U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › Professioneel Praktisch › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Zesde ziekte
In de jaren tachtig werd een tot dan toe onbekend virus in B-lymfocyten aangetroffen bij patiënten met een lymfoproliferatieve aandoening. Men noemde dit virus aanvankelijk het humaan B-lymfotroop virus (HBLV). [1] Het virus behoorde tot de familie van herpesvirussen en was de zesde in deze rij. Het verkreeg daarmee de naam: humaan herpesvirus type 6 (HHV-6). [2] Uiteindelijk bleken er twee varianten voor te komen: HHV-6A en HHV-6B. [3]
In 1988 werd het virus geassocieerd met een al langer bekende huidaandoening [4]: de klassieke ‘zesde kinderziekte’, ook wel exanthema subitum of roseola infantum genoemd (de zesde kinderziekte, na mazelen, roodvonk, rubella, waterpokken en erythema infectiosum). [5] In 1990 werd nog een herpesvirus ontdekt, het zevende (HHV-7), dat ook de zesde ziekte kan veroorzaken.[6-9]
De humane herpesviridae bestaan uit ten minste acht leden. Gebaseerd op genetische analyse van het structuureiwit gH, worden de herpesvirussen verdeeld in drie subfamilies namelijk alfa, bèta en gamma. Het zesde herpesvirus behoort, net als het cytomegalovirus (CMV) en HHV-7, tot de subfamilie van de bèta-herpesviridae en het bevat een dubbelstrengs DNA (159 kbp) met envelop.[10-12] Het virus heeft een grote affiniteit met het zenuwweefsel en lymfocyten.
Na de transmissie infecteren HHV-6A en HHV-6B beiden bij voorkeur CD4+-T-lymfocyten. Ook CD8+-T-lymfocyten, B-lymfocyten en andere cellijnen worden geïnfecteerd, zoals epitheelcellen, fibroblasten en cellen van neurale oorsprong. [13-15] Gedurende de primaire infectie is het virus vooral aanwezig in lymfocyten, daarna met name in monocyten/macrofagen. Het virus veroorzaakt cytolyse, waarna de celinhoud naar buiten komt. De stoffen die hierbij vrijkomen, veroorzaken de koorts en huiduitslag. HHV-6B en HHV-7 kunnen beiden het ziektebeeld exanthema subitum veroorzaken.HHV-6A lijkt een rol te spelen bij congenitale transmissie van het virus door middel van chromosomaal geïntegreerd HHV-6 (CIHHV-6). [10, 16-18] Ongeveer 1% van de populatie in de Verenigde Staten en een iets kleiner percentage in een aantal andere landen heeft CIHHV-6. [19, 20] Hieruit worden waarschijnlijk pathogene virusdeeltjes geproduceerd, maar de klinische consequenties hiervan zijn nu nog onbekend. [16,17]
De incubatieperiode is gemiddeld 10 dagen, spreiding 5-14 dagen. [10, 21,22]
De ziekteverschijnselen bestaan uit drie stadia:
Reactivatie van HHV-6 kan ook voorkomen, gewoonlijk bij immuno-incompetente atiënten (zoals patiënten na een beenmerg- of orgaantransplantatie, patiënten met hiv of patiënten met kanker die chemotherapie ondergaan). Ook bepaalde geneesmiddelen (zoals carbamazepine, fenytoïne, fenobarbital, zonisamide, allopurinol, salazosulfapyridine, diafenylsulfon en mexiletine) kunnen een reactivatie van HHV-6 uitlokken met klinische symptomen als koorts, rash, leucocytose, hepatitis of nierfalen. [27]
Na transplantatiekan HHV-6 (hoge) koorts, huiduitslag, pneumonie, encefalitis en beenmergsuppressie veroorzaken. Bij transplantatiepatiënten begint de ziekte gewoonlijk 2 tot 4 weken na de transplantatie. Deze kan enerzijds ontstaan door farmacologisch geïnduceerde immunosuppressie met reactivatie van een bestaande HHV-6 infectie, anderzijds door donatie van een HHV-6-besmet orgaan aan een seronegatieve ontvanger. [10,28].Verder worden bepaalde neurologische ziektes als een subtype van MS en Guillain-Barré met HHV-6A, en encefalitis met HHV-6B in verband gebracht. Hierbij speelt het gebruik van bepaalde medicijnen mogelijk een rol, maar hiervoor bestaat nog onvoldoende bewijs. [29-31]Ook reactivatie bij ouderen is beschreven. [32]
Vooral bij patiënten met een stoornis in de cellulaire immuniteit (bijvoorbeeld bij maligne proliferatieve ziekten, SLE, virale infecties (hiv, virale hepatitis), gebruik van bepaalde immunosuppressiva (glucocorticosteroïden, ciclosporine, cyclofosfamide, methotrexaat, antithymocytenglobuline). Er is geen significant verband tussen HHV-6-infectie in de zwangerschap en abortus of vroeggeboorte. [33]
Na de primaire infectie worden antistoffen gevormd die beschermen tegen een re-infectie. Het doormaken van een infectie met HHV-6 geeft geen bescherming tegen HHV-7 maar omgekeerd kan een HHV-7-infectie wel een latente HHV-6-infectie reactiveren. [34] Een tweede episode van exanthema subitum is zeldzaam. Op tweejarige leeftijd is meestal seroconversie opgetreden na doormaken van HHV-6, op vijf- of zesjarige leeftijd na het doormaken van HHV-7. Een primaire infectie op oudere leeftijd lijkt meer complicaties te geven: HHV-6B wordt geassocieerd met mononucleosis [35] en HHV-7 met encefalitis en een slappe paralyse. [36]
Een primaire infectie of reactivatie van HHV-6 is aantoonbaar
door PCR of gepaarde serologie (IgG-titerstijging). Dit is echter
geen routinediagnostiek.
Er is in de publichealthpraktijk zelden een indicatie voor
diagnostiek van HHV-6, aantonen van primaire infectie of
reactivatie is vooral relevant bij onbegrepen klachten of koorts
bij personen met een immuundeficiëntie.
Infectie met HHV-7 is aantoonbaar door PCR, deze test is slechts in
enkele centra in Nederland beschikbaar. Ook hier geldt dat er in de
publichealthpraktijk zelden een indicatie is voor diagnostiek.
Geadviseerd wordt om bij het aanvragen van diagnostiek vooraf met
de arts-microbioloog te overleggen over de indicatie, testmethode
en afname van de monsters.
De mens.
Besmetting door HHV-6 en HHV-7 kan optreden via speeksel, placenta, bloedtransfusie en/of orgaandonatie.
Horizontale transmissie via speeksel lijkt, in ieder geval voor HHV-6B en HHV-7, de meest voorkomende route van verspreiding te zijn. [9, 10] Hierbij wisselt het aantal virusdeeltjes afhankelijk van de conditie van de drager. Sporadisch is ook HHV-6A in speeksel aangetroffen.Verticale transmissie vindt hoofdzakelijk plaats (86%) door overerving en integratie van het virus in het menselijke genoom en in mindere mate doordat het virus de placenta kan passeren. [7, 16-18, 20, 23, 38-40] Congenitale infectie wordt geschat op 1-2% van de kinderen en komt vaak symptoomloos voor; gevallen van epilepsie met en zonder koorts zijn beschreven. [9,10,12,19]Nosocomiale/iatrogene transmissie vindt plaats bij bloedtransfusie of orgaandonatie. [41]
Het is onbekend hoe lang men in de acute fase besmettelijk is. Hierna blijft het virus latent aanwezig en de patiënt is potentieel levenslang besmettelijk.
De mate van besmettelijkheid tijdens de acute infectie en tijdens de hierna volgende latente fase is onbekend.
|
Te desinfecteren onderdeel |
standaardmethode |
|---|---|
|
Oppervlakken
|
niet van toepassing |
|
Instrumenten (speelgoed dat in de mond genomen kan worden: |
1.2 |
|
Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend):
|
niet van toepassing
|
|
Textiel |
niet van toepassing |
|
Intacte huid |
niet van toepassing |
|
Niet-intacte huid (wond) |
niet van toepassing |
|
Handen |
2.4.3.
|
Voor de primaire infectie alle kinderen in de leeftijdsgroep van 0 tot 2 jaar.
Beroepsrisico voor onderwijzeressen, leidsters van kindercentra en medisch personeel dat intensief contact heeft met patiënten in de besmettelijke fase van de infectie.
Het virus komt wereldwijd voor. In de VS, waar de sero-epidemiologie van HHV-6(A/B) goed is beschreven, zijn cumulatieve incidenties gevonden van 77% op de leeftijd van 2 jaar [24] en bij gezonde volwassenen in Japan van meer dan 90%. [42]Cijfers over HHBV-6A zijn tot nu toe nog niet bekend aangezien de differentiatie tussen A en B voorheen moeilijk was. Om nog onbekende redenen wordt de klinische diagnose exanthema subitum vaker gesteld in Japan dan in andere landen. [10] HHV-7 komt over de hele wereld voor, alleen in Japan zijn lagere seroprevalentiecijfers van HHV-7 zijn gevonden. [43, 44]
Gegevens over het voorkomen in Nederland zijn schaars, maar het voorkomen in Nederland zal overeenkomen met de VS, Japan en andere westerse landen. [10]
Een koortswerend middel zoals paracetamol is meestal voldoende bij een immunocompetente patiënt. Antivirale middelen als nucleoside-analoga (ganciclovir (GCV), pyrofosfaatanalogon (foscarnet) en cidofovir zijn in vitro effectief tegen HHV-6(A/B). GCV is op dit moment het medicijn van eerste keuze bij personen met een verhoogde kans op ernstig beloop. [20,45]
Nog niet ter beschikking.
Niet van toepassing.
Er zijn geen bijzondere hygiënemaatregelen nodig. Ouders/verzorgers van kleine kinderenen medewerkers van kindercentra dienen in het algemeen hun handen goed te wassen. Speelgoed dient schoon gemaakt te worden als gezien is dat het in de mond is geweest. Serviesgoed dient niet gedeeld te worden.
Niet nodig vanwege de hoge prevalentie van asymptomatische verspreiders in de algemene populatie. [39]
Niet nodig vanwege de hoge prevalentie van asymptomatische verspreiders in de algemene populatie. [39]
Niet nodig vanwege de hoge prevalentie van asymptomatische verspreiders in de algemene populatie.[39]In ziekenhuizen moet een patiënt die verdacht wordt van exanthema subitum bij voorkeur met barrièreverpleging worden verzorgd.[39] Alleen indien er sprake is van immuno-incompetente contacten dient barrièreverpleging altijd gehandhaafd te worden.
Geen.
9.5 Wering van werk, school, kinderdagverblijf en consultatiebureau
Niet nodig.
Geen.
Als zich in een instelling een of meerdere gevallen met klachten en
symptomen passend bij de ziekteverwekker uit deze richtlijn
voordoen, kan er sprake zijn van meldingsplicht op basis van
artikel 26 Wet publieke gezondheid.
Niet nodig.
Niet beschikbaar.
NHG-Patiëntenfolders Kinderziekten met vlekjes, Kinderen met koorts.
Richtlijn vastgesteld maart 2011
Goedgekeurd Gezondheidsraad december 2012.