U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › Professioneel Praktisch › LCI-richtlijnen › LCI-richtlijn Rotavirus
Rotavirus is wereldwijd een belangrijke veroorzaker van gastro-enteritis, met name bij kinderen in de leeftijd van 6 tot 24 maanden en bij ouderen. (Par03, Est07) Met behulp van elektronenmicroscopie werd dit 70 nanometer grote virus in de jaren zeventig van de vorige eeuw gevonden in duodenumbiopsieën van kinderen die waren opgenomen met een acute gastro-enteritis. Het virus bleek een dubbelstrengs-RNA-virus (dsRNA-virus) te zijn dat een sterke gelijkenis vertoont met virussen uit de familie van Reoviridaeen daarom hiertoe wordt het gerekend. De naam van het virus is ontleend aan het Latijnse ‘rota’ (= wiel) vanwege het wielvormige uiterlijk van het virus onder de elektronenmicroscoop. (Bis73, And04)
Morfologie:
Het genoom van het rotavirus codeert voor twee verschillende eiwitgroepen: virale eiwitten (viral proteins, VP) en niet-structurele eiwitten (non-structural proteins, NSP) die nodig zijn voor de replicatie. Van deze laatste groep is het NSP4 het belangrijkst, aangezien het een enterotoxine-achtige activiteit heeft en waarschijnlijk diarree induceert. (Bal05)
Rotavirussen worden geclassificeerd in serogroepen en sero- en genotypen (Wil03):
1. Serogroepen
Op basis van de antigene eigenschappen van VP6 worden zeven serogroepen (A t/m G) onderscheiden. (Gen05) De groepen A, B en C zijn verantwoordelijk voor de infecties bij de mens. De meeste voor de mens pathogene rotavirussen behoren tot groep A, deze groep wordt verder geclassificeerd in serotypen. Epidemieën van groep B komen sporadisch voor (China, India) en incidenteel zijn ook uitbraken van groep C beschreven. (Fis04)
2. Sero- en genotypen
De indeling van groep A in serotypen is gebaseerd op de antigeenverschillen van de oppervlakte-eiwitten P (protease-gekliefd eiwit/P-eiwitof VP4) en G (glycoproteïne/G-eiwitof VP7) van het virus. (Des06) Van deze G- en P-eiwittenbestaan verschillende varianten, zodat vele verschillende subtypen van rotavirus kunnen worden onderscheiden. Aangezien het soms moeilijk is om met behulp van traditionele technieken het serotype te bepalen, wordt ook wel gebruik gemaakt van moleculaire technieken (bijvoorbeeld sequentieanalyse) om het genotype te bepalen. De op deze manier verkregen genotypen correleren goed met bekende serotypen. Ter onderscheid worden de typen die met behulp van genotypering zijn bepaald tussen haakjes geschreven, bijvoorbeeld P1A[8]. (Den08)
Het virus komt binnen via de mond en daarna, indien het niet geneutraliseerd wordt door het maagzuur, hecht het zich aan de cellen van het eerste gedeelte van de dunne darm. Vooral het oppervlakte van de wand van de dunne darm wordt hierbij aangedaan, waardoor de structuur en de functie hiervan veranderen. Ook nemen de ontwikkeling en de levensduur van deze cellen af. Hierdoor worden met name koolhydraten minder goed in het lichaam opgenomen. Daarnaast beginnen deze cellen ten opzichte van elkaar los te laten, waardoor er meer vocht langs kan stromen. (Jia02, And04, Bos04, Bal05) Bovendien zorgt het NSP4 ook voor vochtuitdrijving. (Bal05, Lor07) Het gevolg van dit alles is dat er een plotselinge, heftige diarree ontstaat waarbij, met name bij kinderen en ouderen, stoornissen in de water- en elektrolytenhuishouding kunnen ontstaan. (Pel06)
Behalve in de enterocyten in de dunne darm is het rotavirus aangetroffen in de bloedcirculatie, liquor, organen als nieren, lever en het hart, het lymfestelsel en in het serum van geïnfecteerde dieren en kinderen. (Blu03, Bos04, Fis05)
De incubatieperiode duurt 2 tot 4 dagen na besmetting. (AAP06, And04)
Op het klinische beeld alleen is het niet mogelijk om de diagnose ‘gastro-enteritis ten gevolge van een rotavirusinfectie’ te stellen.
Rotavirusinfecties worden gekenmerkt door een trias van plots opkomende diarree, koorts en braken. In een minderheid van de gevallen presenteert het zich met slechts één of twee van deze symptomen. (Sta02) Het ziektebeeld begint met overgeven, 1 tot 2 dagen later gevolgd door diarree. De koorts is veelal boven 39°C en duurt gewoonlijk 2 tot 4 dagen. De diarree duurt gemiddeld 3 tot 9 dagen.
Bij pasgeborenen verlopen infecties met het rotavirus gewoonlijk mild tot asymptomatisch dankzij de maternale antistoffen. (McL80, Cha06)
Bij kinderen staat vooral het braken voorop, dikwijls in combinatie met een plotse, heftige, niet-bloederige, zeer frequente diarree (10 à 20 keer per dag) die vaak gepaard gaat met buikpijn. Soms is toediening van parenterale vloeistof noodzakelijk om uitdroging te behandelen.
Bij ouderen gaat waterige diarree en overgeven (leidend tot isotone uitdroging) vaak gepaard met een milde koorts of subfebriele temperatuur. Soms is er bloed bij de ontlasting.
Ernstige en langdurig aanhoudende gastro-enteritiden zijn gemeld bij kinderen met immunodeficiëntie, in het bijzonder bij aids, T-celimmunodeficiënties zoals SCID (Severe Combined Immuno Deficiency) en na beenmergtransplantaties. (Gua02, Lia05, Ves06-III) In deze gevallen werd het rotavirus ook geassocieerd met zeer ernstige tot fatale vormen van gastro-enteritis.
Het kind krijgt moederlijke rotavirusantilichamen mee via de placenta, colostrum en moedermelk. (McL80, Cha06) De rol van borstvoeding bij bescherming tegen een rotavirusinfectie is vooralsnog niet opgehelderd, haar beschermende rol lijkt tot nu toe bescheiden te zijn. (Bre05, Mru08)
Er lijkt enige mate van kruisimmuniteit te bestaan, aangezien een volgende, natuurlijke infectie minder ernstige klachten geeft. Dit blijkt ook voor de huidige vaccins op te gaan. (Bis83, Ves08)
Ouderen blijken een verhoogd risico te hebben op het krijgen van een infectie door een afnemende functie van het immuunsysteem en door de wereldwijde toename van nieuwe typen rotavirus waar ouderen geen bescherming tegen hebben opgebouwd. (Iij06, Pel06)
De humorale immuniteit (antistoffen) speelt een belangrijke rol bij de bescherming tegen infecties door rotavirus. De rol van cellulaire immuniteit is minder goed uitgezocht. Een betekenis kan echter worden vermoed omdat een infectie bij T-cel immuungecompromiteerde patiënten (zoals hivpatiënten met een laag CD4 getal, transplantatiepatiënten waarbij de T-cel-immuniteit onderdrukt wordt, en in mindere mate ook ouderen bij wie de cellulaire immuunrespons is verminderd) een ernstiger beloop en een langere ziekteduur geeft. (And04, Gil92, Mor02, Tho99) Ook uit gegevens verkregen uit experimenteel onderzoek zijn hiervoor aanwijzingen te vinden. (Bar10, Des11)
Antigeendetectie in de ontlasting met behulp van EIA (enzyme immuno-assay) is wereldwijd de meest gebruikte methode voor alle groep A-rotavirussen. Het virus kan in hoge concentraties worden uitgescheiden in de ontlasting van patiënten met gastro-enteritis (tot 1012virussen/gram feces). Latexagglutinatie en polyacrylamide-gel-elektroforese zijn iets minder sensitief dan EIA. (Moh03)
Voor nadere typering kan gebruik gemaakt worden van RT-PCR. (Pan04) Andere mogelijkheden zijn elektronenmicroscopie, ‘nucleic acid hybridization’ en sequentieanalyse. (Fis04, Pan04)
De tractus gastro-intestinalis van mens en dier vormt een reservoir voor het virus.
Theoretisch is het mogelijk dat nieuwe stammen door herschikking van genetisch materiaal (reassortment) zich kunnen ontwikkelen bij een menginfectie, zoals wordt gezien bij het influenzavirus. Rotavirus groep A t/m C kan zowel bij de mens als bij dieren een infectie veroorzaken, maar directe transmissie tussen deze verschillende species is niet aangetoond. De interspeciesbarrière tussen dier en mens blijkt voldoende hoog om regelmatige transmissie als zoönose te verwaarlozen. Interessant hierbij is dat allerlei rotavirustypen tussen diersoorten veel gemakkelijker uitwisselen dan tussen mens en dier.
Direct: transmissie vindt voornamelijk feco-oraal plaats. (Wit03)
Indirect: door in contact te komen met besmette voorwerpen (bijvoorbeeld speelgoed, voedsel (Wit03)), via de handen van bijvoorbeeld personeel, via besmet water (bijvoorbeeld bij onvoldoende gechloreerd zwemwater), of aerogeen.
De besmettelijke periode begint in de acute fase en duurt meestal tot ongeveer de achtste ziektedag. Uitzonderingen hierop zijn beschreven, met name bij ouderen en immuungecompromitteerden, aangezien zij langer kunnen blijven uitscheiden. (Fis05)
Rotavirussen zijn zeer infectieus door:
Dit faciliteert uitbraken, in het bijzonder bij groepen die dicht bij elkaar wonen of verblijven, zoals in verpleeghuizen en in kindercentra. (Mor02, Mar03, Iij06)
Routinematige desinfectie van de handen zal in de dagelijkse praktijk alleen bij een grote uitbraak in bijvoorbeeld een crèche geadviseerd worden. In ziekenhuizen is desinfectie altijd noodzakelijk. (Zer05)
Desinfectie: Standaardmethoden
|
Te desinfecteren onderdeel
|
standaardmethode
|
|---|---|
|
Oppervlakken: (bloed, excreta en besmette water- en
voedselcontactplaatsen)
|
2.1.2b voor zowel kleine als grote oppervlakken
|
|
Instrumenten (niet huid- of slijmvliesdoorborend, bloed, excreta en besmette water- en voedselcontactplaatsen)
|
2.2.2
|
|
Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend)
|
3.1
|
|
Textiel
|
2.3.2, maar een wastemperatuur van 90°C aanhouden
|
|
Intacte huid
|
Niet van toepassing
|
|
Niet-intacte huid (wond)
|
Niet van toepassing
|
|
Handen
|
2.4.3, alleen handreiniging, niet handdesinfectie
|
Voor alle groepen geldt dat het risico vergroot wordt door ‘crowding’.
De verschillende stammen variëren per jaar en per regio waardoor het niet eenvoudig is om de verspreiding ervan te voorspellen. (Bres05) Wereldwijd domineren vijf verschillende stammen: G1P[8], G2P[4], G3P[8], G4P[8] en sinds 2002 is er een belangrijk type bijgekomen: G9P[8]. (Cun02, Gla06, Dam07) De G9-stammen zijn in het bijzonder van belang vanwege de grote mate van reassortment (uitwisseling en herschikking van genetisch materiaal) en vertonen een grote verscheidenheid in combinaties met VP4-gensegmenten P[8], P[6], P[11], P[4] en P[19]. Echter de op dit moment meest voorkomende combinatie is G9P[8]. (Rah05)
Jaarlijks kan wereldwijd, bij kinderen onder de 5 jaar, het rotavirus verantwoordelijk worden gesteld voor ongeveer 111 miljoen episodes van gastro-enteritis die thuis zorg vereisen, 25 miljoen poliklinische bezoeken, 2 miljoen ziekenhuisopnames en ongeveer 350.000 tot 600.000 sterfgevallen. (Par03, Par06) Anders gesteld: op de leeftijd van 5 jaar heeft elk kind symptomatisch of asymptomatisch een rotavirusinfectie doorgemaakt. Hiervan bezocht één op de 5 een polikliniek, één op de 65 werd opgenomen in een ziekenhuis en bij benadering stierf één op de 293 aan deze infectie waarvan 82% in de armste ontwikkelingslanden. (Set01, Blu03, Par03, Gla06, Sor06, Ves06)
Het meest voorkomende type rotavirus in Nederland is G1P8. De incidentie van rotavirus wisselt per jaar. In de algemene populatie bedraagt deze ongeveer 190.000 gevallen per jaar met een range van 110.000 tot 325.000. (Wit00, Wit01-II, Wit01-III, Pan04, Lia05, Sal05, Duy05, Kem06, Lin06. Pel06) In de leeftijdsgroep tussen 0 en 4 jaar krijgen jaarlijks ongeveer 66.000 kinderen een rotavirusinfectie, waarvan ongeveer 1500 tot 3500 kinderen worden opgenomen in een ziekenhuis. (Duy05, Sor06) Het virus komt het meest frequent voor bij kinderen jonger dan 2 jaar.
Bij alle kinderen onder de 5 jaar bleek 21% van de gastro-enteritiden veroorzaakt te zijn door een rotavirusinfectie, hetgeen gelijk bleek te zijn aan de groep volwassenen en ouderen. (Wit01-I, Wit01-II, Wit01-III) Zo was het virus in de periode 1999-2004 verantwoordelijk voor 35% tot 65% van de ziekenhuisopnames voor gastro-enteritis bij patiënten onder de 5 jaar. (Pel06) Voor alle leeftijden ligt dat tussen 12% en 23% maar dit kan, afhankelijk van jaar en seizoen, oplopen tot boven de 50%. In de winter en in het vroege voorjaar wordt een piekincidentie gezien van rotavirusinfecties en hier moet dan ook aan gedacht worden, vooral bij een kleine lokale epidemie met een explosief karakter (bijvoorbeeld op een kinderafdeling in een ziekenhuis). (Wil03)
De therapie bij door rotavirus veroorzaakte gastro-enteritis is symptomatisch: bestrijding van dehydratie. Bij lichte of matige dehydratie kan dit met orale rehydratieoplossing (ORS). Bij ernstige dehydratie, veelvuldig braken of ernstige acidose verdient intraveneuze rehydratie de voorkeur. (Mar03)
Het eerste vaccin voor zuigelingen dat in de VS in 1998 een licentie kreeg, een tetravalent rhesus rotavirusvaccin (Wyeth’s RotaShield®/[RRV-TV]), werd binnen een paar maanden van de markt gehaald in verband met een toegenomen kans op invaginatie van de darm. (Pan04, Dam07) De nieuwe generatie vaccins blijkt veilig te zijn en invaginatie is hierbij geen reëel risico meer. (Rui06, Ves06-II Den07, Den08) Nieuwe licenties voor vaccins zijn en worden in de diverse landen aangevraagd. Onderzoek naar gebruik van vaccins in de geriatrische populatie is lopende. Ook blijkt er een zekere mate van kruisimmuniteit te bestaan: Rotarix bijvoorbeeld bleek ook bescherming te geven tegen andere G-stammen met een zelfde P[8]. Wellicht komt dit doordat de meest circulerende stammen slechts in één van de twee oppervlakte-eiwitten verschillen. Tot nu toe zijn de vaccins gericht op het meest voorkomende type G1P8 en niet op het wereldwijd voorkomende type G9P8. De meest gebruikte vaccins wereldwijd zijn tot nu toe:
Rotarix® (GlaxoSmithKline), een monovalent vaccin gebaseerd op levend verzwakte humane rotavirusstam, namelijk de RIX4414-stam, die de serotypen G1 en P1a[8] bevat. Dit vaccin biedt bescherming tegen een meerderheid van de pathogene stammen, vooral door middel van antistoffen tegen het P[8]-eiwit, waardoor het een zekere mate van kruisimmuniteit induceert, mogelijk doordat de verschillende stammen slechts in één oppervlakte-eiwit verschillen. (Ves04, Sal05, Rui06, Ves06-II, Lin08B97.5; ICD-9 008.61; ICD-10 A08, Ves08)
RotaTeq® (Sanofi Pasteur MSD), een levend verzwakt vaccin gebaseerd op herschikt genetisch materiaal van de bovine rotavirusstam WC3, waardoor het niet pathogeen is voor de mens. Aan deze dierlijke stam is genetisch materiaal van een humane rotavirusstam toegevoegd, coderend voor de eiwitten G1, G2, G3, G4, en P[8]. Vanwege deze opmaak wordt het een pentavalent vaccin genoemd. (Fis05, Rah05, Ves06-II)
Contra-indicaties voor beide vaccins: darminvaginatie in de anamnese of een ongecorrigeerde aangeboren afwijking van het gastro-intestinale stelsel die predisponeert voor darminvaginatie, immunodeficiëntie, asymptomatische hivinfectie vanwege het ontbreken van gegevens, acuut ernstige koorts, diarree en braken. (Rui06, Ves06-II)
In Nederland zijn tot nu toe alleen Rotarix® en RotaTeq® verkrijgbaar.De Gezondheidsraad (commissie Rijksvaccinatieprogramma) is nog in beraad over indicatie voor opname van bovengenoemde vaccins in het Rijksvaccinatieprogramma en zal zich hierover uitspreken.
|
|
Dosis
|
Leeftijd
|
Minimale interval
|
|---|---|---|---|
|
Rotarix
|
2 orale doses (1ml/dosis)
|
Eerste dosis na 6 weken; tweede dosis tussen 16 en 24 weken.
|
4 weken
|
|
RotaTeq
|
3 orale doses (2ml/dosis)
|
Eerste dosis tussen 6 en 12 weken; tweede dosis bij voorkeur na
16 weken; derde dosis bij voorkeur tussen 20-22 weken; derde dosis
verplicht bij 32 weken.
|
4 weken
|
Passieve immunisatie door intraveneuze of orale toediening van immunoglobuline bij pasgeborenen met een laag geboortegewicht en bij immuungecompromitteerde kinderen is in onderzoek. (Moh03, Ohl04)
Handenwassen is de meest zinvolle preventieve maatregel. (And04) Het toepassen van adequate hygiëne is het belangrijkst bij het voorkómen van blootstelling van kinderen aan andere kinderen met een gastro-enteritis binnen gezinnen of instanties (ziekenhuizen, kinderdagverblijf, et cetera). Handhygiëne wordt uitgevoerd met water en zeep of met gebruik van een handalcohol op ethanolbasis. (Ans89, Sat00) Ook voor de reiziger naar ontwikkelingslanden zijn adequate hand- en voedselhygiëne de belangrijkste preventieve maatregelen omdat de werkzaamheid van de Westerse vaccins in deze landen, met mogelijk andere stammen, onvoldoende zijn onderzocht. (Gom00, Gri08)
Niet nodig.
Niet noodzakelijk.
Voorlichting over algemene preventieve maatregelen als handen wassen en gebruik maken van wegwerpluiers is voldoende. Binnen gezinnen is virusoverdracht moeilijk te voorkomen. Opname in het ziekenhuis van zieke kinderen jonger dan 6 jaar met een gastro-enteritis geschiedt in contactisolatie tot het einde van de klachten (http://www.wip.nl/). Voor de bestrijding van een cluster in een instelling, zie LCI-draaiboek 'Uitbraken van gastro-enteritis en voedselvergiftigingen'.
Vaccinatie ter preventie is tot op heden in Nederland niet gebruikelijk.
Personen die betrokken zijn bij de voedselbereiding of patiëntenzorg moeten gedurende de ziekteperiode en tot 48-72 uur na normalisering van het ontlastingspatroon andere werkzaamheden verrichten. Goede hand- en toilethygiëne dient te worden benadrukt bij hervatting van de werkzaamheden. Vanuit volksgezondheidsperspectief is het weren van kinderen van kinderdagverblijven en scholen niet zinvol.
In Nederland zijn individuele gevallen van rotavirus niet meldingsplichtig. Clusters van gastro-enteritiden in instellingen zoals kindercentra en verpleeghuizen dienen conform Artikel 26 van de Wet publieke gezondheid gemeld te worden bij de GGD. Indien sprake is van een ernstig ziektebeeld/aanhoudende uitbraak: overleg met RIVM-LIS voor nadere typering.
Bij uitbraken gerelateerd aan onvoldoende gechloreerd zwemwater moet contact worden opgenomen met de Provincie.
Informatiestandaard Infectieziekten (ISI) Rotavirusgroep A, B, C, zie www.rivm.nl/infectieziekten.
Literatuur
Vastgesteld LOI januari 2010.
Maart 2012: wijziging in tabel paragraaf 8.1.1. Volgens het besluit
van de EMEA op 19 januari 2012 wordt de 3e dosis waarop Rotateq
moet worden gegeven, verschoven van kinderen met een leeftijd van
26 naar 32 weken.
December 2012 goedgekeurd Gezondheidsraad.