RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Een zwangere vrouw zonder aantoonbare antistoffen tegen rodehond, wat nu?

De Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM ontvangt met regelmaat vragen over de screeningsresultaten op rubella bij zwangere vrouwen: wat te doen als een vrouw te weinig antistoffen tegen rubella heeft?

Wat is rubella?

Rubella of rodehond is een besmettelijke vlekjesziekte die wordt veroorzaakt door een virus. De ziekte heeft meestal een mild verloop. Wanneer vrouwen die niet beschermd zijn in de eerste helft van de zwangerschap rubella doormaken bestaat het risico op aangeboren afwijkingen bij de baby. Een primaire rubella-infectie in de eerste 4 weken van de zwangerschap geeft een grote kans op het congenitale rubellasyndroom (CRS) (± 80%). Dat kan zich uiten in onder meer doofheid, cataract, cardiale afwijkingen, pulmonaal hypoplasie en aandoeningen van het centrale zenuwstelsel. De kans op klinische afwijkingen neemt af naarmate de zwangerschap vordert (bij 13-16 weken zwangerschap ± 10%). In de tweede helft van de zwangerschap is de incidentie van rubellageassocieerde afwijkingen minder dan 2%.

Vanaf 1974 is vaccinatie tegen rubella opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP): eerst alleen voor meisjes, en vanaf 1987 als onderdeel van de BMR-vaccinatie voor alle kinderen. Omdat de meeste kinderen worden ingeënt komt de ziekte in Nederland niet veel meer voor.

Wat is het rubellascreeningsbeleid tijdens de zwangerschap?

Er is geen landelijk, uniform screeningsbeleid voor rubella. Het Nederlands Huisartsen Genootschap adviseert bepaling van de rubellatiter na het eerste consult in de zwangerschap alléén voor vrouwen van wie het onwaarschijnlijk of onzeker is dat zij in het verleden gevaccineerd zijn, zoals buitenlandse vrouwen. Zwangere vrouwen die tegen rubella zijn gevaccineerd moeten als voldoende beschermd worden beschouwd. Voor die vrouwen is rubellascreening in de zwangerschap niet nodig.

De beoordeling van de uitslag van een screeningstest

Een rubellatestuitslag met een IgG-waarde van 20 IU/ml of hoger, geldt als voldoende bescherming. Bij lagere waarden is de interpretatie afhankelijk van wat het laboratorium aangeeft of wordt dit overlegd met de microbioloog.

Indien de vaccinatie lang geleden is gegeven en er geen boostering door natuurlijke blootstelling heeft plaatsgevonden, zakt de antistoftiter. De hoogte van de gemeten titer zegt dus eigenlijk weinig over het aanwezige immunologische geheugen. Wanneer een screening is uitgevoerd op routinebasis en negatief blijkt te zijn, is het beleid om alsnog na te gaan of de vrouw ooit gevaccineerd is. Zo ja, dan kan zij als beschermd worden beschouwd. Seroconversie treedt na vaccinatie op bij 98-100% van de gevaccineerden. De beschermende werking van vaccinatie bedraagt 95-97%. De bescherming houdt lang aan door een memory effect. Als de vrouw niet eerder werd gevaccineerd is er een indicatie voor bof/mazelen/rodehond (BMR)vaccinatie als zij in de toekomst weer zwanger wil worden. Na afloop van de zwangerschap, kan alsnog gevaccineerd worden. Zwangere vrouwen die contact hebben gehad met iemand met rodehond en waarvan het niet duidelijk is of zij gevaccineerd zijn tegen rodehond moeten contact opnemen met de verloskundige, gynaecoloog of huisarts.

Auteur

T. Oomen, Centrum Infectieziektebestrijding, RIVM, Bilthoven

Correspondentie:

T. Oomen| Ton.Oomen@rivm.nl

Literatuur

  1. LCI-richtlijn Rubella
  2. NHG-standaard M32
  3. Zwangerschap en rubella, FAQ voor profesionals RIVM. http://www.rivm.nl/Onderwerpen/Ziekten_Aandoeningen/R/Rubella/Rubella_en_zwangerschap/FAQ_professionals

 


Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / Februari 2012 / Een zwangere vrouw zonder aantoonbare antistoffen tegen rodehond, wat nu?

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu