en/of bemonstering van dierlijke bronnen of omgeving voor onderzoek naar STEC, en typering van eventuele isolaten. Daarnaast onderzoekt de NVWA jaarlijks in het kader van diverse monitoringsprojecten, relevante producten op de aanwezigheid van STEC en typeert gevonden stammen waar mogelijk.

Zie voor een uitgebreidere beschrijving van de methode onze eerdere publicatie. (2).

Resultaten

Patiënten

In 2014 waren 898 patiënten via de aangifte en/of het insturen van een isolaat bij het RIVM bekend (Tabel 1; Figuur 1). Bij 281 patiënten kon de aanwezigheid van Shigatoxine(stx)genen in de ingestuurde isolaten bevestigd en getypeerd worden (79x O157 en 202x non-O157). Een vrouw van 62 jaar is overleden aan een STEC O181-infectie en een man van 70 jaar aan een STEC-infectie zonder verdere typering van de STEC. Tien patiënten kregen HUS, waarvan 7 kinderen (0-15 jaar) en 3 volwassenen (28, 61 en 86 jaar). Iets meer vrouwen dan mannen hadden een STEC-infectie. Patiënten met een STEC O157- (mediaan 28 jaar) en patiënten met een STEC non-O157-infectie (mediaan 30 jaar) waren jonger dan de patiënten met een niet getypeerde STEC-infectie (mediaan 42 jaar). Bijna de helft (43%) van de patiënten met een STEC O157-infectie werd in 2014 in het ziekenhuis opgenomen (1999-2013: 31-54%), ten opzichte van rond de 20% in de andere groepen. De piek van STEC-infecties is te zien in het derde kwartaal (juli-september). Dit is het sterkste voor STEC O157, maar ook zichtbaar bij de overige meldingen van STEC.


STEC-Jaaroverzicht figuur 1

Figuur 1 Aantal STEC-infecties gemeld over de jaren 2006-2014, onderverdeeld naar STEC O157, non-O157, naar RIVM ingestuurde isolaten die niet bevestigd konden worden, en geen stam ingestuurd naar het RIVM.


Mogelijke bronnen van infectie

In 4 gevallen werden voedselmonsters getest door de NVWA: een restant filet américain, een restant hamburger, kebab (geen restant) en rijst en sushi (beide geen restant). In de onderzochte monsters werd geen STEC aangetoond.

In 2014 onderzocht de NVWA iets meer dan 1700 (partijen van) diverse soorten vlees op aanwezigheid van STEC in 25 gram product. In 9% van alle partijen ‘exotisch vlees’ in de groothandel (kangoeroe, springbok en zebra) en in 3% van vers vlees en gehakt / vleesbereidingen in de supermarkt, werd STEC aangetroffen. Daarnaast onderzocht de NVWA (on)gesneden groenten uit de supermarkt (in 1 van de 164 monsters STEC gevonden), kruiden bij importeurs en in de groothandel (geen STEC gevonden in circa 40 partijen), en bij kiemgroenteproducenten (geen STEC gevonden in circa 40 partijen). Daarnaast werden ook varkensmestmonsters onderzocht op aanwezigheid van STEC, waarbij in 11 van de 50 geteste batches een STEC-isolaat werd gevonden. Uit een aantal partijen werden verschillende STEC-stammen geïsoleerd, waardoor het totaal aantal typeerbare STEC-isolaten in 2014 op 89 kwam:
14 isolaten bevatten alleen het stx1-gen, 56 isolaten alleen het stx2-gen en 19 isolaten bevatten beide. In 2014 werden 37 verschillende serotypes aangetroffen, waarbij O113 (n=12), O8 (n=9) en O174 (n=7) de meest gevonden serotypes waren.


STEC-Jaaroverzicht figuur 2

Figuur 2 Percentage STEC O157-patiënten per risicofactor per jaar (1999-2014), exclusief de STEC O157-patiënten van de uitbraken in 2005, 2007 en 2009


STEC O157

In 2014 werden 79 patiënten met een STEC O157-infectie gemeld, wat neerkomt op 0,47 per 100.000 inwoners. Dat is een daling na een jaarlijkse stijging sinds 2010, waarbij de incidentie van 2014 tussen die van 2011 en 2012 uitkomt. Twee kinderen (1 en 15 jaar) en een volwassene (28 jaar) kregen in 2014 HUS (4%, 10% gemiddeld over 1999-2013).

Een ingevulde vragenlijst was beschikbaar van 34 van de 79 patiënten (43%). Binnen deze groep had 15% rauwe melk(producten) geconsumeerd, wat een lichte stijging ten opzichte van voorgaande jaren was (2008-2013: 0-13%; Figuur 2). Consumptie van rauwkost (77%) is iets gedaald ten opzichte van 2013 (84%), maar nog iets hoger dan in 2008-2012 (67-75%). Consumptie van rauw vlees (29%), contact met dieren (9%) en contact met een andere zieke (3%) werden alle 3 minder vaak genoemd ten opzichte van voorgaande jaren.

Van alle 79 STEC O157-patiënten was het isolaat beschikbaar, 3 (4%) daarvan bevatten alleen het stx1-gen, 31 (39%) bevatten alleen het stx2-gen, en 45 isolaten bevatten beide genen (57%). Alle O157 isolaten bevatten het H7-gen, het E. coli attaching-and-effacing gen (eae) en het EHEC-hemolysine gen (e-hly). Vier isolaten (alle stx1 én stx2 positief) waren sorbitol positief. Met behulp van PFGE konden 11 clusters in 2014 onderscheiden worden, 10 clusters van
2 personen en 1 cluster van 4 personen. Bij het cluster van 4 personen was sprake van clustering in regio en tijd (13 dagen verschil in eerste ziektedag) voor 2 personen, 1 persoon clusterde alleen wat betreft regio en de vierde persoon liet geen clustering zien; de vragenlijsten leverden geen aanwijzing voor een gezamenlijke bron. Bij 2 van de 10 clusters van 2 personen had een van beide patiënten de infectie waarschijnlijk in het buitenland (Frankrijk en Turkije) opgelopen. Bij 4 clusters was een gemeenschappelijke bron niet aannemelijk door de spreiding in regio en in tijd (meer dan 2 weken tussen de eerste ziektedagen). Bij 1 cluster was er wel sprake van regionale clustering, maar lagen de eerste ziektedagen ongeveer 2 maanden uit elkaar en in de vragenlijsten werden geen verdere overeenkomsten gevonden. Bij de laatste 3 clusters was er een sterke clustering in tijd (1 dag verschil), in een daarvan ging het om 2 kinderen uit 1 gezin waarbij de bron onbekend was; de patiënten van de andere 2 clusters woonden niet bij elkaar in de buurt, verdere informatie over een mogelijke bron was niet beschikbaar.


Tabel 1 Kenmerken van STEC-infecties gemeld in 2014

STEC-Jaaroverzicht tabel 1

STEC non-O157

Er werden in totaal 202 patiënten gemeld waarbij een STEC non-O157-infectie bevestigd kon worden. Omdat niet alle laboratoria testmethodes gebruiken waarmee alle STEC-typen gedetecteerd kunnen worden, kon de incidentie niet rechtstreeks berekend worden. Twintig van de 43 in 2014 insturende laboratoria (47%) gebruikten een methode waarmee alle STEC-typen gedetecteerd kunnen worden. Deze laboratoria waren verantwoordelijk voor 70% van de bevestigde STEC O157-meldingen. De verhouding O157:non-O157 binnen deze laboratoria was 1:3,7. Omgerekend naar heel Nederland zou dit voor 2014 uitkomen op ongeveer 290 STEC non-O157-infecties, wat correspondeert met een incidentie van 1,7 patiënten per 100.000 inwoners. De verhouding lag in 2008-2013 tussen 1:2,3 en 1:4,2. De incidentie van STEC non-O157 was iets lager dan in 2013 (2,3 patiënten per 100.000) en vergelijkbaar met 2012 (1,6 patiënten per 100.000 inwoners).

Negenenveertig van de 202 patiënten (24%) hadden een vragenlijst ingevuld. Van deze groep had 53% rauwkost gegeten wat lager is dan in voorgaande jaren (2008-2013: 67-85%). Consumptie van rauw vlees (43%) fluctueerde sterk tussen de jaren (2008-2013: 35-62%). Contact met dieren steeg in 2014 (27%) ten opzichte van de periode 2009-2013 (9-22%), maar lag daarmee nog onder het percentage van 2008 (48%). Consumptie van rauwe melk(producten) en contact met een andere zieke fluctueerde sterk tussen de jaren met respectievelijk 8% in 2014 en 6-31% in 2008-2013, en 16% in 2014 en 6-22% in 2008-2013.

Van de 202 STEC non-O157-isolaten bevatten 87 (43%) isolaten alleen het stx1-gen, 75 (37%) isolaten alleen het stx2-gen (waarvan 22 (11%) het stx2f-gen) en 40 (20%) isolaten bevatten beide genen. In totaal 56 (28%) isolaten hadden het eae- en het e-hly-gen, 24 (12%) isolaten hadden alleen het eae-gen, 72 (36%) isolaten alleen het e-hly-gen en 50 (25%) isolaten geen van beide genen. Van de 202 STEC non-O157 isolaten was 25 keer de O-groep niet typeerbaar. Bij de overige 177 isolaten werden 46 verschillende O-groepen gevonden. De 3 meest gevonden O-groepen in 2014 waren O26 (n=21), O91 (n=18) en O146 (n=15). Over de gehele periode 2007-2014 waren O26 (n=126), O91 (n=103), O63 (n=81), O103 (n=64) en O146 (n=53) de 5 meest gevonden O-groepen. Eén 14-jarige jongen kreeg HUS in 2014, veroorzaakt door een infectie met STEC O26.

Discussie

Het aantal gemelde STEC-infecties is in 2014 voor het eerst iets gedaald. Vooral het aantal stammen dat niet bevestigd kon worden op het RIVM is sterk gedaald. Na een periode van lichte stijging van het aantal STEC O157-infecties tot 90 meldingen in 2013, ligt het aantal in 2014 (n=79) tussen het aantal van 2011 (n=70) en van 2012 (n=85). Dit is wel nog hoger dan de 32-57 meldingen in de periode 1999-2010 (met een uitschieter naar 83 meldingen door een landelijke uitbraak in 2007). Het totaal aantal meldingen is iets gedaald maar nog steeds hoog. Op lokaal of regionaal niveau worden pragmatische keuzes gemaakt welke STEC-positieve PCR-resultaten wel en welke niet relevant zijn. Dit uit zich in meldingen met alleen basisgegevens over de patiënt en bijvoorbeeld geen informatie over symptomen en risicofactoren, en meldingen zonder dat een isolaat naar het RIVM voor typering werd gestuurd. In 2013-2014 is in  2 regio’s onderzoek gedaan naar alle STEC-gevallen die binnen de huidige meldingscriteria vallen. (3) Het project bestond uit een laboratoriumdiagnostiekdeel en een GGD-deel, en had als doel om een wetenschappelijk onderbouwd laboratoriumalgoritme en richtlijnen voor meldingsplicht en bron- en contactonderzoek op te stellen. In het najaar van 2015 zijn hierover voorstellen opgesteld die in verschillende gremia worden besproken.

In de periode 2010-2012 liep in Nederland een patiënt-controleonderzoek waarbij ontlasting van patiënten met gastro-enteritis die naar de huisarts waren gegaan en van gezonde controlepersonen werd onderzocht. (4) De ontlasting werd met real time PCR onderzocht op de meest voorkomende bacteriële en parasitaire ziekteverwekkers van gastro-enteritis. Er werd ook op STEC getest. Opvallend was dat STEC vaker werd aangetoond bij de gezonde controlepersonen (22/1195; 1,8%) dan bij de patiënten met gastro-enteritis (15/1515; 1,0%). Dit kan worden verklaard door het feit dat STEC niet altijd leidt tot symptomatische infectie. STEC O157 is algemeen geaccepteerd als een ziekteverwekker die ernstige ziekte kan veroorzaken. (5) Dit is ook binnen de surveillance zichtbaar met het hoogste percentage ziekenhuisopnames en HUS bij STEC O157-infecties in vergelijking met de STEC non-O157-infecties en niet-getypeerde STEC-infecties. STEC non-O157 is een brede groep van verschillende O-types. De potentie om ernstige ziekte te veroorzaken varieert binnen deze groep sterk. In Nederland zijn STEC O26-infecties de meest voorkomende binnen de STEC non-O157-groep. Dit serotype kan ernstige ziekte, inclusief HUS, veroorzaken. (5-9) Van de in 2014 meest voorkomende serotypes in STEC non-O157-infecties, O26, O91 en O146, werden respectievelijk maar 1, 2, en 1 isolaten gevonden in voedsel. Daarnaast, werden de door de NVWA meest gevonden serotypes, O113, O8 en O174, ieder aangetoond bij 4 tot 7 patiënten in 2014. Opmerkelijk is dat de NVWA in de onderzochte monsters geen O157-isolaten vond. Deze vergelijking laat zien dat mogelijke bronnen voor STEC-infecties verder onderzocht moeten worden, waarbij ook een uitgebreide vergelijking van isolaten die gevonden worden in infecties en in voedsel en/of omgevingsmonster (zoals mest) moet worden meegenomen.

De conclusie is dat de meeste STEC non-O157-infecties in Nederland klinisch beduidend minder ernstig verlopen, maar wel veel vaker voorkomen dan STEC O157-infecties. Na een aantal jaren van een stijgend aantal STEC-meldingen in Nederland is dit in 2014 iets gedaald. De meest getypeerde STEC non-O157-infecties in 2014 waren STEC O26, O91 en O146.

Wij bedanken alle GGD'en en medisch microbiologische laboratoria hartelijk voor hun medewerking bij het verzamelen van de patiëntgegevens en het insturen van isolaten. Ook bedanken we de medewerkers van de NVWA voor het bemonsteren van en onderzoek naar landbouwhuisdieren en (verdacht) voedsel.

Auteurs

I.H.M. Friesema1, S. Kuiling1, E.G. Biesta-Peters2,
M. van der Voort
2, M.E.O.C. Heck1, W. van Pelt1

1. Centrum Infectieziektebestrijding, RIVM, Bilthoven
2. Laboratorium Voeder- en Voedselveiligheid, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, Wageningen

Correspondentie

ingrid.friesema@rivm.nl

Literatuur

  1. Smith JL, Fratamico PM, Gunther NW. Shiga Toxin-Producing Escherichia coli. Adv Appl Microbiol. 2014;86:145-97.
  2. Friesema IHM, de Jager CM, Heuvelink AE, Van der Zwaluw WK, Kuiling S, Zwartkruis JTM, et al. Intensieve surveillance van STEC in Nederland, 2010. Infectieziekten Bulletin. 2011;22:370-4.
  3. Kooistra-Smid AMD, de Boer RF, Croughs PD, Friesema IHM, Notermans DW, Wolters B, et al. Nieuw onderzoek naar diagnostiek van STEC en HUSEC: STEC-ID-net. Ned Tijdschr Med Microbiol. 2013;21:70-3.
  4. Bruijnesteijn van Coppenraet LE, Dullaert-de Boer M, Ruijs GJ, van der Reijden WA, van der Zanden AG, Weel JF, et al. Case-control comparison of bacterial and protozoan microorganisms associated with gastroenteritis: application of molecular detection. Clin Microbiol Infect. 2015;21:592 e9- e19.
  5. Caprioli A, Scavia G, Morabito S. Public Health Microbiology of Shiga Toxin-Producing Escherichia coli. Microbiol Spectr. 2014;2:EHEC-0014-2013.
  6. Bonnet R, Souweine B, Gauthier G, Rich C, Livrelli V, Sirot J, et al. Non-O157: H7 Stx2-producing Escherichia coli strains associated with sporadic cases of hemolytic-uremic syndrome in adults. J Clin Microbiol. 1998;36:1777-80.
  7. Gould LH, Mody RK, Ong KL, Clogher P, Cronquist AB, Garman KN, et al. Increased Recognition of Non-O157 Shiga Toxin-Producing Escherichia coli Infections in the United States During 2000-2010: Epidemiologic Features and Comparison with E. coli O157 Infections. Foodborne Pathog Dis. 2013;10:453-60.
  8. Bielaszewska M, Mellmann A, Bletz S, Zhang W, Kock R, Kossow A, et al. Enterohemorrhagic Escherichia coli O26:H11/H- : A New Virulent Clone Emerges in Europe. Clin Infect Dis. 2013;56:1373-81.
  9. Käppeli U, Hächler H, Giezendanner N, Beutin L, Stephan R. Human infections with non-o157 Shiga toxin-producing Escherichia coli, Switzerland, 2000-2009. Emerg Infect Dis. 2011;17:180-5.

 

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / Januari 2016 / Surveillance van Shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) in Nederland, 2014

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu