RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder hiv, in Nederland in 2014

Het RIVM presenteert jaarlijks de trends in seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) in Nederland in een soa/hiv jaarrapport.(1) De resultaten zijn vooral gebaseerd op data van de Centra Seksuele Gezondheid (CSG), waar mensen behorend tot een hoogrisicogroep zich gratis kunnen laten testen. Het jaarrapport beschrijft naast data van de CSG ook data van huisartsen (NIVEL Zorgregistraties eerste lijn). Evenals voorgaande jaren blijkt dat ongeveer tweederde van de soadiagnostiek door de huisarts wordt gedaan en ongeveer eenderde door de CSG. De belangrijkste bevindingen uit het jaarrapport van 2014 worden in dit artikel samengevat.

Soaconsulten

In 2014 werden in totaal 141.191 soaconsulten uitgevoerd bij de CSG, een stijging van 6% ten opzichte van 2013. Het percentage consulten waarbij één of meerdere soa's werden gediagnosticeerd (chlamydia, gonorroe, infectieuze syfilis, hepatitis B en/of hiv) is ook gestegen van 14,7% in 2013 naar 15,5 % in 2014 (Figuur 1). Bij de CSG kunnen alleen mensen terecht die tot de hoogrisicogroepen behoren en in de reguliere zorg onvoldoende bereikt worden. Om doelgroepen met risicogedrag te selecteren passen de CSG een landelijk afgestemd triagesysteem toe, waarbij hoogrisicogroepen gratis op soa’s worden getest. Tot deze hoogrisicogroepen behoren onder andere mannen die seks hebben met mannen (MSM) (21% van de consulten in 2014), mensen afkomstig uit soa/hivendemische gebieden (24% van de consulten in 2014) en jongeren tot 25 jaar (49% van de consulten in 2014). Jongeren tot 25 jaar zonder andere risicofactor worden in eerste instantie alleen getest op chlamydia. Bij een positieve chlamydiatest wordt verder getest op gonorroe, syfilis en hiv. Bij de andere risicogroepen wordt standaard getest op chlamydia-infectie, gonorroe, syfilis en hiv. De overige soa’s (hepatitis B, hepatitis C, genitale wratten, genitale herpes, trichomonas en Lymphogranuloma venereum (LGV)) worden alleen op indicatie getest.


Jaaroverzicht Figuur 1 Totaal aantal soatesten en percentage positieve soatesten bij heteroseksuele mannen, MSM en vrouwen bij de CSG, 2004-2014

Figuur 1 Totaal aantal soatesten en percentage positieve soatesten bij heteroseksuele mannen, MSM en vrouwen bij de CSG, 2004-2014


De meeste soaconsulten worden verricht door de huisarts, met naar schatting 290.000 soagerelateerde episodes in 2013. Dit is net als bij de CSG een stijgende trend; in 2009 waren er naar schatting 240.000 soagerelateerde episodes bij de huisarts (Figuur 2).

Chlamydia

In 2014 was chlamydia opnieuw de meest gediagnosticeerde bacteriële soa bij de CSG met 17.753 gerapporteerde diagnoses. Het vindpercentage (het percentage chamydiapositieve testen) steeg van 11,8% in 2013 naar 12,6% in 2014. De hoogste vindpercentages werden gezien onder vrouwen en heteroseksuele mannen (respectievelijk 12,9% en 13,9%) ( Figuur 3). De meeste chlamydia-infecties werden bij jongeren onder de 25 jaar gediagnosticeerd (59% van het totaal). Het aantal chlamydiadiagnoses bij huisartsen werd in 2013 geschat op 38.000.

LGV, een agressieve variant van anale chlamydia die vooral bij met hiv geïnfecteerde MSM voorkomt, is in 2014 licht toegenomen: het vindpercentage onder degenen die werden getest (MSM met anorectale chlamydia) was 7,4% vergeleken met 6,7% in 2013.


Jaaroverzicht Figuur 2

Figuur 2 Geschatte aantal episodes geregistreerd als ‘angst voor soa/hiv’ en aantal geregistreerde positieve soadiagnoses door de huisarts, gebaseerd op een extrapolatie van huisartspraktijken in het surveillancenetwerk van huisartsen (NIVEL-Zorgregistratie) in Nederland, 2009-2013


Gonorroe

In 2014 was 3,6% van de gonorroetesten die werden uitgevoerd bij de CSG positief, met in totaal 4.594 gonorroediagnoses. Dit vindpercentage is sinds 2012 stabiel. Gonorroe werd vooral gediagnosticeerd bij MSM: 9,5% testte positief (9,3% in 2013), vergeleken met 1,9% bij heteroseksuele mannen (1,7% in 2013) en 1,8% bij vrouwen (1,8% in 2013) (Figuur 3). Het geschatte aantal gonorroe-episodes bij de huisarts is in de afgelopen jaren toegenomen, van 4.900 episodes in 2009 naar 8.300 episodes in 2013. Tot nu toe is er in Nederland nog geen resistentie gerapporteerd voor ceftriaxon, het huidige eerstekeuzeantibioticum voor de behandeling van gonorroe. Monitoring van antibioticaresistentie bij gonorroe blijft van belang, zeker gezien de gerapporteerde resistentie tegen derdegeneratiecefalosporines in Europa.

Syfilis

In totaal werden er 742 infectieuze syfilisdiagnoses gesteld bij de CSG in 2014, waarvan 93% bij MSM. Na een jarenlange daling van het vindpercentage voor infectieuze syfilis bij MSM bij de CSG (tot 2,0% in 2011) lijkt een lichte stijging te zijn ingezet: in 2014 was het vindpercentage 2,3% (Figuur 3). Deze lichte stijging komt voornamelijk door een toename bij hivpositieve MSM: van 4,5% in 2011 naar 6,6% in 2014. Van alle MSM met syfilis was 41% bekend hivpositief.

Hiv

Bij de CSG werden 323 nieuwe hivdiagnoses vastgesteld in 2014. Het hivvindpercentage bij MSM neemt sinds 2008 af: van 3,0% in 2008 naar 1,1% in 2014. Bij heteroseksuele mannen en vrouwen bleef het vindpercentage lager dan 0,1% (Figuur 3). Bij 24% van de nieuw gediagnosticeerde hivpositieve MSM die de CSG bezochten werd in hetzelfde consult ook een chlamydia-infectie gevonden, bij 20% een gonorroe-infectie en bij 7% een syfilisinfectie.

In 2014 werden 1.076 nieuwe aanmeldingen van mensen die voor een hivinfectie behandeld worden (in zorg geregistreerd), gerapporteerd in de nationale hivregistratie bij de Stichting HIV Monitoring, waarvan er 719 ook gediagnosticeerd waren in 2014 (nog onvolledig door rapportagevertraging). Ten opzichte van 2013 is dit een daling met ruim 100 gevallen. Eind 2014 waren in totaal 22.948 mensen met hiv in Nederland geregistreerd. Van de in 2014 nieuw geregistreerde hivpatiënten was 68% MSM en 25% heteroseksueel.

Het grootste deel van de hivpositieve MSM geregistreerd in zorg werd gediagnosticeerd bij een CSG (42%), verder vooral bij de huisarts (31%) en minder in het ziekenhuis (19%). Hivpositieve vrouwen en heteroseksuele mannen geregistreerd in zorg werden vaker in een ziekenhuis gediagnosticeerd (49%) dan bij de huisarts (32%) of bij een CSG (7%).

Het percentage MSM met hiv dat laat in zorg kwam (<350 CD4-cellen/mm3) is tussen 2012 en 2014 gedaald van 35% naar 29%. Bij vrouwen bleef dit percentage in die periode min of meer gelijk (van 54% naar 52%), maar bij heteroseksuele mannen steeg dit percentage van 55% in 2012 naar 78% in 2014.

Het jaarlijkse aantal aidsdiagnoses is de laatste jaren gedaald van 358 in 2005 naar 216 in 2013. In 2014 waren dit er tot nu toe 134 (nog onvolledig door rapportagevertraging).


Jaaroverzicht Figuur 3

Figuur 3 Totaal aantal testen en percentage positieve testen bij heteroseksuele mannen, MSM en vrouwen voor chlamydia, gonorroe, syfilis en hiv bij de CSG in 2014


Hepatitis B en C

Bij de CSG werden 143 infectieuze hepatitis B-diagnoses gesteld (acuut en chronisch) in 2014, in 2013 waren dit er nog 172. In het kader van de aangifteplicht, waarin meldingen zitten van de CSG maar ook van andere bronnen, werden 126 meldingen van acute hepatitis B gedaan in 2014; een afname van 13% vergeleken met 2013 (144 meldingen).

Bij de CSG werden 997 hepatitis C-testen afgenomen in 2014; een afname van 67% ten opzichte van 2013 (2.990 testen). Deze afname wordt vooral veroorzaakt doordat de meeste CSG grotendeels gestopt zijn met het testen op hepatitis C bij bekend hivpositieve MSM. In 2014 werden bij de CSG 19 infectieuze hepatitis C-diagnoses gesteld (allen bij MSM). Het aantal gerapporteerde acute hepatitis C-infecties in de aangiftecijfers daalde met 20%, van 62 in 2013 naar 50 in 2014.

Genitale wratten en genitale herpes

Het aantal diagnoses van genitale wratten bij de CSG bleef ongeveer stabiel met 2.029 diagnoses in 2014. Het aantal diagnoses van genitale herpes nam vanaf 2013 met 21% af tot 479 in 2014. Hierbij moet worden opgemerkt dat onderzoek naar genitale wratten en genitale herpes alleen op indicatie gebeurt, waardoor het aantal diagnoses niet vergelijkbaar is met die van bacteriële soa en hiv, waarop routinematig getest wordt. Het merendeel van de diagnoses voor genitale wratten en genitale herpes wordt gesteld bij de huisarts: hier waren naar schatting 36.500 diagnoses voor genitale wratten en 22.400 diagnoses voor genitale herpes in 2013.

Conclusie

Het aantal soaconsulten bij de CSG nam in 2014 weer toe, evenals het percentage CSG-consulten waarbij één of meerdere soa’s werden gediagnosticeerd. De meeste soa’s werden gediagnosticeerd bij de huisarts, waar ook een stijgende trend te zien is. Een intensieve soasurveillance blijft essentieel om zicht te houden op opkomende soa's, uitbraken en trends. De bestrijding zou daarnaast ondersteund kunnen worden door bijvoorbeeld het verder faciliteren van toegankelijke soazorg, ook buiten de CSG (bijvoorbeeld door het bevorderen van soatestaanvragen via internet en/of door het opnemen van soatesten bij de huisarts in de basisverzekering); het systematisch kweken van gonorroe bij mensen in hoogrisicogroepen om zicht te houden op de ontwikkeling van resistente stammen; en gerichte interventies tot het verminderen van stigma rondom soa en hiv en het opsporen van ongediagnosticeerde hivinfecties.

Auteurs

A.A.M. van Oeffelen, F. van Aar, I.V.F. van den Broek, E.L.M. Op de Coul, P.J. Woestenberg, J.C.M. Heijne, C. den Daas, S.H.I. Hofstraat, B.H.B. van Benthem, Centrum Infectieziektebestrijding, RIVM, Bilthoven

Correspondentie

louise.van.oeffelen@rivm.nl

Literatuur

1. Van Oeffelen AAM, van Aar F, van den Broek IVF et al. Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2014. Bilthoven: RIVM-rapport nummer 2015-0041. 2015.

 

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / September 2015 / Seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder hiv, in Nederland in 2014

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu