RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Uitbraken van opkomende infectieziekten: risicoperceptie en gedrag van het algemeen publiek

‘Hoe hebben Nederlanders de Mexicaanse griep of de Q-koortsuitbraken beleefd?’ ‘Was er sprake van angst?’ ‘Nam het publiek preventieve maatregelen?’ ‘Wat was de reden van vaccinatieacceptatie of -weigering?’ ‘Wat vond men van de overheidsinformatie?’ en ‘Wat zijn belangrijke leerpunten voor de risicocommunicatie bij toekomstige uitbraken van infectieziekten?’. Deze vragen worden beantwoord in het proefschrift Outbreaks of Emerging Infectious Diseases: Risk perception and behaviour of the general public. Het onderzoek is uitgevoerd door de GGD Rotterdam-Rijnmond/Erasmus Medisch Centrum, in samenwerking met het RIVM. Doel van dit proefschrift is het beschrijven van trends over de tijd en regionale verschillen en risicoperceptie, gedrag van het publiek en determinanten van preventief gedrag.

Mexicaansegrieppandemie


Tijdens de grieppandemie werden 4 metingen uitgevoerd. De eerste meting vond plaats in mei 2009 (n=456) toen de eerste patiënten in Nederland bekend werden. In juni was de tweede meting (n= 478) toen de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de hoogste alarmfase afkondigde. De derde meting werd uitgevoerd in augustus (n=934) op het moment dat de eerste patiënt in Nederland overleed. Van 10-17 november 2009, tijdens de start van de vaccinatiecampagne, vond de laatste meting plaats (n=754). De resultaten tonen, dat in november 2009 38% van de respondenten de griep als een ernstige ziekte beschouwde. Dit was een afname vergeleken met eerdere metingen in mei (80%), juni (67%) en augustus (41%). Het percentage respondenten dat zichzelf als vatbaar beschouwde voor Mexicaanse griep steeg naar 36% (mei: 18%; juni: 22%; augustus: 28%). Gevoelens van bezorgdheid namen af gedurende het verloop van de pandemie. Het percentage mensen dat maatregelen had genomen om de griep te voorkomen, steeg van 11% in mei naar 73% in november 2009. Als maatregelen werden genoemd: vaker handen wassen (61%), vaker papieren zakdoekjes gebruiken bij hoesten en niezen (34%), vermijden van mensen met griepklachten (25%) en zich laten vaccineren tegen de Mexicaanse griep (24%). Hygiënemaatregelen werden vaker genomen door mensen die angstig waren voor de griep, geloofden in de effectiviteit van hygiënemaatregelen, veel aandacht hadden besteed aan media-informatie over de griep en die overheidsinformatie betrouwbaar vonden. Hoge vaccinatiebereidheid bleek aanwezig bij mensen die de griep als ernstig beschouwden, angstig waren voor de griep, geloofden in de effectiviteit van de vaccinatie, en die de informatie van de overheid betrouwbaar achtten. Vooral mannen, lager opgeleide mensen, mensen zonder baan en mensen zonder thuiswonende kinderen waren bereid zich te laten vaccineren.

Eén van de doelgroepen voor de vaccinatie tijdens de grieppandemie waren kinderen in de leeftijd van 6 maanden tot 5 jaar. In december 2009 werden exit interviews gehouden met 1227 ouders nadat zij hun kinderen hadden laten vaccineren. Daarnaast vulden 1900 vaccinatieweigeraars in juni en juli 2010 een vragenlijst in; 25 van hen namen tevens deel aan een diepte-interview. De belangrijkste redenen voor vaccinatieacceptatie waren: “ik wil niet dat mijn kind ziek wordt” (43%), “deze griep kan ernstig zijn (ziekenhuisopnames/doden)” (10%),“de overheid adviseert het, dus doe ik het” (6%) en “als ik het niet doe, krijg ik later misschien spijt” (6%) (figuur 1). De belangrijkste redenen voor het weigeren van de vaccinatie waren: “angst voor bijwerkingen/schadelijke gevolgen” (51%), “er een slecht gevoel over te hebben” (46%) en “het vaccin is niet grondig getest” (39%) (figuur 2). Vergeleken met de ouders die hun kinderen lieten vaccineren, vroegen ouders die dat niet wilden vaker advies aan mensen in hun omgeving, maar lieten zich minder vaak beïnvloeden door dit advies. Daarnaast waren er verschillen tussen autochtone en allochtone ouders; allochtone ouders rapporteerden vaker gevoelens van twijfel en spijt ten over hun besluit ten aanzien van de vaccinatie, vroegen hun sociale omgeving vaker om advies en werden hier meer door beïnvloed dan de autochtone ouders.

Daarnaast is een systematisch literatuuronderzoek naar de risicoperceptie en het preventieve gedrag van het publiek tijdens de influenza A (H1N1)-pandemie uitgevoerd, met de focus op trends in de tijd en internationale/regionale verschillen. Met behulp van onlinezoektermen in PubMed, Embase en PsychINFO werden ongeveer 5500 artikelen gescreend waarvan 70 voldeden aan de inclusiecriteria. Gedurende de pandemie voelden mensen in de meeste landen zich in toenemende mate vatbaar voor influenza. Daarentegen namen gevoelens over de ernst van de situatie, angst, het besef van persoonlijk beïnvloeding door het nemen van preventieve maatregelen en de intentie om tot vaccinatie over te gaan, af. Hygiënemaatregelen en social distancing (vermijden van plekken met veel mensen) waren de uitgevoerde preventieve maatregelen die het meest werden gerapporteerd. In veel landen bleef de vaccinatiegraad laag. Er waren regionale verschillen in de perceptie en het preventieve gedrag van het publiek. Zo ervoeren inwoners van gebieden met veel patiënten en/of overleden patiënten over het algemeen een hogere mate van ernst en vatbaarheid en namen ze vaker preventieve maat-regelen vergeleken met inwoners van gebieden met een lagere incidentie van influenza A (H1N1). 

Figuur 1 Redenen waarom ouders hun kind lieten inenten tengen influenza A (H1N1)

Figuur 1. Redenen waarom ouders hun kind lieten inenten tegen influenza A (H1N1) (n=1227)a
a Respondenten konden maximaal 1 reden opgeven; n=73 (5,9%) rapporteerden een andere reden; van n=207 (16,9%) was reden onbekend.

Klik op de afbeelding voor een grotere weergave in pdf.


Figuur 2 Redenen waarou ouders hun kind niet lieten inenten tegen influenza A (H1N1)

Figuur 2. Redenen waarom ouders hun kind niet lieten inenten tegen influenza A (H1N1) (n=1900)b
b Respondenten konden meer dan 1 reden opgeven (de verdeling van antwoorden is niet vergelijkbaar met Figuur 1).
Klik op de afbeelding voor een grotere weergave in pdf.


Q-koortsepidemie

Vergelijkbare studies zijn uitgevoerd tijdens de Q-koortsepidemie. Data werden verzameld in 2009 (n=1347), 2010 (n=1249) en 2012 (n=1030) met behulp van online-vragenlijsten voor volwassenen van 18 jaar en ouder, die waren aangesloten bij een internetpanel. Inwoners van 3 verschillende gebieden waren uitgenodigd om hieraan deel te nemen:

  1. Noord-Brabant, met de hoogste Q-koortsincidentie;
  2. Utrecht en Limburg, waar Q-koorts recenter was geintroduceerd;
  3. Groningen en Friesland, 2 provincies met minder Q-koortspatienten (figuur 3).

Deze provincies dienden als controle regio’s. Tussen 2009 en 2010 nam de kennis van de respondenten toe ten aanzien van Q-koorts, evenals de ervaren ernst, mate van angst en ervaren effectiviteit van preventiemaatregelen. Daarnaast steeg het percentage respondenten dat preventieve maatregelen nam en steeg de hoeveelheid ontvangen informatie over Q-koorts en de mate van aandacht voor deze informatie. Tussen 2010 en 2012 daalde de kennis, de ervaren angst, het preventieve gedrag, de hoeveelheid ontvangen informatie over Q-koorts en de aandacht voor deze informatie. In zowel 2009, 2010 als 2012 rapporteerden respondenten in Noord-Brabant, in vergelijking met de andere regio’s, meer kennis over Q-koorts en een hogere mate van angst, namen zij vaker preventieve maatregelen, ontvingen meer informatie over Q-koorts en besteedden meer aandacht aan deze informatie. De meest genoemde redenen voor vaccinatieacceptatie waren: “ik heb een verhoogd risico op het ontwikkelen van (chronische) Q-koorts” (69%), “mijn huisarts heeft mij aangeraden me te laten vaccineren tegen Q-koorts” (34%) en “Q-koorts kan ernstig zijn” (14%). Een derde van het aantal respondenten had getwijfeld voorafgaand aan de vaccinatie; deze twijfels hadden voornamelijk te maken met de angst voor ernstige bijwerkingen op de langere termijn (20%) en milde bijwerkingen (19%), praktische barrières (19%) en het idee dat het vaccin niet grondig getest was (10%).

Figuur 3 Gemelde Q-koortspatienten in 2009

Figuur 3. Gemelde Q-koortspatiënten in 2009 (N=2,357) Deuning CM (RIVM). Gemelde Q-koortspatiënten, 2009. In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationale Atlas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, http://www.zorgatlas.nl. 



Uit ongeveer 2.500 enquêtes, 25 diepte-interviews, 8 vragenlijstonderzoeken, 1 literatuurstudie en 7 wetenschappelijke publicaties verder, kan ik -onder andere- de volgende conclusies trekken:

De mate van media-aandacht en de manier waarop de media de berichten weergeven, hebben een sterke invloed op de perceptie en het preventieve gedrag van het publiek; bij veel media-aandacht is de risicoperceptie over het algemeen hoger en neemt het publiek meer preventieve maatregelen.
In de voorlichting dient rekening gehouden te worden met sociaal-culturele kenmerken van de doelgroep, zoals etniciteit of godsdienst, die van invloed kunnen zijn op de het besluit om al dan niet te laten vaccineren. De voorlichting kan meer gedifferentieerd of op-maat worden gemaakt.
Publieksvertrouwen in de overheid is essentieel voor effectieve risicocommunicatie tijdens uitbraken van infectieziekten. Meer aandacht voor het opbouwen, behouden en herstellen van het publieke vertrouwen zowel voor, tijdens, als na een infectieziekte-uitbraak is van belang.
Angst voor bijwerkingen of schadelijke gevolgen van vaccinatie is een belangrijke barrière in de besluitvorming over het al dan niet vaccineren. Dit punt verdient aandacht bij toekomstige vaccinatiecampagnes.
Eén van de stellingen behorende bij het proefschrift gaat in op het betrekken van het publiek bij de dilemma’s van de overheid rondom de bestrijding van opkomende infectieziekten. Publieksparticipatie, een betere dialoog tussen burgers en de overheid, kan gerealiseerd worden door bijvoorbeeld burgerpanels. Deze panels kunnen ook tijdens uitbraken worden ingezet om de publieke perceptie te monitoren.

Tot besluit – Risicocommunicatie bij opkomende infectieziekten: doen we het nu dan echt beter? Mijn conclusie: het gaat de goede kant op, maar het kan nog beter. Lees hier meer over in mijn proefschrift.

Auteur


M. Bults, Radboud Universitair Medisch Centrum, Nijmegen

Correspondentie: Marloes.Bults@radboudumc.nl 

Omslag proefschrift M. Bults

Titel: Outbreaks of Emerging Infectious Diseases: Risk perception and behaviour of the general public
Erasmus MC, Universitair Medisch Centrum Rotterdam
ISBN 9789070116422
Link: http://repub.eur.nl/pub/50330/



Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / Uitbraken van opkomende infectieziekten: risicoperceptie en gedrag van het algemeen publiek

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu