RIVM_Logo

Interview Marijke Bilkert-Mooiman

‘De Inspectie moet prikkelend blijven’ Marijke Bilkert neemt eind 2015 afscheid als inspecteur van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Daarmee beëindigt ze haar lange loopbaan in de preventie en bestrijding van infectieziekten en zorginfecties, waarvan 30 jaar bij de IGZ. Op 10 september wordt ter gelegenheid van haar afscheid een symposium georganiseerd. In dit interview blikt Marijke terug op haar loopbaan en de ontwikkelingen in het vak. ‘Niemand had een leukere baan dan ik.'

Hoe het begon

Marijke Bilkert begon haar loopbaan op het medisch microbiologisch laboratorium van het toenmalige Dijkzigt Ziekenhuis. Voor infectiepreventie was toen niet altijd aandacht in de ziekenhuizen. Dat veranderde toen eind jaren ’70 infectiepreventie in de verpleegkosten werd opgenomen. Marijke werd ziekenhuishygiënist. Ook toen al speelde de problematiek van zorginfecties en antibioticumresistentie, bijvoorbeeld bij de Klebsiella’s en Staphylococcen aureus, zij het in andere mate dan nu.


Foto Marijke Bilkert-Mooiman


 

Overstap naar Inspectie

In 1985 maakt Marijke de overstap van het ziekenhuis naar de Geneeskundige Hoofd Inspectie (GHI), die onder het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) Zoetermeer gevestigd was. Niet direct een flitsende plek om te werken. ‘Ik kwam binnen op een stoffig kantoor waar nog stevig gerookt werd. Overigens deed ik daar ook aan mee. Henk Bijkerk was toen inspecteur voor infectieziekten. Zowel hij als andere collega’s hadden banden met het voormalig Nederlands-Indië. De vraag of ik Indische koekjes lustte, leek doorslaggevend in het sollicitatiegesprek.’

Bij de GHI begon Marijke als epidemiologisch medewerker. De rol van de inspectie was toen meer uitvoerend dan toezichthoudend. Alle vragen en meldingen kwamen binnen bij de inspectie. ‘Op wit-groene kaarten kwamen de aangiften van infectieziekten per post naar ons toe’, herinnert Marijke zich. ‘En die gingen dan eerst naar de regionale inspectie, dus je kunt je voorstellen wat een vertraging dat allemaal veroorzaakte. Als bronopsporing en contactonderzoek nodig was, belden wij de regionale inspectie met het verzoek om de betreffende GGD aan te sporen om onderzoek in te zetten.’

Omslag door polio-uitbraak

De polio-uitbraak in 1992-1993 zorgde voor een omslag in de positie en taken van de Inspectie. ‘Polio veroorzaakte grote beroering in Nederland’ zegt Marijke. ‘Ik herinner me nog dat de eerste melding kwam op de dag van het inspectie-uitje naar de Commissaris van de Koningin’. De eerste bevestigde melding leidde tot veel vragen en maatschappelijke onrust. Er werd een grote vaccinatiecampagne georganiseerd. ‘Ik zat in een kamer 'opgesloten' om alle vragen van medische professionals op te vangen. Telefoontjes van burgers werden door de afdeling voorlichting beantwoord. De uitbraak van polio drukte ons met de neus op de feiten dat we nog niet van infectieziekten af waren’ zegt Marijke. Door antibiotica en vaccinaties was het gevoel ontstaan dat infectieziekten onder controle waren. Ook was er veel verbeterd in de preventie van infectieziekten door maatregelen te nemen voor veilig water, voedsel, afval, huisvesting. Kortom, er was tot op het moment van de polio-uitbraak geen noodzaak voor een organisatiestructuur om infectieziekten te bestrijden.

Uit de evaluatie van de polio-uitbraak bleek de behoefte aan goede richtlijnen en aan meer kennis over infectieziektebestrijding bij de GGD. Ook was het niet logisch dat de inspectie zowel toezichthouder als uitvoerder was, en de leiding had in de bestrijding. Toen is besloten tot oprichting van de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI). ‘En die begonnen bij ons op de gang!’ Daaruit is veel goeds gekomen vindt Marijke. ‘Het heeft een mooie plek gekregen. De uitbraken in het recente verleden hebben het nut van de LCI en het latere Centrum Infectieziektebestrijding bevestigd.’

Wetgeving over volksgezondheid

Toezicht houden op de infectieziektebestrijding was nieuw voor de inspectie, en bestond in die jaren meer uit adviseren en stimuleren dan echt handhaven. Marijke: ‘Vergeet niet, er waren naast de inspecteur, maar 2 epidemiologisch medewerkers en 3 administratieve ondersteuners. En er waren nog maar weinig volksgezondheidswetten waarop we konden toezien. Pas in de Kwaliteitswet zorginstelling uit 1996 werd vastgesteld dat “er veilige en doelmatige en toegankelijke zorg verleend moet worden op basis van professionele standaarden". Dit gaf de inspectie de benodigde ‘munitie’ om toezicht te kunnen houden, gaf de rechtvaardiging om naar ziekenhuizen, verpleeghuizen en GGD’en te gaan. Er waren meetlatten gekomen om aan te toetsen. Toen is mijn taak ook verschoven naar ziekenhuizen en verpleeghuizen. Want met die kwaliteitswet konden wij tegen instellingen zeggen dat zij zorg moesten leveren op basis van de kwaliteitswet en zich houden aan de professionele standaarden, namelijk de WIP-richtlijnen (Werkgroep Infectiepreventie) .’

Aanvankelijk bracht de IGZ rapporten uit met niet bindende adviezen aan instellingen. Dat is veranderd. De wet biedt nu de mogelijkheid om niet alleen bezoeken te brengen en te adviseren, maar ook maatregelen op te leggen. Toch is terughoudendheid daarin belangrijk. Marijke: ‘Ik denk dat zware maatregelen alleen in uiterste geval ingezet moeten worden maar voor ‘onwilligen’ is het goed om strakker in de leer te kunnen zijn.‘

Preventie gaat voor bestrijding

Preventie moet meer aandacht krijgen, is de stellige mening van Marijke. ‘Nu is preventie nog een ondergeschoven kindje in de publieke gezondheid. Als we bestrijding en preventie samenbrengen, dan kun je in rustiger tijden inzetten op preventie en in tijden van crisis de deskundigheid vanuit preventie inzetten in de bestrijding. In zorginstellingen is preventie en bestrijding wel gekoppeld. Ik zou het belangrijk en goed vinden als dat in de publieke sector ook zou gebeuren. De IGZ heeft geprobeerd preventie voor de publieke gezondheid een wettelijke basis te geven. Dat is gelukt voor kinderdagverblijven en tatoo/piercingshops, maar het is jammer dat binnen GGD’en preventie en bestrijding vaak door verschillende afdelingen wordt gedaan. Dat moet in de toekomst beter. ‘

De tuin op orde

Jan van Wijngaarden sprak in het jubileumnummer van het Infectieziekten Bulletin (1) over ‘de tuin op orde houden’ als het gaat om de maat voor infectieziektebestrijding in Nederland. De echte problematiek speelt in zijn ogen buiten de grenzen. Marijke beaamt: ‘Dat is ook zo. Wij kunnen het op orde houden. Niet alleen omdat wij deskundigen bij GGD’en hebben. Ook door onze infrastructuur van water, afval, voedsel, vaccinatiebeleid. Daar zorgen we dat er geen rare reservoirs komen. Maar de tuin moet wel aangeharkt blijven’. Ebola en MERS zullen geen grote bedreiging voor ons vormen is de inschatting van Marijke maar, zegt ze erbij, ‘we moeten blijven opletten dat we geen gevaren terugbrengen in de samenleving.’

Gedrevenheid

Uit de manier waarop Marijke over haar werk praat spreekt gedrevenheid. Geen droge inspectie of de regels wel gevolgd worden, maar met veel inzet en betrokkenheid werken aan de verbetering van de infectieziektebestrijding in Nederland. Wat heeft die gedrevenheid opgeleverd?

‘Ik denk dat we het meest hebben bereikt door signalen over problemen in de zorg te analyseren en daarop vervolgens toezicht te houden. Dat heeft bij voorbeeld tot grote verbeteringen geleid in het reinigen en desinfecteren van flexibele scopen en het actueel houden van het search-and-destroybeleid voor MRSA. We hebben indertijd een chirurg gehad die hepatitis B verspreidde. De chirurg had zich wel laten vaccineren, maar was al heptatitis B-drager. Met name medisch specialisten wilden zich niet vaccineren tegen hepatitis B. Maar als je hen daarin prikkelde en vroeg: "Als je weet dat je je patiënten kunt beschermen door jezelf te vaccineren, je het toch niet doet en daardoor patiënten besmet met hepatitis B, hoe kun je dat dan verantwoorden? Stel dat het jou overkomt?", dan kregen we toch iedereen over de streep om zich te laten vaccineren.’

Blijf vernieuwen

‘Mijn opvolgers moeten blijven vernieuwen in de vormen van toezicht. Blijf op een creatieve manier denken en ga door met het uitproberen van nieuwe manieren om mensen in het veld te prikkelen om aan preventie van infectieziekten en zorginfecties te gaan doen. Dan hoeven we niet te veel in te grijpen en kunnen we gedrag stimuleren. Want de basis van preventie is gedrag, zowel in de publieke sector als in zorginstellingen.’

Belangrijk is ook de relatie tussen medische technologie en infectiepreventie. ‘Technologie is mooi, maar vaak kwetsbaar op het punt van infectiepreventie en het veilig toepassen. Zie het voorbeeld van de flexibele scopen hierboven. Ziekenhuizen zijn hierin kwetsbaar.'

Tenslotte: ‘Ik heb met ontzettend veel plezier in het brede scala van bestrijding en preventie van infectieziekten en zorginfecties gewerkt en veel leuke dingen meegemaakt. Niemand heeft een leukere baan gehad dan ik, met veel nieuwe ontwikkelingen. Ik kwam uit de ziekenhuiswereld en zorginfecties en daar ben ik toen ook weer naar terug gegaan. De laatste jaren heb ik veel projecten gedaan over de preventie van zorginfecties in verpleeghuizen en ziekenhuizen. Het was leuk om daarin collega’s te ondersteunen in het op de kaart krijgen van infectiepreventie.’

Toekomstplannen?

'Ik wil weer gaan schilderen, dat is een ontspannende bezigheid. En ik ben bestuurslid van een sportschietvereniging. Er is daar veel te doen en dat wil ik graag meer oppakken. En meer tijd voor vrienden.'

 

L. van Dooren, eindredacteur Infectieziekten Bulletin

1. Jubileumnummer Infectieziekten Bulletin, jaargang 26(4), 2015

 

IB cover

Download

Gerelateerde onderwerpen

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / September 2015 / Interview Marijke Bilkert-Mooiman

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu