RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Dagelijkse advisering en respons in de praktijk van de LCI in 2012

De Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM brengt advies uit aan GGD’en, zorgprofessionals en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om de infectieziektebestrijding op nationaal niveau op elkaar af te stemmen. In 2012 is de LCI 1439 keer geconsulteerd door professionals. Het totaal aantal vragen dat in 2012 is beantwoord lag wederom hoger dan in voorgaande jaren (2011: 1376 vragen, 2010: 1059 vragen). Dit komt doordat advisering over indicatiestelling en vragen over bijwerkingen van vaccinaties binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) sinds eind maart 2011 ook worden geregistreerd. (1) In dit artikel beschrijven we naast de dagelijkse advisering ook de bijzondere casuïstiek waar de LCI in 2012 bij betrokken is geweest.

Door wie wordt de LCI geconsulteerd?

De LCI is 24 uur per dag en 7 dagen per week te bereiken voor GGD’en en andere zorgprofessionals. Alle vragen die binnenkomen worden geregistreerd in een digitaal casusregister (Crios) en wekelijks besproken in het zogenoemde casuïstiekoverleg. Dit overleg functioneert als interne kwaliteitsbewaking en waarborgt de uniformiteit van adviezen, mede door feedback van interne en externe experts van andere centra binnen het CIb. Evenals in voorgaande jaren stelden de GGD’en ook in 2012 ruim de helft van alle vragen (51%). Specialisten uit ziekenhuizen en microbiologische laboratoria waren verantwoordelijk voor 14% en huisartsen voor 10% van de consultaties. (Figuur 1)

Top 10

Zoals in voorgaande jaren zijn ook in 2012 de meeste vragen gesteld over rabiës. (Tabel 1) De jarenlange nummer 1-positie van rabiës is voorspelbaar omdat alle rabiëscasuïstiek met de LCI overlegd dient te worden alvorens er MARIG (menselijk antirabiës-immunoglobulines) door de Dienst Vaccinvoorziening en Preventieprogramma’s (DVP) mag worden uitgegeven. Omdat de advisering over indicatiestelling en vragen over bijwerkingen van vaccinaties binnen het RVP sinds maart 2011 in hetzelfde systeem worden geregistreerd, staat het onderwerp vaccinatieadviezen ook hoog in de top 10. Vragen over vaccinatieadviezen variëren van mogelijke bijwerkingen tot het vervroegd of verlaat geven van RVP-vaccinaties. Op de derde plaats staat kinkhoest met 58 vragen. Deze hadden betrekking op onder andere de indicatiestelling van profylaxe, het cocoonbeleid in het buitenland (volwassenen met veelvuldig direct contact met een pasgeborene worden in een aantal landen waaronder België gevaccineerd) en over de interpretatie van de kinkhoestrichtlijn. De top 10 is ten opzichte van andere jaren niet wezenlijk veranderd. (Tabel 1)


LCI-advisering figuur 1

Figuur 1 Het aantal gestelde vragen (%) aan de LCI tussen 2010-2012 per type organisatie


Bijzondere casuïstiek

Twee baby’s met infantiel botulisme

Begin augustus 2012 kwam er een melding binnen van een baby van 2 maanden oud met uitval van de gezichtsspieren met onder meer een dubbelzijdige ptosis (afhangen van de oogleden) als gevolg. De neuroloog dacht aan infantiel botulisme, waarop serum en feces voor laboratoriumdiagnostiek werden ingestuurd naar het Centraal Veterinair Instituut (CVI) in Lelystad. (2) De behandelaar benaderde LCI voor de behandeling van de baby en vroeg zich af of antitoxines nog gegeven konden worden in verband met de vertraging in de diagnose. In de literatuur is toediening van antitoxines onderzocht tot 16 dagen na de eerste ziektedag. De eerste ziektedag van de baby was inmiddels 3 weken geleden. Omdat het een heel specifieke vraag over de behandeling was, werd de behandelend arts in contact gebracht met het CVI en een van de artsen-microbiologen van het RIVM voor een behandeladvies. Uiteindelijk werd een antitoxine speciaal voor baby’s (Baby-BIG), verkregen uit humaan serum, uit de Verenigde Staten geïmporteerd en toegediend. Een uitgebreide beschrijving van deze casus is te vinden in een eerdere uitgave van het Infectieziekten Bulletin. (2) De ouders van de baby hadden de baby naast borstvoeding af en toe een beetje honing gegeven, wat waarschijnlijk de oorzaak van de infectie was. Honing kan sporen van de bacterie Clostridium botulinum bevatten omdat bijen deze vaak oppikken van de grond en aan hun pootjes meevoeren. In dezelfde week werd nóg een baby – uit een andere regio - gemeld met infantiel botulisme, waarbij het onbekend was of deze baby ook honing had gegeten. Na onderzoek bleken de baby’s besmet te zijn met verschillende typen Clostridium botulinum (baby 1: type A en baby 2: type B). De bron van infectie bij de tweede baby is onbekend gebleven. Meldingen van botulisme zijn doorgaans zeer zeldzaam (2008: n=4, dit was een cluster met een bron in Turkije (3), 2009-2011: n=0).

Een uitbraak met Salmonella Thompson

Medio augustus 2012 werd door het RIVM bij 14 patiënten, verspreid over Nederland, Salmonella Thompson aangetoond in feceskweken die vanuit de reguliere Salmonella-surveillance naar het RIVM gestuurd waren. Salmonella veroorzaakt onder meer klachten passend bij een gastro-enteritis en infecties hiermee zijn op klinische gronden in beginsel moeilijk te onderscheiden van andere verwekkers. Omdat Salmonella Thompson een type is dat niet regelmatig voorkomt (in voorgaande jaren werd het slechts enkele malen per jaar gedetecteerd) en omdat de patiënten uit het hele land afkomstig waren werd besloten om medewerking van de GGD’en te vragen voor een case-controlonderzoek. In de weken die volgden werden er steeds meer patiënten gediagnosticeerd met S. Thompson. De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) werd al in een vroeg stadium in het overleg betrokken om te adviseren over brononderzoek in voedselproducten. De LCI initieerde samen met de NVWA tweemaal per week een overleg, waarbij experts van verschillende afdelingen binnen het RIVM en NVWA bij elkaar kwamen om het beleid af te stemmen. Bij navraag via het Europees platform voor uitwisseling van informatie voor epidemiologen (EPIS) bleek dat andere Europese landen geen verheffing zagen. Eind augustus waren er 62 patiënten met
S. Thompson en werd besloten om een inf@ctbericht te verspreiden om onder andere het belang van het afnemen van de vragenlijsten te benadrukken die verspreid werden in het kader van het casecontrolonderzoek. Uit de eerste analyses van de vragenlijsten die door de GGD’en werd afgenomen, kwam in eerste instantie geen specifiek verdacht product naar voren, alleen verdachte productgroepen die veelvuldig gebruikt worden (zoals groente en zuivelproducten). Eind september bleek uit de vragenlijsten dat de infecties geassocieerd waren met het eten van gerookte zalm van bepaalde supermarkten. (4) Volgens gegevens van de NVWA werden al deze supermarkten bevoorraad door dezelfde visproducent. Op basis van dit signaal zijn de zalmproducten van de betrokken supermarkten direct door de NVWA bemonsterd, en uit de deze producten werd enkele dagen later inderdaad Salmonella gekweekt, die later werd getypeerd als S. Thompson. Op basis van deze informatie liet de NVWA meteen alle zalmproducten van de betrokken visproducent uit de schappen halen. De LCI informeerde het Ministerie van VWS en stuurde een nieuw inf@ct bericht uit. Er ging een persbericht uit en actuele Q&A’s werden op de website van het RIVM geplaatst. Ook ging een EWRS-bericht (Early warning and response system voor Europese landen) uit om andere Europese landen op de hoogte te stellen, hoewel export van de zalm binnen Europa beperkt was.

Na het terughalen van de zalm uit de verkoop nam het aantal infecties in eerste instantie nog toe om pas na enkele weken te dalen. Samenwerking tussen de GGD’en en de verschillende afdelingen binnen het RIVM blijkt essentieel voor het opsporen van de bron bij een uitbraak en voor het tijdig nemen van maatregelen. Eind december werd de epidemie als beëindigd verklaard en was de incidentie weer tot bijna normale waarden gedaald. Deze lange nasleep is te verklaren uit het gegeven dat veel mensen waarschijnlijk nog zalm in hun koel- of vrieskast hadden liggen die later werd geconsumeerd. Ook de uitgebreide aandacht vanuit media en huisartsen zal hebben bijgedragen aan het grotere aanbod van feceskweken bij de laboratoria. Vanwege het grote aantal feceskweken en de onzekerheid met betrekking tot het uitschakelen van alle potentiële bronnen, werd de afname van vragenlijsten uit voorzorg nog enige weken gecontinueerd. In totaal werden 1149 Salmonella Thompson-patiënten bij het RIVM geregistreerd.


Tabel 1 Overzicht van top 10-consultatieonderwerpen in 2012 in vergelijking met de periode 2008-2011 (klik op het plaatje voor een vergrote weergave)

LCI-advisering tabel 1

Hantavirus Pulmonary Syndrome in Yosemite Park, Verenigde Staten

Hantavirussen zijn virussen die wereldwijd onder knaagdieren voorkomen. Zij kunnen, afhankelijk van het virustype, bij mensen leiden tot ernstige nierziekten (hemorragische koorts, HFRS) en longziekten (Hantavirus Pulmonary Syndrome, HPS). Ieder type hantavirus is geassocieerd met een specifieke knaagdiergastheer. Horizontale besmetting tussen de knaagdieren vindt plaats door krabben, bijten en inademing van virusbevattende aerosolen. Via urine, feces en speeksel worden hantavirussen door reservoirdieren uitgescheiden waarna virusdeeltjes via besmette aerosolen door de mens ingeademd kunnen worden. Besmette knaagdieren scheiden het virus gedurende vele maanden uit. Vooral als de lokale knaagdierpopulatie groot is doen zich besmettingen onder mensen voor. (5)

Begin september kwam een EWRS-bericht binnen dat in het Yosemite Park in de Verenigde Staten 6 mensen gediagnostiseerd waren met HPS, waarvan er 2 waren overleden. Bij het bericht zat tevens een lijst met contactgegevens van 54 Nederlandse reizigers die ook in het park waren geweest en de LCI werd verzocht om hen op te sporen en te informeren over de uitbraak en alert te zijn op symptomen. Met de GGD’en van de regio’s waarin de 54 reizigers woonden werd telefonisch contact opgenomen. De meeste reizigers bleken al door hun reisorganisatie of door de parkautoriteiten op de hoogte te zijn gesteld. Er werd een inf@ct- en een labinf@ctbericht opgesteld, met name om ziekenhuizen te alarmeren, en Q&A’s werden op de website van het RIVM geplaatst. Tevens werd er met een academisch ziekenhuis contact opgenomen om het te volgen behandelbeleid te bepalen. Aan de hand van symptomen en verblijf werd een casusdefinitie opgesteld. Daarnaast werd een protocol geschreven voor versnelde diagnostiek bij het RIVM. Aanvankelijk leek het erop dat er alleen een verhoogd risico op infectie was wanneer men in bepaalde tentenkampen in Curry Village/ Yosemite park had overnacht. (6) Er kwam echter bericht dat één van de 8 patiënten met HPS gerelateerd aan het Yosemite park waarschijnlijk was besmet tijdens verblijf in een ander gedeelte van het park (High Sierra Camps). Onder de toeristen die daar ook waren bevonden zich wederom enkele Nederlanders die via de GGD zijn benaderd. In totaal is bij 49 personen - die overigens niet allemaal voldeden aan de casusdefinitie - serologische diagnostiek ingezet. De uitslagen van alle testen waren negatief.

Deskundigenberaden: Schmallenbergvirus, Vancomycineresistente enterokokken en Chlamydia abortus

De LCI organiseert sinds 2009 deskundigenberaden (DB). Deze vergaderingen vinden plaats wanneer er overleg met- en advies door deskundigen gewenst is maar waarbij de urgentie minder hoog is dan bij een outbreak management team (OMT). Het verzoek om advies kan komen van het RIVM, van andere deskundigen buiten het RIVM of van één van de ministeries naar aanleiding van nog onbegrepen of onduidelijke signalen. In een DB worden experts uit het veld uitgenodigd om in een besloten overleg te vergaderen. In overleg met het betreffende ministerie volgt uit een DB binnen 2 weken een adviesbrief aan het ministerie, eventueel volgt er ook een adviesbrief als het verzoek voor DB niet van een ministerie afkomstig is.

In 2012 vonden er 3 DB plaats. Aanleiding was de identificatie in december 2011, in het plaatsje Schmallenberg in Duitsland van een nieuw virus onder runderen, geiten en schapen. Dit zogenoemde Schmallenbergvirus werd geïsoleerd uit bloedmonsters. Bij nadere analyse bleek het Schmallenbergvirus ondergebracht te kunnen worden in de familie van de Bunyavirussen (genus orthobunyavirus). Hiertoe behoort een aantal andere virussen dat geboorteafwijkingen bij herkauwers veroorzaakt, zoals het Akabanevirus. Dit laatste virus komt voor bij vee in Azië, Australië en Afrika. Verondersteld werd dat besmetting van drachtige dieren met het Schmallenbergvirus waarschijnlijk een aantal maanden eerder (augustus-september 2011) had plaatsgevonden. Van nauw verwante virussen was bekend dat ze onder meer via knutten worden overgedragen. Omdat niet op voorhand uitgesloten kon worden dat het hier om een zoönose ging en er ook vragen waren met betrekking tot maatregelen tegen het Schmallenbergvirus, werd een DB belegd met zowel experts uit het veterinaire als het humane veld. Vanuit het DB werd geadviseerd om zwangere vrouwen uit voorzorg geen verloskundige handelingen te laten verrichten op bedrijven waar mogelijk het Schmallenbergvirus heerste omdat er op dat moment nog geen kennis aanwezig was over transmissierisico’s naar de mens. Tevens werd geadviseerd om in samenwerking met GGD’en serologisch onderzoek bij mensen te starten om transmissie naar de mens uit te sluiten. (7) Dit onderzoek is door een efficiënte samenwerking tussen GGD’en en het RIVM in korte tijd gerealiseerd. De resultaten van het serologisch onderzoek waren binnen enkele maanden bekend: bij ruim 300 mensen is bloed afgenomen en bij geen van hen werden antistoffen gevonden tegen het Schmallenbergvirus. (8)

In juni vond het tweede DB plaats, ditmaal over Vancomycineresistente enterokokken (VRE). De aanleiding voor dit DB was dat in enkele ziekenhuizen VRE-dragerschap onder patiënten was vastgesteld. De enterokok is een bacterie die algemeen bij mensen in de darmen voorkomt. Bij gezonde mensen is deze bacterie ongevaarlijk. Bij ernstig zieke patiënten of bij patiënten met een afweerstoornis kan deze bacterie een infectie veroorzaken waarvoor behandeling met antibiotica noodzakelijk is. VRE zijn echter resistent tegen de antibiotica die gewoonlijk worden voorgeschreven voor de behandeling van enterokokkeninfecties. Dit betekent dat infecties veroorzaakt door de VRE-bacterie moeilijk te behandelen zijn. Bij dit DB waren, naast medewerkers van het RIVM, medisch specialisten op het gebied van medische microbiologie, infectiologie, infectieziektebestrijding en infectiepreventie betrokken. Tijdens het DB werd de huidige stand van zaken op het gebied van het voorkomen en de verspreiding van VRE besproken evenals de potentiële risico’s voor de volksgezondheid.

De uitkomst van dit beraad was dat het moeilijk is om een eenduidig beeld te krijgen van de VRE-problematiek in Nederland omdat er verschillende technieken worden gebruikt voor screening, kweek en typering vanVRE. (9) Daarom werd aanbevolen om de methodieken voor screening en kweken te standaardiseren en een werkgroep te zetten op het bepalen van de meest geschikte methode voor typering. De verwachting is dat dit met de ontwikkeling van Type-Net, een web-based surveillancesysteem, het standaardiseren van de technieken binnen afzienbare tijd mogelijk is. Door het signaleringsoverleg ziekenhuisinfecties en antimicrobiële resistentie is er een goed inzicht in het aantalVRE-uitbraken in Nederlandse ziekenhuizen. Uit dit signaleringsoverleg blijkt dat VRE-uitbraken meestal langdurig zijn, maar met toepassing van intensieve infectiepreventiemaatregelen onder controle kunnen worden gebracht. De Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVVM) ontwikkelt momenteel een richtlijn voor artsen-microbiologen over screening en kweekmethoden voor VRE.

Het derde en tevens laatste DB wat in 2012 plaatsvond ging over Chlamydia abortus. Aanleiding van dit beraad was het rapport van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) dat liet zien dat C. abortus in Nederland wijdverspreid voorkomt op vooral melk leverende schapen- en geitenbedrijven. Centraal in dit beraad stond de vraag wat de aard en omvang is van het risico van C. abortus voor de mens en welk onderzoek eventueel nodig is om hier meer inzicht in te geven. C. abortus komt wereldwijd voor bij geiten en schapen. Uit een studie, waar het rapport zich op baseerde, kwam naar voren dat bij een meerderheid van de melkgeit- en schaapbedrijven antistoffen tegen C. abortus in dieren was aangetroffen. (10) Zwangere vrouwen vormen bij blootstelling aan dieren met C. abortus de grootste risicogroep waarbij besmetting kan leiden tot een spontane abortus. Ondanks het endemisch voorkomen van C. abortus bij dieren werden er geen beschrijvingen van uitbraken onder mensen gevonden in de (inter)nationale wetenschappelijke literatuur. Conclusie van het DB was dat C. abortus op dit moment een verwaarloosbaar klein risico is voor de Nederlandse volksgezondheid. (11) Echter, specifieke (beroeps)groepen, in het bijzonder zwangere vrouwen, dienen wel alert te zijn en communicatie naar deze groepen met betrekking tot C. abortus, zal geïntensiveerd worden. Naar aanleiding van de uitkomsten van het DB is door een werkgroep bestaande uit verschillende disciplines voorlichtingsmateriaal ontwikkeld.

Tevens werd naast de dagelijkse casuïstiek extra aandacht besteed aan de verheffing van cryptosporidium (12), deed een nieuw coronavirus zijn intrede (MERS-CoV)(13) en werd het draaiboek Difterie aangepast naar aanleiding van casuïstiek uit 2012.

We kunnen concluderen dat geen jaar hetzelfde is bij de LCI. Naast de toenemende dagelijkse casuïstiek is de organisatie van DB’s een belangrijke taak van de LCI geworden. Daarnaast blijven we bij internationale infectieziekteproblematiek betrokken omdat er – ook door Nederlanders – veel gereisd wordt. Dit jaaroverzicht illustreert weer de rol van deLCI als spin in het web in de infectieziektebestrijding.

De auteurs danken C. Reusken van het RIVM voor het meelezen van dit artikel.

Auteurs

A. Urbanus, H. van den Kerkhof, C. Swaan, Centrum Infectieziektebestrijding , RIVM, Bilthoven

Correspondentie:

Anouk.Urbanus@rivm.nl

Literatuur

  1. Urbanus AT, Moorer N, Swaan CS. Een kijkje in de keuken van de LCI in 2011. Infectieziektebulletin. 2012;23(9).
  2. Haeseker M, Hira V, van Waardenburg D, Heijman K, Hendriks T, van Zijderveld F. Late diagnose en therapie van infantiel botulisme. Infectieziektebulletin. 2013;24(7).
  3. Swaan CM, van Ouwerkerk IM, Roest HJ. Cluster of botulism among Dutch tourists in Turkey, June 2008. Euro Surveill. 2010;15(14).
  4. Friesema IH, de Jong AE, Fitz James IA, Heck ME, van den Kerkhof JH, Notermans DW, et al. Outbreak of Salmonella Thompson in the Netherlands since July 2012. Euro Surveill. 2012;17(43):20303.
  5. Richtlijn Hantavirusinfectie; LCI-richtlijnen Infectieziektebestrijding; http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Professioneel_Praktisch/Richtlijnen/Infectieziekten/LCI_richtlijnen/LCI_richtlijn_Hantavirusinfectie, accessed on August 14th 2013. l.
  6. http://www.cdc.gov/hantavirus/outbreaks/yosemite-national-park-2012.html, accessed on 14th of August 2013.
  7. http://www.rivm.nl/Bibliotheek/Algemeen_Actueel/Nieuwsberichten/2012/Advies_deskundigenberaad_Schmallenbergvirus, accessed on August 14th 2013.
  8. Reusken C, van den Wijngaard C, van Beek P, Beer M, Bouwstra R, Godeke GJ, et al. Lack of evidence for zoonotic transmission of Schmallenberg virus. Emerg Infect Dis. 2012;18(11):1746-54.
  9. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brieven/2012/06/15/advies-deskundigenberaad-vre.html, accessed on August 14th 2013.
  10. Luttikholt S, Moll L, van den Brom R, van Engelen E, Mensink C, Vellema P. Een meting van de seroprevalentie van Chlamydia abortus bij schapen en geiten in Nederland 2011. GD eindrapportage project 2080039 EL&I. 2012.
  11. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brieven/2012/07/23/advies-deskundigenberaad-zoonosen-over-chlamydia-abortus.html, accessed on August 14th 2013.
  12. Fournet N, Deege MP, Urbanus AT, Nichols G, Rosner BM, Chalmers RM, et al. Simultaneous increase of Cryptosporidium infections in the Netherlands, the United Kingdom and Germany in late summer season, 2012. Euro Surveill. 2013;18(2).
  13. Bermingham A, Chand MA, Brown CS, Aarons E, Tong C, Langrish C, et al. Severe respiratory illness caused by a novel coronavirus, in a patient transferred to the United Kingdom from the Middle East, September 2012. Euro Surveill. 2012;17(40):20290.

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / Dagelijkse advisering en respons in de praktijk van de LCI in 2012

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu