RIVM_Logo

Gesignaleerd - tot en met 24 mei 2012

Overzicht van bijzondere meldingen, clusters en epidemieën van infectieziekten in binnen- en buitenland

Binnenlandse signalen

 

Stand van zaken kinkhoest

Sinds begin dit jaar is er een opvallend hoog aantal kinkhoestgevallen. De verheffing is bijzonder, omdat die in de wintermaanden doorzette in plaats van een daling te laten zien, zoals in voorgaande jaren. Ook bijzonder is dat er kinkhoestepidemieën gemeld worden in andere delen van de wereld, zoals in Europa, Australië, de Verenigde Staten (VS) en Chili. De toename is het duidelijkst in de leeftijdscategorie van 8-12 jaar, 4-6 jaar na de boostervaccinatie op 4-jarige leeftijd. De vaccineffectiviteit neemt na deze periode dus af. In Australië en de VS (waar andere vaccinatieschema’s zijn) is dit ook geconstateerd. In 2004 is aangetoond dat de toename van kinkhoest in Nederland geassocieerd is met de P3-stam die meer pertussistoxine produceert. Deze stam is nu ook geassocieerd met de toename van kinkhoest in België, Israël en Australië. Momenteel worden stammen uit 2012 geanalyseerd om te onderzoeken of genetische veranderingen mede een verklaring kunnen zijn voor de huidige verheffing. De surveillance zal zich blijven focussen op de effectiviteit van het vaccin en het huidige vaccinatieschema, waarbij rekening wordt gehouden met de vele wijzigingen die hebben plaatsgevonden in het Rijksvaccinatieprogramma ten aanzien van kinkhoest. In Nederland worden kinderen ingeënt tegen kinkhoest wanneer ze 2, 3, 4 en 11 maanden zijn, en krijgen een booster op 4-jarige leeftijd. Ondanks dat het vaccin een infectie niet altijd kan voorkomen, verloopt de ziekte na een vaccinatie meestal milder.
(Bron: Osiris)

Intramurale verheffing van vancomycineresistente enterokokken

 
In het St. Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein werd in maart een vancomycineresistente enterokok (VRE) geïsoleerd bij 3 patiënten. De stammen waren genetisch niet van elkaar te onderscheiden. Twee patiënten werden op dezelfde afdeling verpleegd. Enkele weken later werd bij een vierde patiënt VRE gekweekt. Deze patiënt was opgenomen op de afdeling waar de twee andere patiënten werden verpleegd en was vóór het bekend worden van de bloedkweek overgeplaatst naar een andere afdeling. Op beide afdelingen werd screening verricht en op de eerste afdeling werden nog eens 4 verdachte patiënten gevonden. Er werd cohortverpleging ingesteld en er kwam een opnamestop. Omliggende ziekenhuizen en de GGD werden op de hoogte gebracht.
(Bron: St Antonius Ziekenhuis, Nieuwegein)

Klein kind met een Leishmania-infectie

Er werd een kind van 2 jaar oud gemeld met een viscerale vorm van leishmaniasis. Aanvankelijk werd gedacht aan leukemie of hemofagocytose vanwege aanhoudende koorts en pancytopenie, maar bij onderzoek bleek het beenmerg geïnfecteerd te zijn met Leishmania-parasieten. De diagnose werd gesteld met een Polymerase Chain Reaction (PCR). Bijzonder aan deze casus is dat het kind niet verder buiten Nederland was geweest dan België. De moeder was tijdens de zwangerschap in Italië en zou daar veelvuldig zijn gestoken door insecten. Zij werd serologisch onderzocht en bleek geen antistoffen te hebben. Dit sluit een infectie echter niet uit. Mensen kunnen geïnfecteerd raken met Leishmania sp. zonder antistoffen tegen de parasiet te maken en zonder symptomen te vertonen. Het hielprikmateriaal van het kind vlak na de geboorte bleek in de PCR bij herhaling negatief te zijn voor Leishmania sp. Dit sluit een congenitale infectie echter niet uit. De honden van het gezin werden ook onderzocht en waren serologisch negatief, maar ook bij honden die geen symptomen vertonen sluit een negatieve testuitslag een infectie niet uit. Het gezin woont in de buurt van een vliegveld met burger- en militaire vluchten. Het is onduidelijk gebleven of het een congenitale infectie was of dat er sprake is geweest van lokale transmissie uit een vooralsnog onbekende bron. Voor zover bekend komt de vector - een zandmugje (Phlebotomus sp.) - in Nederland niet voor.
(Bronnen: artsen-microbiologen en kinderartsen)

Thelazia callipaeda bij een hond

In maart en april 2012 is het Veterinair Microbiologisch Diagnostisch Centrum (VMDC) van de Universiteit Utrecht viermaal benaderd door dierenartsen die wormen of larven hadden gevonden in ogen van honden met ooginfecties. Determinatie van naar het VMDC gestuurde wormen toonde in alle gevallen volwassen Thelazia callipaeda aan. De 4 gevallen werden door verschillende dierenartsen gemeld en waren afkomstig uit verschillende delen van Nederland. In alle gevallen bleek de hond in de zomer van 2011 in Zuid-Frankrijk, Noord-Spanje of Italië geweest te zijn, waar de infectie mogelijk werd opgelopen. Thelazia callipaeda is een nematode die infecties van het oog kan veroorzaken in mensen, carnivoren (waaronder hond, kat en vos) en konijnen. De verschijnselen bij deze eindgastheren variëren van mild tot ernstig. Thelazia callipaeda wordt overgebracht door fruitvliegjes die zich voeden met traanvocht. De larven komen in het oog terecht van de eindgastheer en ontwikkelen zich binnen ongeveer 1 maand tot volwassen wormen (grootte: 4-6 mm). Humane infecties met Thelazia callipaeda komen voornamelijk voor in Azië, maar zijn ook verschillende keren beschreven in Europa, waaronder Frankrijk en Italië. In Nederland zijn tot nu toe alleen enkele gevallen bij geïmporteerde honden beschreven.
(Bron: Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht)

Salmonella-uitbraak in de omgeving van Deurne (vervolg)

Vanaf half maart tot en met eind april 2012 zijn meer dan 65 patiënten met een Salmonella enterica-infectie gemeld bij de GGD Brabant-Zuidoost. De meeste patiënten woonden in Deurne en omgeving. Ongeveer de helft was (kortdurend) opgenomen geweest in het ziekenhuis of behandeld door een specialist. De patiënten hadden vooral klachten van (bloederige) diarree, buikpijn, misselijkheid, braken en soms koorts. Er werden ongeveer evenveel mannen als vrouwen ziek. De leeftijd varieerde van 2 tot 91 jaar.
De GGD heeft in samenwerking met de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) gezocht naar de mogelijke bron. Alle patiënten en een aantal steekproefsgewijs geselecteerde gezonde mensen kregen een vragenlijst toegestuurd. Uit de antwoorden bleek dat er geen grote verschillen waren tussen beide groepen wat betreft gegeten producten en/of de winkels waar men zijn inkopen had gedaan. Een lokale slager werd wel wat vaker genoemd door de patiënten. In overleg met de NVWA werden bij deze slager monsters genomen en onderzocht op Salmonella. Ook vlees uit de diepvries van enkele mensen die ziek waren geweest werd onderzocht. Bij een portie gehakt uit de diepvries van een patiënt kon een Salmonella worden aangetoond, die niet te onderscheiden was van de Salmonella die bij de patiënten was gevonden. Echter, gehakt kwam niet als een risicoproduct uit de casecontrole-analyse. Inmiddels is het aantal nieuwe meldingen van Salmonella-infecties uit de regio Deurne sterk afgenomen. De epidemie lijkt hiermee voorbij.
(Bron: GGD Brabant-Zuidoost)

Twee patiënten met een Yersinia pseudotuberculosis-infectie

Recent zijn 2 patiënten gediagnosticeerd met een Yersinia pseudotuberculosis-infectie. In februari kwam patiënt 1 naar de eerstehulpafdeling met hevig krampende pijn in de gehele buik, zonder diarree. Op grond van een sterk afwijkend echografisch beeld werd een infectie vermoed en werd fecesonderzoek gedaan en een Yersinia-kweek. Er werd bij herhaling Y. pseudotuberculosis geïsoleerd. De patient werkte als vrijwilliger bij een vogelopvangcentrum. Het is nog onbekend of de vogels dragers waren. Begin mei meldde patiënt 2 zich op de eerstehulpafdeling met acute buikpijn. Omdat de oorzaak van de klachten leek op een appendicitis werd een CT-scan van de buik gemaakt. Op de scan was een ileitis terminalis te zien met lokaal enkele gezwollen lymfklieren. In 2 feceskweken werd Y. pseudotuberculosis gevonden aan. De besmettingsroute is niet duidelijk geworden. Er hebben zich geen andere mensen uit de omgeving gemeld met dezelfde klachten. De patiënt herstelde spontaan.
Tot het genus Yersinia behoren vele species (onder andere Y. pestis) die bij verschillende dieren voorkomen, waaronder vogels en knaagdieren, maar ook bij mensen infecties kunnen veroorzaken. De humaan pathogene Yersinia-soorten zitten vooral in lymfeklierweefsel. De gastro-intestinale infecties door Y. pseudotuberculosis (en sommige Y. enterocolitica-varianten) presenteren zich veelal als een appendicitisachtig ziektebeeld met een mesenteriale lymfadenitis als substraat. Het is aan te bevelen bij om bij een dergelijk ziektebeeld, ook zonder dat er sprake is van diarree, een specifieke kweek in te zetten voor Y. pseudotuberculosis of een voor Y. pseudotuberculosis-specifieke PCR te gebruiken.
(Bronnen: artsen-microbiologen)

Buitenlandse signalen

 

Q-koortsuitbraak in Servië

In het dorp Nocaj in Servië was een Q-koortsuitbraak. In de periode 27 januari-10 februari werden 43 patiënten met Q-koorts gemeld, waarvan er 37 door het laboratorium bevestigd werden. Het onderzoek naar de oorzaak loopt nog en de meest waarschijnlijke besmettingsroute is inhalatie van besmette stof en/of aerosolen geweest. Het weer in januari was ongewoon droog en winderig, gevolgd door zware sneeuwval in februari hetgeen misschien nieuwe besmettingen heeft voorkomen. Echter, direct contact met vee of andere oorzaken kunnen op dit moment nog niet uitgesloten worden. Er zijn 207 schapen, geiten en runderen van patiënten en hun buren getest. Eén schaap was seropositief, maar de vaginale swab was negatief.
(Bron: Eurosurveillance)

Brucellose in een rund in Frankrijk

In Haute-Savoie, Frankrijk, is Brucella melitensis biovar 3 in melk aangetroffen op een veehouderij. Alle runderen op de boerderij zullen worden geruimd en bedrijven die mogelijk contact gehad hebben met het besmette bedrijf worden onderzocht. Ook worden alle producten van deze boerderij die van rauwe melk zijn gemaakt, teruggehaald. In Frankrijk waren sinds 2003 geen veterinaire gevallen van Brucella melitensis of Brucella abortus meer geweest. Eerder dit jaar werd in België op een rundveehouderij Brucella abortus aangetroffen en na screening van bedrijven die mogelijk contact hadden gehad met het besmette bedrijf werden nog 3 bedrijven positief bevonden. In België waren in 2010 2 runderen op één boerderij positief voor Brucella abortus.
(Bron: Promed)

Uitbraken van monofasische Salmonella Enterica met diepgevroren knaagdieren als bron

Er zijn 2 uitbraken geweest van humane monofasische Salmonella enterica waarbij de bron reptielenvoer bleek te zijn dat bestond uit diepgevroren knaagdieren. Eén uitbraak was in Groot-Brittannië in 2009, de andere in de VS in 2010. De knaagdieren konden worden herleid naar een groothandel in de VS. Hierop volgde een terughaalactie.
(Bron: Centers for Disease Control and Prevention)

Mazelenepidemie in de VS: vooral geimporteerd

Mazelen komt nog regelmatig voor in de VS. Gedurende 2011 werden er in de VS 222 mazelengevallen en 17 uitbraken gemeld, een toename vergeleken met de voorgaande 10 jaar. Van de 222 patiënten was 90% besmet in het buitenland. De meeste patiënten (86%) waren niet gevaccineerd, of hadden een onbekende vaccinatiestatus. In Nederland waren er 15 mazelengevallen in 2010 en 51 in 2011. Van deze 66 patiënten werden er 27 (41%) hoogstwaarschijnlijk in het buitenland besmet. Hiervan waren er 21 (32%) niet gevaccineerd en 2 (3%) hadden een onbekende vaccinatie-status. Van de 21 ongevaccineerde patiënten waren er 17 die op grond van hun leeftijd wel in aanmerking zijn geweest voor vaccinatie binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) (>14 maanden en geboren na 1975).
In een artikel gepubliceerd door The Lancet worden resultaten weergegeven van een evaluatie van de doelstelling van de World Health Organization (WHO) om in 2010 een reductie in mazelenmortaliteit te bewerkstelligen ten opzichte van 2000. In 2000 overleden wereldwijd ongeveer 535.300 mensen aan mazelen. Dit aantal was in 2010 teruggebracht naar ongeveer 139.300. De mazelenmortaliteit verminderde met meer dan 75% in alle WHO-regio’s, behalve in de regio Zuidoost-Azië. Van alle (wereldwijd)geschatte mazelenpatiënten overleed in 2010 47% in India en 36% in Afrika.
(Bronnen: Centers for Disease Control and Prevention, The Lancet, Osiris)

Amerikaanse soldaat met rabiës

Een Amerikaanse soldaat liep rabiës op in Afghanistan. Ondanks experimentele therapie overleed hij. In liquor en speeksel werden antistofffen tegen rabiësvirus gevonden en viraal ribonucleinezuur (RNA). Een Afghaanse virusvariant kon worden geïdentificeerd. De patiënt was ruim 8 maanden tevoren in Afghanistan door een hond gebeten. Hij was voor vertrek niet gevaccineerd en had geen adequate postexpositieprofylaxe (PEP) gekregen. Rondom deze patiënt werden 190 personen geïdentificeerd die met hem in contact waren geweest. Dertien van hen kregen PEP toegediend.

Deze casus laat zien hoe belangrijk het is om direct medische hulp in te roepen als iemand in een gebied waar rabiës voorkomt, gebeten wordt door een dier.
(Bron: Morbidity and Mortality Weekly Report, Centers for Disease Control and Prevention)

Auteur


E. Fanoy, Centrum Infectieziektebestrijding, RIVM, Bilthoven

Correspondentie:

E. Fanoy | ewout.fanoy@rivm.nl

 


IB cover

Download

Gerelateerde onderwerpen

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / Juni 2012 / Gesignaleerd - tot en met 24 mei 2012

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu