RIVM_Logo

Leidinggeven aan de bestrijding van een dreigende infectieziekte uit groep A

In de Wet publieke gezondheid is opgenomen dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) leiding geeft aan de bestrijding van een uitbraak van een infectieziekte uit groep A, zoals ebola. Het gaat om bijzondere situaties waarin niet alleen een ernstige infectieziekte moet worden bestreden, maar mogelijk ook sprake is van grote ongerustheid in de samenleving en in extreme situaties zelfs verstoring van de openbare orde en veiligheid. De minister van VWS heeft leiding gegeven aan de voorbereidingen op een eventuele introductie van ebola in Nederland.

Vanaf het begin van de uitbraak heeft het ministerie van VWS de ontwikkelingen rond ebola in West-Afrika gevolgd en heeft het RIVM steeds de consequenties voor Nederland beoordeeld. Vanaf half augustus 2014 nam de werkdruk zowel bij het RIVM als bij het beleidsdepartement sterk toe. De ongerustheid bij onder andere media, Tweede Kamer en andere departementen nam toe, waardoor er veel vragen waren over de hulp aan West-Afrika en de voorbereidingen om een uitbraak in Nederland te voorkomen. Half september 2014 besloot het ministerie om gebruik te maken van de crisisorganisatiestructuur om de werkzaamheden binnen het ministerie en de afstemming met andere departementen beter te kunnen organiseren. Dat betekende dat er wekelijks een operationeel team en een beleidsteam bij elkaar kwamen waarin alle betrokken directies waren vertegenwoordigd, dat er wekelijks een situatierapport werd opgesteld voor de betrokken departementen en dat het crisisteam de minister bijna dagelijks informeerde over de ontwikkelingen.

Hulp aan West-Afrika

De belangrijkste uitdaging in de zomer van 2014 was het op gang krijgen van goede hulpverlening aan de door ebola getroffen landen. De World Health Organization (WHO) had de uitbraak in Sierra Leone, Liberia en Guinee uitgeroepen tot public health emergency of international concern. De coördinatie van de hulpverlening door de WHO verliep echter nog moeizaam en het was nog onduidelijke welke concrete bijdrage Nederland kon leveren aan de getroffen landen. Vragen over hulp aan de bevolking en het plaatselijke zorgsysteem moesten worden afgestemd op dilemma’s rond exit screening, entry screening en repatriëring. Tegelijkertijd moesten de activiteiten van de Europese Unie, de Verenigde Staten en de Verenigde Naties op elkaar worden afgestemd en op de coördinatie van de WHO. In Nederland probeerde het ministerie van VWS in eerste instantie alle vragen over hulp aan Afrika en benodigde voorbereidingen van Nederland ook met alle departementen te coördineren. De tweede helft van september splitste de Rijksoverheid de taken duidelijker in tweeën.

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) nam het voortouw bij de hulp aan Afrika, terwijl de minister van VWS het voortouw hield bij de voorbereiding van Nederland. Voor de hulp aan Afrika werd een Bewindsliedenoverleg (BWO) ingesteld en een taakgroep, met vertegenwoordigers van het ministerie van Buitenlandse Zaken (inclusief BHOS), Defensie, ministerie van VWS en het Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum. De minister voor BHOS benoemde een ebolagezant, Hans Dokter, om de activiteiten van Nederland in de regio te coördineren en af te stemmen op de maatregelen van andere landen en internationale organisaties. Het ministerie van VWS richtte zich in deze taakgroep op de inzet van de Nederlandse zorgsector bij hulp aan de door ebola getroffen landen: hulp bij de werving van zorgmedewerkers, het beschikbaar stellen van zorgmiddelen zoals ambulances en persoonlijke beschermingsmiddelen, en de beoordeling van (Nederlandse) initiatieven om vaccins en medicijnen te ontwikkelen. Ook had het ministerie van VWS de coördinatie bij de beoordeling van verzoeken om internationale hulpverleners met ebola op te vangen in het Calamiteitenhospitaal in Utrecht.

Zorg in Nederland

Hoewel de dreiging van een uitbraak van ebola in Nederland als klein werd ingeschat, is steeds voor ogen gehouden dat de introductie van een enkel geval van ebola mogelijk was en dat de Nederlandse zorgsector daarop voorbereid moest zijn. De belangrijkste bijdrage daarvoor waren de specifieke ebolarichtlijnen die de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM daarvoor heeft opgesteld, onder andere voor herkenning, bescherming, vervoer en afvalverwerking bij ziekenhuizen, ambulances en huisartsen(posten). De diagnose van patiënten is belegd bij de academische ziekenhuizen, waarbij de samenwerkende academische ziekenhuizen hebben afgesproken de langdurige opvang te centraliseren op 3 locaties. Daarvoor moesten vervolgens ook aanvullende afspraken gemaakt worden met de ambulancezorg. De Inspectie voor de Gezondheidszorg voerde gelijktijdig een spoedonderzoek uit naar de voorbereiding van de academische centra. De afspraken en richtlijnen hebben goed gewerkt bij de verdenkingen die er in Nederland zijn geweest.

Een bijzondere situatie was de voorbereiding in Caribisch Nederland. Omdat Bonaire, Saba en Sint Eustatius bijzondere gemeenten van Nederland zijn, geldt ook daar de leiding van de minister van VWS voor A-infectieziekten. De mogelijkheden om zorg te verlenen aan ebolapatiënten op die eilanden en om patiënten te vervoeren zijn echter zeer beperkt. De LCI heeft een voorstel uitgewerkt waarmee de BES-eilanden het beperkte risico op introductie van een ebolapatiënt zo goed mogelijk zouden kunnen opvangen. Daarvoor zijn onder andere tenten, persoonlijke beschermingsmiddelen en trainingen beschikbaar gesteld.

Samenwerking met andere departementen

Ebola zorgde niet alleen voor vragen in de zorgsector, maar bij veel sectoren van de Nederlandse samenleving. Logischerwijs bij vliegvelden en havens. Op Schiphol werden extra maatregelen getroffen om reizigers uit ebolalanden goed voor te lichten over de symptomen en handelingsperspectieven, maar ook veel bij andere hulpverleners die adviezen wilden voor hun eigen bescherming en voor bescherming van de mensen die onder hun zorg vielen. Denk daarbij onder andere aan het openbaar vervoer, douane, politie, brandweer, reddingsmaatschappijen en de vreemdelingenketen (incl. detentie- en opvangcentra). Daarvoor zijn vaak specifieke afspraken en protocollen opgesteld.

Voor de interdepartementale samenwerking werd ongeveer eens in de drie weken gebruik gemaakt van een onderdeel van de nationale crisisstructuur; het zogeheten Adviesteam waarin crisiscoördinatoren en beleidsmedewerkers adviezen bespreken voor de aanpak van crises in Nederland. Het ministerie van VWS stelde wekelijks een situatierapport op over de stand van zaken en stemde de vragen van de andere departementen af met de LCI. Ook werden in samenwerking met VenJ afspraken gemaakt tussen RIVM, politie, veiligheidsregio’s, gemeenten en GGD’en over de woordvoering bij verdenkingen van ebola.

Politiek en bestuur

Bij A-ziekten kan de minister van VWS aanwijzingen geven aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s als dat nodig is. In de ebolamaanden heeft het ministerie van VWS onder andere een Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO) georganiseerd naar aanleiding van een advies van het Outbreak Management Team (OMT) en in november een bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van de VNG, het Veiligheidsberaad, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en GGD GHOR Nederland. Daarin is informatie gedeeld over de voorbereidingen en zijn afspraken gemaakt over de samenwerking.

De Tweede Kamer is regelmatig geïnformeerd via brieven. Op verzoek van de Vaste Kamercommissie hebben een technische briefing en een Algemeen Overleg plaatsgehad. Tot slot heeft een aantal keer overleg plaatsgevonden met Europese ministers van volksgezondheid en de ambassade van de Verenigde Staten.

Ebolavrij

Hoewel de dreiging van een uitbraak van ebola in Nederland door de deskundigen steeds als klein werd beoordeeld, leek de beeldvorming in de samenleving tijdens de zomer en herfst van 2014 daar niet altijd op. Op vragen en ongerustheid vanuit de samenleving moest dan op een goede manier worden gereageerd. Minister Schippers besloot daarom in oktober om naast veel woordvoering en informatievoorziening door het RIVM en het ministerie van VWS ook een informatielijn te openen voor mensen met vragen over ebola.

In het afgelopen jaar zijn er in Nederland minder dan 100 onderzochte verdenkingen geweest van ebola, die gelukkig allemaal negatief bleken in de tests. Het aantal besmettingen en nieuwe patiënten in Liberia, Sierra Leone en Guinee is de afgelopen maanden sterk teruggelopen. Laten we hopen dat de getroffen landen in Afrika binnenkort volledig ebolavrij zijn en blijven, en hun samenleving weer kunnen opbouwen.

Auteurs

S. Wiessenhaan, J.-W. van den Brink, M. Hoorweg, ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Correspondentie

m.hoorweg@minvws.nl

 

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / November-december 2015 / Leidinggeven aan de bestrijding van een dreigende infectieziekte uit groep A

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu