RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Zoönozel? Onderzoek naar hygiëne en infectiepreventie op kinder- en zorgboerderijen in de regio Amsterdam

H. Kok, A. Tolsma Eind 2010 en in 2011 heeft de GGD Amsterdam onderzoek gedaan naar hygiëne en infectie- preventie bij kinder- en zorgboerderijen in de regio. Het onderzoek bij kinderboerderijen richtte zich op de vragen of en hoe de hygiënerichtlijnen voor publieksvoorzieningen 2009 van het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (LCHV) geïmplementeerd zijn; wat de hygië- nestatus is op kinderboerderijen en welke factoren een betere hygiëne en infectiepreventie belemmeren. Bij zorgboerderijen werd onderzocht of er behoefte is aan een eenduidige hygiënerichtlijn, welke onderdelen hierin zouden moeten worden opgenomen, hoe deze zouden moeten worden geïmplementeerd en wat de hygiënestatus is.

Methode

Voor het onderzoek werden 8 kinderboerderijen (waarvan één in een dierentuin) en zorgboerderijen (waaronder 3 gecombineerde kinder-/zorgboerderijen) geselecteerd en aangeschreven per brief. De onderzoeksgroep werd zodanig samengesteld dat een zo groot mogelijke diversiteit verkregen werd. Gekeken werd naar de grootte van kinder- zorgboerderijen, voorzieningen, dieren, keurmerken/ aansluiting bij de Vereniging Samenwerkende Kinderboerderijen Nederland (vSKBN) of Landzijde, (zorginstelling in Noord-Holland gericht op samenwerking van zorgboerderijen) en de geografische ligging. Er werden in de regio Amsterdam en omstreken 19 kinderboerderijen en 18 zorgboerderijen gevonden. Of dit aantal klopt, is onbekend omdat er geen centraal registratiesysteem is. Vier van de 18 zorgboerderijen hadden ook een kinderboerderijfunctie. De cliënten van de zorgboerderijen waren voornamelijk ouderen en mensen met een verstandelijke beperking. Twee hygiëneadviseurs voerden de inspecties uit bij de kinder- en zorgboerderijen en namen vragenlijsten bij de medewerkers af. De basis voor de vragenlijsten was de Checklist Publieksvoorzieningen van het LCHV. Deze werd aangevuld met vragen uit onder andere de checklist van de vSKBN en het keurmerk Zoönosen van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD).
De gegevens werden in een excelbestand gezet, waarbij de ja-antwoorden op gesloten vragen 1 punt kregen en de nee-ant- woorden 0 punten; vragen die niet van toepassing waren op een locatie werden niet meegeteld. Voor elke locatie werd per onderwerp een percentage berekend uit het behaalde aantal punten versus het maximaal te behalen aantal punten. Deze percentages werden gebruikt om vergelijkingen tussen de verschillende kinder- en zorgboerderijen te maken. De percenta- ges werden niet gebruikt om een waardeoordeel te geven over de kinder- en zorgboerderijen omdat de vragen per onderwerp niet allemaal even relevant waren met betrekking tot hygiëne en infectiepreventie.  Na afloop van het onderzoek ontvingen de medewerkers van de bezochte boerderijen een rapport en een lijst met specifieke, belemmerende factoren ten aanzien van hygiëne en infectiepre- ventie. Nadien werd telefonisch contact opgenomen om na te gaan of de informatie duidelijk was en of er nog vragen waren. Verder zijn de onderzoeksresultaten en aanbevelingen aan een aantal relevante organisaties, zoals de gemeenten en stadsdelen uit de regio Amsterdam, de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) en het Platform Kinderboerderijen gepresenteerd.

Resultaten en bespreking

Resultaten kinderboerderijen

Implementatie richtlijnen

Bij geen van de kinderboerderijen was men bekend met de hygiënerichtlijnen van het LCHV. De onderzoekers weten niet op welke wijze de LCHV zijn hygiënerichtlijnen communiceert. Zoekopdrachten op het internet naar hygiëne en zoönosen op kinderboerderijen leverden pas op de derde pagina een link naar het LCHV op. De Code voor kinderboerderijen van de NVWA uit
2004 was bij de medewerkers van één kinderboerderij bekend.

Hygiënestatus

Kinderboerderijen die het vSKBN-keurmerk hadden of bezig waren dit keurmerk te behalen en kinderboerderijen met het keurmerk Zoönosen van de GD, scoorden hoger ten aanzien van de belangrijkste voorzieningen (tabel 1) dan kinderboerderijen zonder enig keurmerk. De kinderboerderijen die niet aangesloten
waren bij de vSKBN en geen enkel keurmerk hadden, scoorden het laagst.

Factoren die goede hygiëne en infectiepreventie belemmmeren:

  • Op 4 kinderboerderijen was er op de strategische plaatsen (uitgang, eetvertrek) geen mogelijkheid om de handen te wassen. Het was niet mogelijk om een betrouwbaar beeld te krijgen van de handhygiëne van bezoekers en personeel.
  • Op 7 kinderboerderijen werd geen voorlichting gegeven aan medewerkers over hygiënisch werken in relatie tot zoönosen.; bij 5 kinderboerderijen was geen vaccinatiebeleid voor medewerkers; en bij 7 kinderboerderijen ontbrak het protocol ten behoeve van de registratie van ziekmeldingen;
  • Vier van de 8 kinderboerderijen hadden geen kadaverton of aparte diepvries voor kadavers. De onderzoekers vonden een dood konijn in een diepvries voor levensmiddelen in een keuken waar ook door kinderen gekookt werd; op een andere kinderboerderij werden de kadavers begraven in de schooltuin; op een kinderboerderij werden placenta’s door medewerkers afgevoerd in een plastic zak in hun fietstas.
  • Op 3 van de 8 kinderboerderijen waren op het moment van het onderzoek de dieren niet gevaccineerd tegen Q-koorts terwijl dat wel verplicht is.
  • Op 5 van de 8 kinderboerderijen was geen mestopruimbeleid; op 4 kinderboerijen was de mestopslag direct toegankelijk voor bezoekers.
  • Bij 3 kinderboerderijen was geen quarantaineverblijf voor zieke dieren. De quarantaineverbllijven varieerden van een gewone stal met tussenschot tot een volledig apart gelegen stal met handenwasgelegenheid en persoonlijke beschermingsmiddelen.
  • Zes kinderboerderijen hanteerden geen regels met betrekking tot de persoonlijke hygiëne van medewerkers tijdens het werken met zieke dieren.
  • Zes kinderboerderijen hanteerden geen regels met betrekking tot de persoonlijke hygiëne van medewerkers tijdens het werken met zwangere, werpende of bevallen dieren. Op 3 kinderboerderijen was een zandbak aanwezig; 2 hiervan waren toegankelijk voor dieren.

Bespreking kinderboerderijen

De resultaten geven een mogelijke relatie aan tussen het hebben van een keurmerk en een betere uitvoering van hygiëne- en infectiepreventiemaatregelen. 

De factoren die het hygiëne- en infectiepreventiebeleid bemoeilijken hebben in de eerste plaats te maken met de wet- en regelgeving voor kinderboerderijen. De Code voor Hygiëne op kinder- boerderijen van de vSKBN heeft geen wettelijke basis; er is geen verplichting tot het behalen van een keurmerk of het aansluiten bij een branchevereniging; er zijn grote verschillen qua voorwaarden waaraan voldaan moet worden tussen de keurmerken en grote verschillen in kosten; informatie over actuele wet- en regelgeving bereikt de kinderboerderijen niet of te laat en er is nauwelijks controle op de uitvoering van relevante maatregelen. Hoewel het keurmerk van de vSKBN het meest uitgebreid is, is er volgens de onderzoekers geen enkel keurmerk waarin álle relevante onderwerpen met betrekking tot hygiëne en infectiepreventie voldoen- de zijn uitgewerkt. In de tweede plaats is de ontbrekende kennis over hygiëne en infectiepreventie bij de medewerkers op de boerderijen een belemmerende factor voor het voeren van effectief beleid. Op de helft van de kinderboerderijen werken vaste medewerkers zonder relevante opleiding of ervaring, waardoor er weinig kennis en bewustzijn is van de risico’s op en de overdracht van zoönosen. Daarnaast werken er veel wisselende vrijwilligers (ook kinderen) en zal kennisoverdracht door niet-opgeleide medewerkers op de vrijwilligers beperkt blijven.

IB2408p235 tabel1

Klik op de afbeelding voor weergave van de tabel in pdf

Resultaten zorgboerderijen

Implementatie richtlijnen

De medewerkers van 2 zorgboerderijen hadden behoefte aan een eenduidige hygiënerichtlijn met betrekking tot voedselveiligheid.

Hygiënestatus

De zorgboerderijen met een keurmerk scoorden hoger ten aanzien van de belangrijkste voorzieningen voor hygiëne en infectiepreventie. (Tabel 2) De zorgboerderijen zonder keurmerk en aansluiting bij de branchevereniging en zonder medewerkers met
een relevante opleiding, scoorden het laagst.

Factoren die goede hygiëne en infectiepreventie belemmeren

  • Knelpunten op het gebied van voedselveiligheid: 4 zorgboerde- rijen volgden geen hygiënecode; 7 zorgboerderijen controleer- den de temperatuur van de koelkast niet; op een zorgboerderij werd rauwe melk geserveerd aan de cliënten; bij meerdere zorgboerderijen stonden onafgedekte producten, waaronder beschimmelde producten, in de koelkast; bij 2 zorgboerderijen grensde de eetgelegenheid buiten aan de dierverblijven.
  • Bij 5 zorgboerderijen was het risico op mogelijke zoönosen niet geïnventariseerd en bij zes zorgboerderijen waren de verschil- lende besmettingswegen niet in kaart gebracht.
  • Bij 2 zorgboerderijen was geen RI&E uitgevoerd.
  • Bij 5 zorgboerderijen werden aan cliënten geen instructies gegeven met betrekking tot risico’s op zoönosen en besmettingswegen.
  • Bij de helft van de zorgboerderijen was er geen beleid voor zwangere medewerkers en cliënten.
  • Bij 2 zorgboerderijen was er geen vaccinatiebeleid voor medewerkers en cliënten van de zorgboerderijen.
  • Op 3 zorgboerderijen waren geen werkinstructies of huisregels voor hygiënisch werken
  • Op 2 zorgboerderijen was geen protocol voor ziekmeldingen
  • Op twee zorgboerderijen was geen vaccinatie tegen Q-koorts uitgevoerd terwijl dit wel verplicht was.
  • Op 3 zorgboerderijen was geen kadaverton aanwezig, hier werden de kleine kadavers meegegeven met het vuilnis of begraven in de tuin.
  • Bij de helft van de zorgboerderijen was geen handenwas- gelegenheid op een strategische plaats.
  • Op alle zorgboerderijen waren, naast de cliënten ook bezoekers welkom vanwege de aanwezigheid van een kinderboerderij of omdat er extra activiteiten werden georganiseerd zoals lammetjesaaidagen.
  • Op 5 zorgboerderijen hadden zowel clienten als bezoekers toegang tot de mestopslag.
  • Op 6 zorgboerderijen was geen informatie voor bezoekers beschikbaar met betrekking tot het wassen van de handen.
  • Op 3 zorgboerderij konden de schapen/geiten niet gescheiden aflammeren. Men bleek niet op de hoogte te zijn dat dit op boerderijen met een publieksfunctie verplicht is gesteld. Landzijde bleek hiervan ook niet op de hoogte te zijn.
  • Op 5 zorgboerderijen zijn geen afspraken gemaakt over hoe men hygiënisch omgaat met hulpmiddelen zoals rollators en rolstoelen.

IB2408p236 tabel2
Klik op de afbeelding voor een grote weergave van de tabel in pdf

Bespreking zorgboerderijen

De resultaten geven een mogelijke relatie aan tussen het hebben van een keurmerk en een ’betere’ uitvoering van hygiëne en infectiepreventie. De hygiënestatus op de zorgboerderijen met de laagste scores wordt door de onderzoekers zorgelijk gevonden vanwege een reëel risico op zoönosen, vooral omdat er geen enkele controle is op kwaliteit zolang men niet aangesloten is bij de Federatie Landbouw en Zorg (FL&Z). Uit het onderzoek komt ook naar voren dat het ontbreken van een eenduidige informatiestroom vanuit de overheid naar de zorgboerderijen van invloed is op de hygiënestatus. Daarnaast bleek tijdens het onderzoek dat de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) die wordt gebruikt in het keurmerk FL&Z onvoldoende onderdelen bevat op het gebied van hygiëne en infectiepreventie.

Aanbevelingen

Kinderboerderijen

  • LCHV-hygiënerichtlijnen voor publieksvoorzieningen: aanpas- sen tot bruikbare instrumenten ten behoeve van de uitvoering van de Wet publieke gezondheidstaken door GGD’en.
  • Inventarisatie van hygiënestatus van kinderboerderijen: om in kaart te brengen welke kinderboerderijen een risico vormen met betrekking tot de overdracht van zoönosen.
  • Relevante opleiding van medewerkers: inventariseren of hygiëne en infectiepreventie tijdens opleidingen voldoende aan bod komen; medewerkers scholen; subsidieverstrekking aan kinderboerderijen koppelen aan de eis van minstens één geschoolde medewerker per locatie.
  • Ontwikkelen van één praktisch keurmerk en het stimuleren van aansluiting bij de vSKBN: combineren van de bestaande keurmerken tot één praktisch uitvoerbaar keurmerk. Het aansluiten bij de vSKBN is belangrijk omdat kinderboerderijen dan goed traceerbaar zijn en makkelijk geïnformeerd kunnen worden tijdens een zoönosenuitbraak.
  • Instellen van één informatieloket met goede communicatielij- nen: om kinderboerderijen actief van nieuwe wet- en regelgeving te kunnen voorzien.

Zorgboerderijen

  • Uitwerken voedselveiligheid en HACCP (Hazard Analysis and Critical Control Points) in kwaliteitssysteem: de onderdelen voedselveiligheid en HACCP zullen moeten worden uitgewerkt in het kwaliteitssysteem van de FL&Z om de voedselveiligheid voor medewerkers, cliënten en bezoekers te waarborgen.
  • Inventarisatie zorgboerderijen: voor het gebruik door GGD’en zal een nog te ontwikkelen hygiënerichtlijn en checklist in het geval van een uitbraak, klacht of calamiteit een goed hulpmid- del kunnen zijn. Er zal een inventarisatie uitgevoerd moeten worden om alle zorgboerderijen te lokaliseren. Zorgboerderijen zullen dan goed traceerbaar zijn en makkelijk kunnen worden voorzien van informatie in geval van een calamiteit.
  • Stimuleren aansluiting FL&Z en behalen keurmerk: alle zorgboerderijen, ook die van zorgaanbieders, zouden gestimu- leerd moeten worden om zich aan te sluiten bij de FL&Z en om het keurmerk te behalen.
  • Uitbreiden van de RI&E: het onderdeel hygiëne en infectiepre- ventie van de RI&E van het Kwaliteitssysteem Zorgboerderijen zal moeten worden uitgebreid met onder andere het omgaan met ADL hulpmiddelen.
  • Opleiding: vergroten van kennis en bewustzijn bij medewerkers over zoönosen en humane infectieziekten.
  • Verbetering communicatielijnen: om zorgboerderijen op tijd van de juiste informatie te voorzien.

Conclusie

Zowel op kinder- als op zorgboerderijen lijkt men meer aan hygiëne- en infectiepreventie te doen als men in het bezit is van een keurmerk of in een traject zit om dit te behalen. Op een aantal kinder- en zorgboerderijen die geen keurmerk hebben en die niet aangesloten zijn bij een branchevereniging, vinden de hygiënead- viseurs de situatie zorgelijk en bestaat een reëel risico op over- dracht van zoönosen. Uit het onderzoek blijkt ook dat het ontbreken van een eenduidige wet- en regelgeving voor kinderboerderijen en eenduidige informatie vanuit de overheid naar de zorgboerderijen, van invloed is op de hygiënestatus.

Auteurs

H. Kok, A. Tolsma, GGD Amsterdam
Correspondentie: hkok@ggd.amsterdam.nl 

 

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / Zoönozel? Onderzoek naar hygiëne en infectiepreventie op kinder- en zorgboerderijen in de regio Amsterdam

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu