RIVM_Logo

Gesignaleerd maart 2015

Overzicht van bijzondere meldingen, clusters en epidemieën van infectieziekten in binnen- en buitenland.

Binnenlandse signalen

Stand van zaken influenzaepidemie

Sinds december 2014 is er een influenzaepidemie in Nederland. De incidentie van influenza-achtige ziektebeelden (IAZ) was voor de twaalfde achtereenvolgende week boven de epidemische drempel van 51 IAZ-consulten per 100.000 ingeschreven patiënten. In week 9 van 2015 was de IAZ-incidentie 133 per 100.000 patiënten. De IAZ-incidentie per 100.000 patiënten is het hoogst in de groep kinderen van 0-4 jaar. In week 8 werd in 56% van de IAZ-monsters influenzavirus aangetoond (ten opzichte van 45% in week 6 en 53% in week 7). Verhoudingsgewijs neemt het aantal monsters met influenzavirus type B (Yamagatalijn) meer toe dan met influenzavirustype A. In de Virologische Weekstaten is het aantal diagnoses influenzavirustype A hoger dan de 4 voorgaande seizoenen; wel lijkt het aantal diagnoses zich te stabiliseren.

De IAZ-incidentie die wordt gemeld door de verpleeghuizen die aangesloten zijn bij het netwerk Surveillance Netwerk Infectieziekten Verpleeghuizen (SNIV) lijkt te stabiliseren. Van de 13 SNIV-verpleeghuizen die in 2015 gegevens hebben aangeleverd, hebben 8 verpleeghuizen patiënten met IAZ gemeld. In 4 van de verpleeghuizen was een influenza-uitbraak. De pneumonieprevalentie gerapporteerd door NIVEL Zorgeregistraties Eerste Lijn is licht gedaald en is het hoogst voor de 65-plussers en de 0-4-jarigen. De totale sterfte in Nederland is nog steeds verhoogd. Recent heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de vaccinsamenstelling voor het noordelijk halfrond voor het influenzaseizoen 2015/2016 vastgesteld. De volgende samenstelling wordt aanbevolen:

  • een A/California/7/2009 (H1N1) pdm09-achtig influenzavirus
  • een A/Switzerland/9715293/2013 (H3N2)-achtig influenzavirus
  • een B/Phuket/3073/2013-achtig influenzavirus.

De componenten H3N2 en B zijn aangepast ten opzichte van het vaccin van het huidige seizoen.
(Bronnen: RIVM, CBS, NIVEL).


 

Gesignaleerd fig 1

Figuur 1. De IAZ-incidentie en virologische uitslagen van de NIVEL-peilstationsurveillance t/m week 8.

 

Twee wasberen met wasberenspoelworm

Eind 2014 (oktober en november) werden in het oosten van het land 2 dode wasberen gevonden en ingestuurd naar het Dutch Wildlife Health Centre (DWHC). Wasberen kunnen drager zijn van Baylisascaris procyonis (wasberenspoelworm). Deze spoelworm kan ook bij mensen tot ziekte leiden. Na onderzoek bleek dat beide dieren een groot aantal rondwormen in hun darmen hadden. Parasitologisch onderzoek op het RIVM bevestigde dat het wasberenspoelwormen waren. De herkomst van de dood gevonden wasberen is onduidelijk.

In Nederland worden naar schatting 300-1100 wasberen gehouden als huisdieren. Uit onderzoek in 2013 bleek dat bij wasberen, die als huisdier worden gehouden, de prevalentie van B. procyonis waarschijnlijk (heel) laag is. Omdat toen werd ingeschat dat slechts kleine aantallen wasberen in het wild leven, werd het risico van overdracht naar de mens van B. procyonis als laag beoordeeld. De recente bevinding betekent echter dat het risico heroverwogen moet worden.
(Bronnen: DHWC1, DWHC2, RIVM, Franssen et al, Maas et al, Umwelt.nrw)

Seoulvirus bij ratten in Nederland

Er is serologisch bewijs gevonden voor Seoulvirus (SEOV) bij bruine ratten in Nederland. Er waren al eerder aanwijzingen voor aanwezigheid van dit type hantavirus in Nederlandse ratten. Dertig bruine ratten, die afkomstig waren uit bijvangsten van de muskusrattenbestrijding werden onderzocht. Bij 3 van de 16 geteste ratten werd SEOV aangetoond met ELISA, IFAT en in een virusneutralisatietest.

De voorlopige bevindingen zijn in het Europese referentielaboratorium voor hantavirussen van het Swedish Institute for Communicable Diseases bevestigd. SEOV is een hantavirussoort en heeft als reservoir bruine en zwarte ratten. Naast SEOV komt in Nederland ook Puumulavirus en Tulavirus voor bij respectievelijk rosse woelmuizen (Myodes glareolus) en veldmuizen (Microtes arvalis). SEOV wordt uitgescheiden via urine, feces en speeksel van geïnfecteerde ratten. Bij 10% van de mensen die besmet zijn ontstaan griep-achtige klachten met koorts en bij 1% van de patiënten kan nierfalen optreden. In Nederland zijn geen mensen met een SEOV-infectie bekend. Het ziektebeeld bij een SEOV-infectie lijkt op dat van een infectie met het Puumalavirus dat al in Nederland circuleert. Het RIVM zal dierenbestrijdings-bedrijven, waar mogelijk in samenwerking met betrokken arbodiensten, adviseren bij het opstellen van werkinstructies voor werknemers om besmetting te voorkomen.
(Bronnen: RIVM, Verver-Carlsson et al, First evidence of Seoul hantavirus in the wild rat population in the Netherlands)

Buitenlandse signalen

Ebola-uitbraak in West-Afrika

Wereldwijd waren er per 18 februari 23.218 ebolapatiënten, waarvan 9.365 patiënten overleden (Figuur 2). Een belangrijk deel van de nieuwe patiënten wordt nog steeds in de algemene bevolking gevonden en niet onder de contacten van al bekende ebolapatiënten. De lokale bevolking wil niet altijd meewerken met de hulpverleners. Er is soms sprake van verzet en er vinden bijvoorbeeld ook nog altijd begrafenisrituelen op onveilige wijze plaats.


 

Gesignaleerd fig 2

Figuur 2. Cumulatief aantal ebolapatiënten in West-Afrika, 2014-2015.

Uitbraak van mazelen in Berlijn

Sinds oktober 2014 is er een uitbraak van mazelen in Berlijn. Tot 23 februari waren er in totaal 583 patiënten in Duitsland, waarvan 530 in Berlijn en 53 in Brandenburg. De uitbraak verspreidde zich aanvankelijk vooral onder asielzoekers, voornamelijk uit Bosnië-Herzegovina en Servië. Het gaat om het mazelenvirus genotype D8, een type dat sinds 2013 circuleert in Europa. In totaal zijn 145 patiënten opgenomen in het ziekenhuis, 1 ongevaccineerd kindje van 18 maanden oud is overleden. De mediane leeftijd is 15 jaar (0-59 jaar). Een groot deel van de patiënten is niet gevaccineerd. De vaccinatiegraad voor mazelen in schoolkinderen in Berlijn is 96% voor de eerste vaccinatie en 91% voor de tweede vaccinatie. In de leeftijdsgroep 18- tot 44-jarigen is de vaccinatiegraad beduidend lager.
(Bronnen: ECDC, Robert Koch Institut) 

Mazelenuitbraak gerelateerd aan Disneyland Californië

Onder bezoekers en personeel van Disneyland in Californië is mazelen uitgebroken. De uitbraak begon tussen 17 en 20 december 2014. Er zijn inmiddels ruim 100 mazelenpatiënten bevestigd uit verschillende staten en Mexico, die een epidemiologische link met Disneyland hebben. De leeftijd van de patiënten varieert van 7 maanden tot 70 jaar en een kwart van de patiënten moest in het ziekenhuis worden opgenomen. Het overgrote deel van de patiënten is niet tegen mazelen gevaccineerd. (Bronnen: ECDC, California Department of Public Health) 

 

Influenzavirus A(H5N1) in Bulgarije

De Bulgaarse autoriteiten meldden de vondst van een dode pelikaan die besmet bleek met influenzavirus A(H5N1). De pelikaan werd gevonden in het Podareservaat nabij de Zwarte Zee. De vogel werd in het kader van surveillanceprogramma met PCR getest. Kort daarop werd 13 km van de plaats waar de pelikaan was gevonden, een uitbraak van influenza A(H1N1) gemeld op een een bedrijf met buitenkippen. Het bedrijf ligt in een gebied dat grenst aan het meer van Mandra waar veel trekvogels voorkomen (Figuur 3).(Bronnen: ProME D, Ecofactsheet trekvogels & vogelgriep).


 

Gesignaleerd fig 3

Figuur 3 Migratieroutes trekvogels.

Hivvariant geassocieerd met snellere ontwikkeling van aids

In een onderzoek onder Cubaanse hivpatiënten is een een hiv 1-variant, genaamd CRF19_cpx, aangetoond die al binnen 3 jaar (mediane duur 1,4 jaar) na besmetting tot aids kan leiden, wat korter is dan de 5-10 jaar die gebruikelijk is. De studie vergeleek de virusvarianten, patiëntkenmerken en ziektedeterminanten van 3 patiëntengroepen: 21 hivpatiënten die < 3 jaar waren geïnfecteerd en geen aids hadden ontwikkeld, 52 hivpatiënten die < 3 jaar waren geïnfecteerd en wel aids hadden ontwikkeld en 22 chronisch hivpatiënten met aids. De hivvariant CRF19_cpx werd bij 9 van de groep van 52 patiënten aangetroffen, en niet bij de andere 2 patiëntgroepen. De variant zou sneller omschakelen van aanhechting aan lymfocyten via co-receptor CCR5 naar aanhechting via co-receptor CXCR4; een stap die geassocieerd is met aanvang van decompensatie van het immuunsysteem en daarmee met de ontwikkeling van aids. Ook hadden patiënten die besmet waren met CRF19_cpx bij aanvang van de studie een hogere virale titer in bloed. Het is niet voor het eerst dat bepaalde varianten geassocieerd worden met snellere ontwikkeling van aids. De variant die in de studie is gevonden, is al eerder gevonden in Afrika, maar daar is het klinisch beloop van patiënten niet bekend. Aanvullend onderzoek is nodig om de uitkomsten van deze studie te bevestigen.
(Bron: EBioMedicine).

Auteur

E. Fanoy, Centrum Infectieziektebestrijding, RIVM, Bilthoven.

Correspondentie

Ewout.Fanoy@rivm.nl

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / Maart 2015 / Gesignaleerd maart 2015

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu