U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › Professioneel Praktisch › LCI-richtlijnen › HPV-cervixkanker
Humaan papillomavirus – met de nadruk op mucosale hoogrisicotypen en cervixcarcinogenese
De term ‘humaan papillomavirus’ (‘verwekker van wratten’), die is ontstaan rond 1930, duidt op de virale etiologie van wratten. Humaanpapillomavirusinfecties (HPV-infecties) zijn dan ook hoofdzakelijk bekend door de sterke associatie met het ontstaan van (anogenitale) wratten (condylomata acuminata). Tegenwoordig is bekend dat HPV-infecties, afhankelijk van het type HPV, een causale rol spelen bij een breder scala aan ziektebeelden, waaronder (bijna) alle cervixcarcinomen (baarmoederhalskanker) en de voorloperafwijkingen daarvan, alsmede een deel van de carcinomen en de voorloperafwijkingen daarvan in het anogenitale (onder andere penis, anus, vagina en vulva) en hoofd-hals- (onder andere orofarynx en mondholte) gebied. Deze richtlijn richt zich op de mucosale hoogrisico-HPV-infecties (hrHPV) in relatie tot cervixcarcinoom en de voorloperstadia, de zogenaamde cervicale intra-epitheliale neoplasie- (CIN-)laesies. Persisterende infecties met mucosale hrHPV-typen zijn definitief geïdentificeerd als de primaire oorzaak van cervixcarcinoom en mucosale hrHPV-DNA is aanwezig in (bijna) alle cervixcarcinomen (>99%). (Cog05, Walb99) Per jaar worden in Nederland bijna 600 cervixcarcinomen gediagnosticeerd, en sterven er ongeveer 200 vrouwen aan deze ziekte (gegevens 2003, www.ikcnet.nl). Voor mucosale laagrisico-HPV-infecties (lrHPV) in relatie tot anogenitale wratten wordt verwezen naar de LCI-richtlijn ‘Humaan papillomavirus – met de nadruk op anogenitale wratten’.
2.1 Verwekker
HPV’s behoren tot de DNA-virussen en de familie van de
Papillomaviridae. Het virusdeeltje (virion) is circa 55 nanometer
in diameter en bevat een dubbelstrengs, circulair DNA-genoom van
ongeveer 8000 basenparen. (Zhe06) Het genoom van HPV bestaat uit
zes zogenaamde vroege genen (E1, E2, E4 t/m E7) die tot expressie
komen voordat de vegetatieve virale replicatie plaatsvindt, en twee
zogenaamde late genen (L1 en L2) die coderen voor de
manteleiwitten. Op basis van de sequentie van het L1-gen vindt een
onderverdeling van HPV in typen plaats. Er is sprake van een nieuw
type als de nucleotide volgorde in het L1-gen minder dan 90%
sequentiehomologie heeft met dat van alle bekende typen HPV binnen
de gastheerspecies. Op dit moment zijn al meer dan 100
verschillende HPV-typen bekend. (Vil04) Deze worden op basis van
genetische kenmerken gegroepeerd in een aantal genera: alpha, beta,
gamma, mu, en nu. De genera delta, epsilon, zeta, eta, theta, jota,
kappa, lambda, xi, omikron, en pi bevatten de dierlijke
papillomavirussen.
Het alphagenus bestaat uit de mucosale HPV-typen die de
slijmvliezen kunnen infecteren. Binnen dit genus wordt een
onderscheid gemaakt tussen zogenaamde laagrisicotypen, die laesies
kunnen veroorzaken die niet zullen ontaarden in een carcinoom, en
hoogrisicotypen, die zijn geassocieerd met maligniteiten en de
voorloperlaesies daarvan. Voorbeelden van mucosale lrHPV-typen zijn
HPV-type 6 en 11, die een substantieel deel van de genitale wratten
(90%) en een klein deel van de laaggradige CIN-laesies veroorzaken
(10-15%). Zie de LCI-richtlijn over anogenitale wratten voor een
nadere bespreking van mucosale lrHPV-infecties. Op basis van onder
andere epidemiologische casecontrolstudies zijn door het World
Health Organization International Agency for Research on Cancer
(WHO-IARC) de typen 16, 18, 31, 33, 35, 39, 45, 51, 52, 56, 58 en
59 aangemerkt als mucosale hrHPV-type en enkele typen (onder andere
HPV-type 26, 53, 66, 68, 73, en 82) worden aangeduid als mogelijk
carcinogeen. (Cog05, Mun06) Recent onderzoek toont dat binnen het
subgenus van mucosale hrHPV-typen verschillen bestaan met
betrekking tot persistentie en oncogeen vermogen. (Kha05, Castle06,
Ber06, Whe06, Bul07-1) HPV-16 volgt uit deze analyses als het
HPV-type dat het hoogste risico met zich meedraagt voor het
ontstaan van cervixcarcinoom, gevolgd door HPV-18. HPV-16 en -18
vertegenwoordigen de meest voorkomende mucosale hrHPV-typen in
cervixcarcinoom (~75%). (Cli06) HPV-16 is het type dat het sterkst
geassocieerd is met plaveiselcelcarcinomen en HPV-18 met
adenocarcinomen van de cervix. (Bul06)
2.2 Pathogenese
Infectie van de cervix (baarmoedermond) met mucosaal hrHPV kan
aanleiding geven tot een productieve infectie, dat wil zeggen een
virusinfectie met voortbrenging van nakomelingvirionen. HPV
infecteert de basale lagen van het plaveiselepitheel; het
vermenigvuldigt zich in de suprabasale lagen; in de buitenste,
terminaal gedifferentieerde cellagen worden de manteleiwitten
geproduceerd, waarna de virionen vrijkomen tegelijkertijd met het
gebruikelijke loslaten van de afgeplatte oppervlaktecellen van het
epitheel. De levenscyclus van HPV is dus afhankelijk van het
differentiatieproces van het epitheel. Productieve infecties
verlopen veelal subklinisch (geschat 70-80%), maar kunnen ook
gepaard kan gaan met klinische afwijkingen (CIN-laesies). De
laaggradige CIN-laesies, die op basis van een mucosale
hrHPV-infectie ontstaan, reflecteren de productieve HPV-infectie
gekenmerkt door differentiatieafhankelijke expressie van de virale
genen. De meeste mucosale hrHPV-infecties, en de eventueel daarbij
behorende klinische afwijkingen, zijn tijdelijk (gemiddeld 4-20
maanden) en een aanzienlijk deel van de geïnfecteerden klaart het
virus binnen een jaar. (Tro06)
Wanneer het virus niet geklaard wordt, kunnen hooggradige
CIN-laesies en cervixcarcinoom ontstaan. Een persisterende
hrHPV-infectie is een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan
van een cervixcarcinoom. Het is echter niet toereikend: additionele
(epi-)genetische veranderingen zijn noodzakelijk voor de progressie
naar een maligniteit. (Snij06-2) Het ontstaan van een carcinoom van
de cervix is een zeldzame complicatie van een mucosale
hrHPV-infectie. (Hel02) Slechts ongeveer 2-5% van alle vrouwen met
een cervicale mucosale hrHPV-infectie zal uiteindelijk een
hooggradige CIN-laesie of cervixcarcinoom ontwikkelen. (Snij06-2)
HPV-gemedieerde carcinogenese treedt op wanneer de
differentiatieafhankelijkheid van de virale levenscyclus wegvalt
door een mechanisme dat op dit moment nog niet bekend is. Hierdoor
vindt abnormale expressie van de virale E6- en E7-genen, de
zogenaamde virale oncogenen, plaats in de delende (para)basale
cellen. E6 en E7 inactiveren de celcycluscontrolerende cellulaire
eiwitten p53 en pRb. (Dys89, Sche90) Bij een productieve infectie
zijn de E6- en E7-eiwitten niet of in zeer lage hoeveelheid
aanwezig in de delende cellen van het epitheel, maar na het
wegvallen van de differentiatieafhankelijke controle op de E6- en
E7-genexpressie kunnen zij in grote hoeveelheid aanwezig zijn en
hun activiteit in de delende cellen uitoefenen. Dit kenmerkt een
transformerende hrHPV-infectie. De abnormale E6- en E7-expressie
leidt tot chromosomale instabiliteit en als gevolg daarvan ontstaat
een hooggradige CIN-laesie. Uiteindelijk kan de ophoping van (epi-)
genetische afwijkingen leiden tot een maligniteit, een proces dat
wel 12 tot 15 jaar in beslag kan nemen. (Doo06, Hel02)
Cervixcarcinogenese gaat frequent gepaard met integratie van HPV op
fragiele plaatsen in het cellulaire DNA van de gastvrouw.
2.3 Incubatieperiode
De gemiddelde tijd die nodig is voor het ontwikkelen van een hooggradige CIN-laesie bij vrouwen met een persisterende mucosale hrHPV-infectie wordt geschat op ten minste 2-3 jaar. Vervolgens duurt de progressie naar cervixcarcinoom gemiddeld nog zo’n 12-15 jaar. (Snij06-2, Wall99, Win05, Zie01)
2.4 Ziekteverschijnselen
Onderzoeksresultaten wijzen erop dat bij een groot deel van de
vrouwen met een cervicale mucosale hrHPV-infectie (geschat 70-80%)
geen klinische afwijkingen optreden. De mucosale hrHPV-infectie
verloopt ongemerkt (symptoomloos; geen klachten), is van
voorbijgaande aard en wordt door epitheliale differentiatie en/of
activering van het immuunsysteem opgeruimd (in 8-14 maanden).
Slechts 20% van de cervicale mucosale hrHPV-infecties veroorzaakt
klinische afwijkingen, de zogenaamde cervicale intra-epitheliale
neoplasie (CIN)-laesies. Ook deze zijn meestal symptoomloos.
Wanneer een mucosale hrHPV-infectie gepaard gaat met symptomen,
melden personen zich meestal met klachten zoals
(contact)bloedingen, pijn en/of een branderig gevoel. Uiteindelijk
zal niet meer dan 5% van de CIN-laesies zonder interventie leiden
tot een cervixcarcinoom.(Snij06-2)
De CIN-laesies zijn over het algemeen vlakke laesies, die vaak
nauwelijks waarneembaar zijn bij colposcopie. Zij kunnen door
aanstippen met azijnzuur (3-5%) zichtbaar gemaakt worden.
Histologisch tonen deze laesies verschillende graden van dysplasie
en worden als zodanig gegradeerd: CIN I (lichte dysplasie), CIN II
(matige dysplasie) en CIN III (ernstige dysplasie). De laaggradige
CIN-laesies (CIN I en deel van CIN II), die als gevolg van een
mucosale hrHPV-infectie zijn ontstaan, weerspiegelen een
productieve HPV-infectie. De hooggradige CIN-laesies (CIN III en
deel van CIN II) worden gezien als de voorloperafwijkingen van het
cervixcarcinoom en reflecteren een transformerende hrHPV-infectie.
Omdat het lastig is middels histomorfologisch onderzoek onderscheid
te maken tussen CIN II-laesies die een productieve infectie en die
een transformerende infectie vertegenwoordigen, worden CIN
II-laesies door de gynaecoloog vaak uit voorzorg behandeld (zie
paragraaf 7).
2.5 Verhoogde kans op ernstig beloop van een HPV-infectie
De mucosale hrHPV-infectie maakt kans op een ernstiger beloop resulterend in hooggradige CIN-laesie en/of cervixcarcinoom bij:
patiënten met een gecompromitteerd afweersysteem, onder andere hivgeïnfecteerden en patiënten die immunosuppressiva gebruiken. (Gru07) Immuundeficiënte vrouwen worden bij voorkeur (twee)jaarlijks gescreend middels een cervixuitstrijkje (richtlijn van de Nederlandse Vereniging Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), www.nvog.nl). Daar er ook een hogere kans op anale intra-epitheliale neoplasie (AIN) en anuscarcinoom op basis van een mucosale hrHPV-infectie is (bij receptief anaal seksueel contact), wordt proctoscopie geadviseerd aan hivgeïnfecteerde/immuungecompromitteerde personen met CIN en/of anogenitale wratten; (Nan06)
persistentie van de infectie (dat wil zeggen een HPV-infectie waarbij gedurende een periode van 6-12 maanden hetzelfde genotype aangetoond wordt). (Qui03) Virale factoren (onder andere HPV-varianten) en humane factoren (onder andere genetische predispositie, immuundeficiëntie) zijn gerelateerd aan een hogere kans op een persisterende infectie. (Wan03)
2.6 Immuniteit
Het merendeel (90%) van de mucosale hrHPV bevattende CIN-laesies
gaat in regressie. Dit gebeurt wanneer het virus geklaard wordt. De
mate van klaring van het virus en regressie van de bijbehorende
laesie neemt af bij hogere graad van dysplasie van de laesie.
Klaring van HPV kan geschieden door epitheliale differentiatie,
zonder tussenkomst van het immuunsysteem, waarschijnlijk bij
infecties die zich beperken tot gedifferentieerde cellen waarbij
het virus nauwelijks met het immuunsysteem in contact komt. Maar
ook de activatie van het immuunsysteem, met name de cellulaire
immuniteit, speelt een belangrijke rol bij de klaring van HPV en
verdwijning van de met de HPV-infectie gepaard gaande laesies. Of
het virus geheel verdwijnt dan wel niet detecteerbaar laag aanwezig
blijft in de basale lagen van het epitheel is vooralsnog onbekend.
(Doo06)
De verminderde klaring van HPV bij immunodeficiënte patiënten ten
opzichte van immuuncompetente personen geeft aan dat de
celgemedieerde immuunrespons belangrijk is voor de controle van de
virusinfectie. De humorale immuunrespons, die optreedt naar
aanleiding van een HPV-infectie, speelt een rol bij de bescherming
tegen een volgende infectie. Mogelijk kan de humorale immuunrespons
ook een rol spelen bij klaring van het virus, echter tot op heden
is nog niet bekend in welke mate. (Rod06) De resultaten van de
POBASCAM (POpulation-BAsed SCreening AMsterdam) studie, een
gerandomiseerd bevolkingsonderzoek ter evaluatie van de
implementatie van de HPV-test in het bevolkingsonderzoek naar
baarmoederhalskanker (BVO-BMHK), tonen dat in Nederland gemiddeld
43% (39-47) van de vrouwen met normale cytologie een cervicale
mucosale hrHPV-infectie doet verdwijnen in 6 maanden, en gemiddeld
65% (60-69) in 1,5 jaar, alhoewel dit per type aanzienlijk kan
verschillen. (Bul07-1) Personen die niet in staat zijn het virus te
klaren, lopen bij persistentie van de infectie kans op een
ernstiger beloop resulterend in een hooggradige CIN-laesie en/of
cervixcarcinoom. (Snij06-2, Schi07, Woo07)
Humane papillomavirussen zijn niet kweekbaar. Technisch is diagnostiek mogelijk met behulp van NAAT (Nucleic Acid Amplification Tests) of serologie.
Serologie is niet nuttig voor individuele diagnostiek, wel voor epidemiologische doeleinden, met name om vast te stellen welke HPV-types in een populatie circuleren.
Met NAAT op HPV (HPV-DNA PCRs en varianten daarop) kan vastgesteld worden of een persoon op het moment van testen geïnfecteerd is met hoogrisico-HPV. Met de meeste testen kan vervolgens ook vastgesteld worden om welk type het gaat. Het testen van patiënten is niet geïndiceerd bij klachten. De plaats van deze NAAT’s bij het screeningsonderzoek op cervixcarcinoom is op dit moment (september 2009) onderwerp van discussie en er wordt een advies van de Gezondheidsraad verwacht. Onderstaande tekst geeft een meer gedetailleerde weergave van de mogelijke waarde van HPV-diagnostiek bij de cervixcarcinoomscreening.
Een CIN-laesie kan met behulp van cytologisch onderzoek van een
cervixuitstrijkpreparaat op relatief eenvoudige wijze herkend
worden. Het huidige BVO-BMHK (periodiek om de 5 jaar tussen de
leeftijd van 30 tot 60 jaar) is op cytologisch onderzoek gebaseerd.
Wanneer ten minste matige cytologische afwijkingen (pap3a2 of
hoger) gevonden worden, wordt de patiënte verwezen naar de
gynaecoloog. Bij aanstippen van de cervix met azijnzuur (3-5%),
zullen laesies zich als witte verkleuringen presenteren, die onder
lage vergroting met een loep (colposcoop) te detecteren zijn. Bij
aanwezigheid van verkleuringen en (verdenking op) CIN, worden
biopsieën genomen om de laesie(s) histologisch in kaart te kunnen
brengen.
Het cytologische uitstrijkje kenmerkt zich echter door een
suboptimale gevoeligheid voor cervixcarcinoom en het meest ernstige
voorstadium (dat wil zeggen CIN 3) daarvan. Deze gevoeligheid
varieert van land tot land, maar komt nooit boven de 75% uit. In
Nederland is de sensitiviteit van het cytologisch onderzoek voor
hooggradige CIN-laesies 65%, wat in vergelijking met de omliggende
landen hoog is. Recente bevolkingsonderzoeken hebben uitgewezen dat
de HPV-DNA-test een aanmerkelijk hogere gevoeligheid heeft dan
cytologie voor detectie van cervixcarcinoom en de hooggradige
voorstadia daarvan, namelijk hoger dan 95%. Daarbij komt dat de
HPV-test ook een hogere negatief voorspellende waarde heeft,
namelijk 99%, dan het cytologisch onderzoek. Recente
studiebevindingen duiden er ook op dat de HPV-test klinisch
relevante laesies vroeger detecteert dan cytologie. (Bul07-2) Een
bijkomend voordeel van de HPV-DNA-test is de verbeterde detectie
van adenocarcinomen (in situ) van de cervix, die veelvuldig door
cytologie worden gemist (sensitiviteit van cytologie <50%). De
studiebevindingen tot nu toe pleiten voor invoering van een
klinisch gevalideerde HPV-DNA-test als primair screeningsmiddel met
mogelijkheden voor cytologie als triagemiddel voor HPV-positieve
vrouwen. (Bul07-2, Bul04) Mogelijke screeningsalgoritmen gebaseerd
op HPV-testen worden op dit moment in
kosteneffectiviteitonderzoeken verder uitgewerkt. Een advies van de
Gezondheidsraad ten aanzien van het invoeren van de HPV-test als
primaire screeningstest in het BVO-BMHK wordt nog dit jaar (2009)
verwacht. Op dit moment wordt de HPV-test reeds geadviseerd in het
herhaaltraject volgend op een afwijkende uitstrijk (pap2/3a1)
(richtlijn Nederlandse Vereniging voor Pathologie, zie
www.pathology.nl, “Praktijkrichtlijn Bevolkingsonderzoek
Cervixcytologie 2006 versie 2.0 (def 15-09-06)”) en kent de
HPV-test een belangrijke toepassing binnen het controletraject na
behandeling van CIN-laesies. Er dient wel te worden opgemerkt dat
de HPV-DNA-test tot doel heeft de detectie van onderliggende
hooggradige CIN-laesies en cervixcarcinoom, en deze moet daarom
alleen de klinisch relevante HPV-infecties aantonen. (Snij03)
Daarom is het gebruik van een klinisch gevalideerde HPV-test voor
screenings-, triage- en followup-doeleinden een vereiste.
Een consequentie van het invoeren van een HPV-DNA-test in het
screeningprogramma zou zijn dat alle HPV-test-positieve vrouwen met
normale cytologie (ongeveer 3-4% van de vrouwen met pap1) follow-up
behoeven. Dit terwijl slechts iets minder dan 10% van hen ernstige
CIN-laesies hebben of ontwikkelen. De negatieve aspecten van de
invoering van de HPV-DNA-test behelzen dus een mogelijke toename
van het aantal herhaaluitstrijkjes en/of onnodige verwijzingen en
medische onderzoeken. Het is daarom noodzakelijk om virale of
ziektegeassocieerde biomarkers in handen te krijgen die eenvoudige
risicostratificatie voor de groep HPV-DNA-positieve vrouwen kunnen
bewerkstelligen om het aantal onnodige vervolgonderzoeken en
verwijzingen te kunnen beperken. Op dit moment worden met name de
waarde van virale typering, bepaling van virale activiteit,
bepaling van hoeveelheid virus (‘viral load’) en cellulaire
markers, onder andere methylatiemarkers zoals TSLC-1, bestudeerd.
(Mei06, Mol05, Snij06-1, Woo02, Ste04) De verwachting is dat het
gebruik van dergelijke biomarkers het percentage vrouwen in de
groep die follow-up behoeven aanzienlijk kan terugdringen tot
minder dan 1%.
4.1 Reservoir
Reservoir voor humaan papillomavirus is de mens. Er zijn geen aanwijzingen dat interspecies transmissie voorkomt.
4.2 Besmettingsweg
Mucosale hrHPV’s kunnen uitsluitend epitheelcellen van de slijmvliezen infecteren. Besmetting vindt plaats via direct epitheelcontact. Er zijn geen aanwijzingen van virusoverdracht naar de cervix buiten direct contact met dit epitheel. Voor de genitaalgeassocieerde HPV-typen is seks de belangrijkste manier van overdracht. Voor infectie is het noodzakelijk dat de basale cellagen van het epitheel bereikt worden. Microlaesies in het epitheel onder andere ten gevolge van seksuele activiteit, zoals coïtus, zijn hiervoor nodig. Een belangrijke bron van besmetting van de cervix zijn de vlakke penislaesies van de seksuele partner(s). (Ble06) Andersom zijn de CIN-laesies een besmettingsbron voor de man. Mogelijk zijn er nog andere transmissieroutes, onder andere via vingers. Zo er al niet-seksuele transmissie mogelijk is, is de transmissiekans via niet-seksuele weg gering.
4.3 Besmettelijke periode
Over de aard en de lengte van de besmettelijke periode bij de man en de vrouw is relatief weinig bekend. De besmettelijke periode van een HPV-infectie hangt samen met de periode waarin de infectie productief is (virusuitscheiding). Voor penislaesies kan de besmettelijke periode 8-14 maanden zijn. (Ble06) Voor een productieve CIN-laesie lijkt de duur iets langer te zijn, tot ongeveer 2 jaar. (Schi07)
4.4 Besmettelijkheid
HPV-infecties zijn zeer besmettelijk. Direct contact tussen epithelia, dat gepaard gaat met microlaesies, zorgt voor een gemakkelijke verspreiding van de infectie. Het virus is niet overdraagbaar via bloed. De berekende transmissiekans tijdens één seksueel contact wordt geschat op 60%. (Bur06) 40 tot 80% van de seksuele partners, afhankelijk van gebruikte HPV-detectiemethode en studiepopulatie, blijken geïnfecteerd te zijn met hetzelfde HPV-type. (Ble05-1, Ble05-2, San86)
|
Te desinfecteren onderdeel |
standaardmethode |
|---|---|
|
Oppervlakken |
2.1 |
|
Instrumenten |
2.2 |
|
Textiel |
Niet van toepassing |
|
Intacte huid |
2.4.1 |
|
Niet-intacte huid (wond) |
2.4.2 |
|
Handen |
2.4.3 |
6.1 Risicogroepen
Een verhoogd risico van besmetting, met name ten aanzien van de mucosale hrHPV-typen, wordt gezien bij personen met veelvuldige en wisselende seksuele contacten, een gebrekkige persoonlijke hygiëne (een onvoldoende lichaamshygiëne ter voorkoming van de ophoping van dode celstoffen, urineresten en/of smegma, bijvoorbeeld het niet-dagelijks wassen van de schaamstreek), en/of een deficiënt immuunsysteem. (Castel06)
6.2 Verspreiding in de wereld
HPV-infecties en de daarbij behorende ziektebeelden komen
veelvuldig voor (zie www.who.int/ hpvcentre). (Castel07, Par06)
Wereldwijd behoren mucosale hrHPV-gemedieerde aandoeningen tot de
meest gediagnosticeerde soa. Globaal schat men dat 70% van de
seksueel actieve bevolking ooit een genitale infectie met HPV heeft
doorgemaakt. Op basis van de gegevens van de Centers for Disease
Control en Prevention (CDC) vinden jaarlijks naar schatting in de
Verenigde Staten 6,2 miljoen nieuwe HPV-infecties plaats en zijn
ten minste 20 miljoen personen al geïnfecteerd.
(www.niaid.nih.gov). Wereldwijd worden er jaarlijks ongeveer
493,000 nieuwe gevallen van cervixcarcinoom gediagnosticeerd en
sterven er ongeveer 274,000 vrouwen aan deze ziekte. (Castel07)
Ongeveer 80% van de cervixcarcinomen komt voor in
ontwikkelingslanden, die geen adequaat BVO-BMHK kennen. (Par06)
De epidemiologische studies naar de wereldwijde prevalentie van de
HPV-typen die geassocieerd zijn met het ontstaan van
cervixcarcinoom, tonen dat het voorkomen van mucosale
hrHPV-infecties onder vrouwen met normale cytologie geografische
verschillen kent (soms wel 10-voudig). De HPV-prevalentiecurve
onder vrouwen met normale cytologie toont in het algemeen een
piekprevalentie beneden de leeftijd van 30 jaar, met een afname bij
hogere leeftijd. (Cli05) In sommige delen van de wereld heeft de
HPV-prevalentiecurve een tweede piek bij oudere vrouwen (45-50
jaar). (Cli05) In Nederland is deze piek marginaal, en niet
significant. Over de oorzaak van deze piek is weinig bekend;
mogelijk spelen reactivering van latent virus en/of verandering van
seksuele activiteiten hierbij een rol. In enkele landen, onder
andere Nigeria, blijft de prevalentie hoog gedurende alle
leeftijdscategorieën. Sociale en culturele gebruiken, onder andere
verschillende seksuele gewoonten, liggen waarschijnlijk ten
grondslag aan de verschillen in mucosale hrHPV-prevalentie in
vrouwen wereldwijd. (Cli05, Fra06)
6.3 Voorkomen in Nederland
Ook in Nederland is de prevalentiecurve van cervicale mucosale
hrHPV-infecties onder vrouwen met normale cytologie
leeftijdsgerelateerd: een piekprevalentie van 20-25% beneden de
leeftijd van 25 jaar, met daarna een afname tot circa 3% bij 45
jaar en ouder. De prevalentie van cervicale mucosale
hrHPV-infecties in relatie met de cytologieklasse is voor Nederland
als volgt: 3-4% bij vrouwen boven de 30 jaar met normale cytologie,
ongeveer 35% bij vrouwen boven de 30 jaar met milde cytologische
afwijkingen (pap2-3a1), bijna 89% bij vrouwen boven de 30 jaar met
ernstigere cytologische afwijkingen (pap3a2-3b-4-5) en >99% bij
vrouwen met cervixcarcinoom. (Walb99, Bul04)
Per jaar worden in Nederland bijna 600 cervixcarcinomen
gediagnosticeerd en sterven er ongeveer 200 vrouwen aan deze ziekte
(gegevens 2003, www.ikcnet.nl). De incidentie van cervixcarcinoom
toont een leeftijdsgerelateerde curve. De incidentie onder de 30
jaar is zeer laag (<3/100.000 vrouwen), terwijl de incidentie
boven de 30 jaar varieert tussen de 6-19/100.000 vrouwen,
afhankelijk van de leeftijdcategorie (gegevens 2003,
www.ikcnet.nl)
De behandeling van CIN is afhankelijk van de graad: hooggradige
CIN-leasies worden behandeld, maar laaggradige, kleine CIN-laesies
niet vanwege de grote kans op spontane regressie. In 60% van de
gevallen is een CIN 1 regressief en behoeft niet te worden
behandeld, mits adequate follow-up is gegarandeerd. Behandelen van
CIN 1-laesies (met dezelfde methodiek als voor hooggradige CIN, zie
verderop) kan geïndiceerd zijn als deze moeilijk ‘te bewaken’
zijn, omdat ze zich hoog endocervicaal of over een zeer groot
oppervlak uitbreiden; indien ze gedurende langere tijd
persisteren; óf als adequate follow-up niet gegarandeerd lijkt te
kunnen worden (Richtlijn NVOG).
Als een hooggradige CIN-laesie is gediagnosticeerd, wordt het
afwijkende gebied (de transformatiezone met gehele CIN-laesie,
inclusief deel in de cervixcrypten) door middel van een
chirurgische ingreep verwijderd. Dit kan baarmoederhalssparend, bij
voorkeur met behulp van lisexcisie. Destructie via cryochirurgie of
laservaporisatie heeft sinds de invoering van de lisexcisie een
beperkt indicatiegebied. Een scherpe exconisatie verdient de
voorkeur als er verdenking bestaat op een micro-invasief carcinoom
of een adenocarcinoma in situ, maar hierdoor kan
cervixinsufficiëntie ontstaan (Richtlijn NVOG).
De behandeling van het cervixcarcinoom bestaat primair uit
chirurgie of radiotherapie, eventueel in combinatie met
chemotherapie of hyperthermie. De keuze van behandeling is
afhankelijk van het stadium. In een vroeg stadium (FIGO Ia) van
cervixcarcinoom wordt een conisatie (bij kinderwens of andere
individuele reden), of een uterusextirpatie (indien geen
kinderwens) uitgevoerd. In het geval van prognostisch ongunstige
factoren (lymfangio-invasieve groei) vindt een additionele pelviene
lymfadenectomie plaats. Een cervixcarcinoom stadium Ib/IIa wordt
behandeld met radicale uterusextirpatie en pelviene lymfadenectomie
dan wel primair radiotherapie. De keuze van primaire behandeling
(chirurgie versus radiotherapie) wordt gemaakt op basis van
patiëntkenmerken, onder andere leeftijd en contra-indicatie voor
chirurgie. Met het oog op het negatieve effect van radiotherapie op
de ovaria en de seksuele functie heeft chirurgische behandeling de
voorkeur. Bij stadia ernstiger dan IIa vindt behandeling plaats via
een combinatie van radiotherapie en chemotherapie (chemoradiatie)
en chirurgie.
8.1 Immunisatie
Primaire preventie van door HPV-16/18-veroorzaakte CIN-laesies en
cervixcarcinoom is mogelijk via vaccinatie met een profylactisch
HPV-vaccin. Op dit moment zijn twee profylactische vaccins tegen
HPV op de markt. Deze vaccins zijn gebaseerd op virusachtige
partikels (VLP) van de mucosale hrHPV-typen 16 en 18. Het betreft
Cervarix™, een HPV-16/18 bivalent vaccin van GlaxoSmithKline, en
Gardasil®, een quadrivalent vaccin van Sanofi Pasteur MSD gericht
tegen de typen HPV-6, -11, -16 en -18. De VLPs die deze vaccins
bevatten, lijken morfologisch en antigenetisch sterk op
HPV-virionen maar bevatten geen viraal DNA-genoom, en kunnen
daardoor geen infectie veroorzaken. De primaire vaccinatiereeks
bestaat uit 3 intramusculaire injecties met een dosis van 20-40
microgram van elke afzonderlijke VLP overeenkomstig het volgende
schema: 0, 1 of 2, en 6 maanden. De vaccins induceren
neutraliserende IgG-antistoffen tegen de virionen en induceren
immunologisch geheugen, hetgeen waarschijnlijk zorgt voor
langetermijnimmuniteit tegen de HPV-typen in het vaccin. (Rod06,
Gia06, Ols07) Recente studies hebben aangetoond dat de
HPV-VLP-vaccins zeer effectief (95-100%) zijn en langdurig (≥ 5
jaar) bescherming bieden tegen infecties met HPV-type 16 en/of 18,
en de daarmee gepaard gaande klinische laesies. (Har04, Har06,
Paa07, Arb07, Aul07, Fut07, Vil05, Vil06-1, Vil06-2) De preventieve
effecten (voorkoming van het ontstaan van klinische laesies) zijn
aangetoond bij vrouwen die geen HPV-16/18-infectie hadden ten tijde
van vaccinatie (dat wil zeggen HPV-DNA-negatief, al dan niet in
aanwezigheid van HPV-16/18-L1-antilichamen). De VLP-vaccins kennen
geen therapeutisch effect. De bescherming die de HPV-vaccins bieden
is in principe typespecifiek, maar ook kruisbescherming tegen
niet-16/18-hrHPV-typen, onder andere 31 en 45, is gerapporteerd.
(Har06, Bro07) Gardasil® heeft daarnaast ook getoond bescherming te
bieden tegen intra-epitheliale laesies van de vulva en vagina
veroorzaakt door HPV-16/18, alsmede tegen genitale wratten
veroorzaakt door HPV-6 en -11. (Jou07, Gar07) In de klinische
studies zijn tot dusver geen ernstige bijwerkingen van deze vaccins
opgetreden, echter nader onderzoek is nodig om de
langetermijngevolgen te achterhalen. Contra-indicaties voor
vaccinatie zijn nog niet geïdentificeerd; wel is een vaccin
onwerkzaam tegen een type wanneer men HPV-DNA-positief is voor dat
type ten tijde van vaccinatie.
Langetermijnevaluatie van de gevaccineerde populatie zal
nog een aantal openstaande vragen moeten gaan beantwoorden, onder
andere duur van de bescherming, optimale vaccinatieschema, en het
belang van boostervaccinatie. Het kan nog niet worden uitgesloten
dat er bij vaccinatie een toename optreedt van infecties met
niet-vaccingerelateerde hrHPV, dus anders dan HPV-16/18. Dit zou
kunnen doordat na het verdwijnen van de vaccintypes andere hrHPV de
‘vrijgekomen’ plaats innemen (type-replacement). Het zou ook kunnen
dat, in het geval er eerder sprake was van een dubbelinfectie van
HPV-16 of -18 met een andere hrHPV, de infectie met dit andere type
zichtbaar wordt na verdwijnen van de vaccintypes (unmasking). Ook
hiervoor is een langetermijnevaluatie nodig en dit wordt door de
Gezondheidsraad ook aanbevolen. (GR08)
Op basis van huidige virologische kennis echter lijken
beide virologische ontwikkelingen onwaarschijnlijk. (Hei08)
Gardasil® en Cervarix™ zijn goedgekeurd door het Europees
Geneesmiddelenagentschap (European Medicines Agency EMEA), en
tevens door de American Food and Drug Administration
(FDA). De indicatie is gebaseerd op het aantonen van
de werkzaamheid bij volwassen vrouwen van 16 tot en met 25 jaar en
op het aantonen van de immunogeniciteit bij meisjes en vrouwen 9-
tot en met 25-jaar. Gardasil kan wel aan jongens van 9 tot en met
15 jaar worden toegediend.
De Gezondheidsraad heeft in maart 2008 een positief advies
betreffende de opname van het HPV-vaccin in het
rijksvaccinatieprogramma voor meisjes in de leeftijd van 12 jaar,
met een inhaalprogramma voor dertien- tot en met zestienjarige
meisjes, afgegeven. (GR08) In 2009 vond een inhaalprogramma plaats
met een doorloop tot eind 2010, voor meisjes geboren in 1993 tot en
met 1996. In het kader van het RVP worden 12-jarige meisjes
gevaccineerd, vanaf jaarcohort 1997. Zowel voor het inhaalprogramma
als voor het RVP wordt Cervarix™ gebruikt. Een monitoringsprogramma
met aandacht voor onder andere de effectiviteit van de vaccinatie,
de duur van de bescherming, eventuele bijwerkingen, acceptatie en
relevante gedragsfactoren, werd als noodzakelijke voorwaarde voor
de introductie van vaccinatie tegen HPV-infectie in het RVP gezien
(http://www.gr.nl/) en vindt ook
plaats vanaf 2009. (Ros08) De effectiviteit van het vaccin bij
vrouwen boven de 26 jaar, en de mogelijkheden en (kosten-)
effectiviteit van vaccinatie van jongens moeten nader klinisch
worden geëvalueerd alvorens de HPV-vaccins aan deze groepen toe te
dienen. Na invoering van HPV-vaccinatie in het RVP blijft het
BVO-BMHK noodzakelijk; enerzijds om door niet-HPV-16/18-typen
veroorzaakte gevallen van baarmoederhalskanker vroegtijdig op te
sporen, anderzijds om vrouwen die niet zijn gevaccineerd
bescherming te bieden. (Hei08, Mei08)
Op dit moment zijn ook therapeutische vaccins tegen
hoogrisico-HPV-gemedieerde intra-epitheliale neoplasie (IN)-laesies
onder andere VIN en CIN, en de daaruit voortvloeiende carcinomen in
ontwikkeling. De resultaten tot nu toe zijn echter nog niet
toereikend om een oordeel te kunnen geven aangaande de haalbaarheid
van therapeutische vaccins ter behandeling van HPV-gemedieerde
CIN-laesies en maligniteiten.
8.2 Algemene preventieve maatregelen
Het gebruik van condooms tijdens seksueel contact kan beschermen tegen HPV-infecties. Condoomgebruik zal de overdracht van HPV-infecties echter nooit helemaal kunnen voorkomen, evenmin overigens als voor een andere soa. Bij nieuwe seksuele relaties kan condoomgebruik de transmissiekans van HPV verminderen. (Win06) In een studie onder jonge universiteitsstudentes resulteerde 100% condoomgebruik in 70% minder HPV-infecties vergeleken met een groep waarin in minder dan 5% van de sekscontacten een condoom werd gebruikt. (Win06) Deze studiegegevens kunnen vertekend zijn, onder andere doordat het seksuele gedrag van condoomgebruikende personen a priori anders zou kunnen zijn dan van personen die normaal gesproken geen condoom gebruiken bij seksueel contact. Daarnaast is de seksuele anamnese niet altijd betrouwbaar. (Cot06, Lia06) Andere studies tonen dat condoomgebruik ook kan voorkómen dat seksuele partners elkaar voortdurend herinfecteren. (Ble05-2) Condoomgebruik kent een beschermend effect in de preventie van cervix- en penislaesies. (Ble05-2, Hog03) Daarnaast voorkomt condoomgebruik co-infectie met andere soa’s, hetgeen ook een gunstiger beloop van een HPV-infectie zou kunnen bewerkstelligen. (Castel06)
9.1 Bronopsporing
Bronopsporing is niet van toepassing.
9.2 Contactonderzoek en partnerwaarschuwing
Gezien de hoge prevalentie van HPV in de bevolking en het feit dat het merendeel (90%) van de HPV-infecties spontaan zal genezen en nooit zal ontaarden in hooggradige CIN en/of cervixcarcinoom, heeft contactonderzoek en partnerwaarschuwing weinig zin. Duidelijke informatie naar de patiënt over het (asymptomatische) beloop van de HPV-infectie is belangrijk, met name ook in verband met de onrust die een soa kan geven in een relatie. Partners met klachten (contactbloedingen) moeten uiteraard wel geadviseerd worden een arts te raadplegen.
9.3 Maatregelen ten aanzien van patiënt en contacten
Het gebruik van condooms tijdens seksueel contact is zinvol; in een vaste relatie (continueren voor de duur van de HPV-infectie) omdat het de HPV-klaring en regressie van cervix- en penislaesies kan bevorderen, en in nieuwe seksuele relaties om de transmissiekans van HPV te verminderen. (Ble05-2, Hog03, Ric05, She06, Win06) Condoomgebruik voorkomt daarnaast ook (co-)infecties met andere soa’s. Wanneer een patiënte op basis van de HPV-infectie afwijkingen (cytologisch en/of histologisch) heeft ontwikkeld, dient zij uiteraard onder controle van de huisarts en/of behandeling van de gynaecoloog te worden gesteld.
9.4 Profylaxe
Niet van toepassing.
9.5 Wering van werk, school of kinderdagverblijf
Bij normaal sociaal verkeer op school/werk/kinderdagverblijf vindt er geen overdracht van het virus plaats. Wering is vanuit volksgezondheidsperspectief niet zinvol.
10.1 Meldingsplicht
Niet van toepassing.
10.2 Inschakelen van andere instanties
Niet van toepassing.
10.3 Andere protocollen en richtlijnen
LCI-richtlijn ‘Humaan papillomavirus – met de nadruk op anogenitale wratten’.
NHG standaard ‘Preventie en vroegdiagnostiek van cervixcarcinoom’ – M06 (april 2009), http://nhg.artsennet.nl/.
10.4 Landelijk beschikbaar voorlichtings- en informatiemateriaal
Internet Nederlands:
www.rivm.nl/cib/infectieziekten-A-Z/infectieziekten/humaan_papillomavirus_anogenitale_wratten//index.jsp
www.rivm.nl/cib/infectieziekten-A-Z/infectieziekten/humaan_papillomavirus_cervixkanker/index.jsp
http://baarmoederhalskanker.startpagina.nl
www.prikenbescherm.nl
www.rivm.nl/cib/themas/HPV-vaccinatie
www.rivm.nl/cib/themas/rvp
www.bevolkingsonderzoek.info
www.bevolkingsonderzoeknaarbaarmoederhalskanker.nl
www.gr.nl
www.hpvthuistest.nl
www.ika.nl
www.ikcnet.nl
www.kwfkankerbestrijding.nl
www.nvog.nl
www.pathology.nl
www.rivm.nl
www.soaaids-professionals.nl
www.uitstrijkje.nl
internet internationaal:
www.ecca.info
www.niaid.nih.gov
www.who.int/ hpvcentre
10.5 Literatuur
Arbyn M, Dillner J. Review of current knowledge on HPV-vaccination: an appendix to the European Guidelines for Quality Assurance in Cervical Cancer Screening. J Clin Virol 2007;38(3):189-97.
Ault KA. Effect of prophylactic human papillomavirus L1 virus-like-particle vaccine on risk of cervical intraepithelial neoplasia grade 2, grade 3, and adenocarcinoma in situ: a combined analysis of four randomised clinical trials. Lancet 2007;369(9576):1861-8.
Bais AG, et al. Human papillomavirus testing on self-sampled cervicovaginal brushes: an effective alternative to protect nonresponders in cervical screening programs. Int. J. Cancer. 2007;120(7):1505-10.
Berkhof J, et al. Human papillomavirus type-specific 18-month risk of high-grade cervical intraepithelial neoplasia in women with a normal or borderline/mildly dyskaryotic smear.Cancer Epidemiol Biomarkers Prev. 2006;15(7):1268-73.
Bleeker MC, et al. Concordance of specific human papillomavirus types in sex partners is more prevalent than would be expected by chance and is associated with increased viral loads. Clin Infect Dis. 2005;41(5):612-20.
Bleeker MC, et al. HPV type concordance in sexual couples determines the effect of condoms on regression of flat penile lesions. Br J Cancer. 2005;92(8):1388-92.
Bleeker MC, Snijders PF, Voorhorst FJ, Meijer CJ. Flat penile lesions: The infectious “invisible” link in the transmission of human papillomavirus. Int J Cancer. 2006;119(11):2505-12.
Brink AA, et al. High concordance of results of testing for human papillomavirus in cervicovaginal samples collected by two methods, with comparison of a novel self-sampling device to a conventional endocervical brush. J Clin Microbiol. 2006;44(7):2518-23.
Brown D, The Future II Study Group. HPV Type 6/11/16/18 Vaccine: First Analysis of Cross-Protection against Persistent Infection, Cervical Intraepithelial Neoplasia (CIN), and Adenocarcinoma In Situ (AIS) Caused by Oncogenic HPV Types in Addition to 16/18. 47th Interscience Conference on Antimicrobial Agents and Chemotherapy, Chicago, 2007. Abstract
Bulk S, et al. Preferential risk of HPV16 for squamous cell carcinoma and of HPV18 for adenocarcinoma of the cervix compared to women with normal cytology in The Netherlands. Br J Cancer. 2006;94(1):171-5.
Bulkmans N, et al. Human papillomavirus DNA testing for the detection of cervical intraepithelial neoplasia grade 3 and cancer: 5-year follow-up of a randomised controlled implementation trial. Lancet. 2007;370(9601):1764-72.
Bulkmans NW, et al. POBASCAM Study Group. High-risk HPV type-specific clearance rates in cervical screening. Br J Cancer. 2007;96(9):1419-24.
Bulkmans NW, et al. POBASCAM, a population-based randomized controlled trial for implementation of high-risk HPV-testing in cervical screening: design, methods and baseline data of 44,102 women. Int J Cancer. 2004;110(1):94-101.
Burchell AN, Winer RL, de Sanjose S, Franco EL. Chapter 6: Epidemiology and transmission dynamics of genital HPV infection. Vaccine. 2006;24 Suppl 3:S52-61.
Castellsague X, et al. International Agency for Research on Cancer Multicenter Cervical Cancer Study Group. Worldwide human papillomavirus etiology of cervical adenocarcinoma and its cofactors: implications for screening and prevention. J Natl Cancer Inst. 2006;98(5):303-15.
Castellsague X, Sanjose S de, Aguado T, Louie KS, Bruni LMunoz J, et al, editors. HPV and Cervical Cancer in the World: 2007 Report. Vaccine, Volume 25, Supplement 3, Pages C1-C230 (1 November 2007).
Castle PE, Sadorra M, Garcia F, Holladay EB, Kornegay J. A Pilot Study of a Commercialized Human Papillomavirus (HPV) Genotyping Assay: Comparison of HPV Risk Group to Cytology and Histology. J Clin Microbiol. 2006;44(11):3915-7.
Clifford G, Franceschi S, Diaz M, Munoz N, Villa LL. Chapter 3: HPV type-distribution in women with and without cervical neoplastic diseases. Vaccine. 2006;24 Suppl 3:S26-34.
Clifford GM, et al. IARC HPV Prevalence Surveys Study Group. Worldwide distribution of human papillomavirus types in cytologically normal women in the International Agency for Research on Cancer HPV prevalence surveys: a pooled analysis. Lancet. 2005;366(9490):991-8.
Cogliano V, Baan R, Straif K, Grosse Y, Secretan B, El Ghissassi F; WHO International Agency for Research on Cancer. Carcinogenicity of human papillomaviruses. WHO Lancet Oncol. 2005;6(4):204.
Cottler L, Garvin EC, Callahan C. Condom use and the risk of HPV infection. N Engl J Med. 2006;355(13):1388-9; author reply 1389.
Doorbar J. Molecular biology of human papillomavirus infection and cervical cancer Clinical Science 2006;110:525–541.
Dyson N, Howley PM, Munger K, Harlow E. The human papillomavirus-16 E7 oncoprotein is able to bind to the retinoblastoma gene product. Science. 1989;243:934-7.
Franceschi S, et al. Variations in the age-specific curves of human papillomavirus prevalence in women worldwide. Int J Cancer. 2006;119(11):2677-84.
Garland SM, Hernandez-Avila M, Wheeler CM, et al. Quadrivalent vaccine against human papillomavirus to prevent anogenital diseases. N Engl J Med 2007;356(19):1928-43.
Gezondheidsraad. Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker. Den Haag: Gezondheidsraad, 2008; publicatienr. 2008/08. ISBN-13: 978-90-5549-702-7
Giannini SL, Hanon E, Moris P, Van MM, Morel S, Dessy F et al. Enhanced humoral and memory B cellular immunity using HPV16/18 L1 VLP vaccine formulated with the MPL/aluminium salt combination (AS04) compared to aluminium salt only. Vaccine 2006; 24(33-34):5937-5949.
Grulich AE, Leeuwen MT van, Falster MO, Vajdic CM. Incidence of cancers in people with HIV/AIDS compared with immunosuppressed transplant recipients: a meta-analysis. Lancet. 2007;370(9581):59-67.
Harper DM, Franco EL, Wheeler C, et al. Efficacy of a bivalent L1 virus-like particle vaccine in prevention of infection with human papillomavirus types 16 and 18 in young women: a randomised controlled trial. Lancet 2004;364(9447):1757-65.
Harper DM, Franco EL, Wheeler CM, et al. Sustained efficacy up to 4.5 years of a bivalent L1 virus-like particle vaccine against human papillomavirus types 16 and 18: follow-up from a randomised control trial. Lancet 2006;367(9518):1247-55.
Heideman DAM, Snijders PJF, Berkhof J, Verheijen RHM, Helmerhorst TJM, Meijer CJLM. Vaccination against HPV: indications for women and the impact on the cervical screening programme. BJOG, 2008;115(8):938-46.
Helmerhorst TJ, Meijer CJ. Cervical cancer should be considered as a rare complication of oncogenic HPV infection rather than a STD. Int J Gynecol Cancer. 2002;12(3):235-6.
Hogewoning CJ, et al. Condom use promotes regression of cervical intraepithelial neoplasia and clearance of human papillomavirus: a randomized clinical trial. Int J Cancer. 2003;107(5):811-6.
Joura EA, Leodolter S, Hernandez-Avila M, et al. Efficacy of a quadrivalent prophylactic human papillomavirus (types 6, 11, 16, and 18) L1 virus-like-particle vaccine against high-grade vulval and vaginal lesions: a combined analysis of three randomised clinical trials. Lancet 2007;369(9574):1693-702.
Khan MJ, et al. The elevated 10-year risk of cervical precancer and cancer in women with human papillomavirus (HPV) type 16 or 18 and the possible utility of type-specific HPV,testing in clinical practice. J Natl Cancer Inst. 2005;97(14):1072-9.
Liang W. Condom use and the risk of HPV infection. N Engl J Med. 2006;355(13):1388; author reply 1389.
Meijer CJ, Snijders PJ, Castle PE. Clinical utility of HPV genotyping. Gynecol Oncol. 2006;103(1):12-7.
Meijer CJLM, Berkhof J, Heideman DAM, Snijders PJF. Cervical cancer prevention: Vaccine for pre-pubertal women and adapted cervical screening for older (>30 years) women. Nature Opinion Clin Oncol, 2008;5:12-3.
Molden T, et al. Predicting CIN2+ when detecting HPV mRNA and DNA by PreTect HPV-proofer and consensus PCR: A 2-year follow-up of women with ASCUS or LSIL Pap smear. Int J Cancer. 2005;114(6):973-6.
Munoz N, Castellsague X, de Gonzalez AB, Gissmann L. Chapter 1: HPV in the etiology of human cancer. Vaccine 2006;24S3:S1-S10.
Nandwani R. 2006 United Kingdom National guideline on the sexual health of people with hiv: sexually Transmitted Infections. Post consultation HIV/STI guideline. BASHH 2006: pagina13-14.
Olsson SE, Villa LL, Costa RL, et al. Induction of immune memory following administration of a prophylactic quadrivalent human papillomavirus (HPV) types 6/11/16/18 L1 virus-like particle (VLP) vaccine. Vaccine 2007;25(26):4931-9.
Paavonen J, Jenkins D, Bosch FX, et al. Efficacy of a prophylactic adjuvanted bivalent L1 virus-like-particle vaccine against infection with human papillomavirus types 16 and 18 in young women: an interim analysis of a phase III double-blind, randomised controlled trial. Lancet 2007;369(9580):2161-70.
Parkin DM, Bray F. Chapter 2: The burden of HPV-related cancers. Vaccine. 2006;24 Suppl 3:S11-25.
Quint WGV, Ter Harmsel WA, et al. Vaccinatie tegen HPV ter preventie van baarmoederhalskanker. Nederlands tijdschrift voor Geneeskunde 2006;150:1380-4.
Richardson H, et al. Modifiable risk factors associated with clearance of type-specific cervical human papillomavirus infections in a cohort of university students. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev. 2005;14(5):1149-56.
Roden R, Wu TC. How will HPV-vaccines affect cervical cancer? Nat Rev Cancer. 2006;6(10):753-63.
Rossum TGJ van, Houweling H, Voordouw ACG, Meijer CJLM, Helmerhorst ThJM, Melker HE de. Vaccins tegen Humaan papillomavirus (HPV): tussen registratie en implementatie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008; 152; 987-92.
Sand PK, Bowen LW, Blischke SO, Ostergard DR. Evaluation of male consorts of women with genital human papillomavirus infections. Obstet Gynecol 1986; 2:679-81.
Scheffner M, Werness BA, Huibregtse JM, Levine AJ, Howley PM. The E6 oncoprotein encoded by human papillomavirus types 16 and 18 promotes the degradation of p53. Cell. 1990;63:1129-36.
Schiffman M, Kjaer SK. Chapter 2: Natural history of anogenital human papillomavirus infection and neoplasia. J Natl Cancer Inst Monogr. 2003;(31):14-9.
Shew ML, et al. Association of condom use, sexual behaviors, and sexually transmitted infections with the duration of genital human papillomavirus infection among adolescent women. Arch Pediatr Adolesc Med. 2006;160(2):151-6.
Snijders PJ, Brule AJ van den, Meijer CJ. The clinical relevance of human papillomavirus testing: relationship between analytical and clinical sensitivity. J Pathol. 2003;201(1):1-6.
Snijders PJ, et al. Determination of viral load thresholds in cervical scrapings to rule out CIN 3 in HPV 16, 18, 31 and 33-positive women with normal cytology. Int J Cancer. 2006;119(5):1102-7.
Snijders PJ, Steenbergen RD, Heideman DA, Meijer CJ. HPV-mediated cervical carcinogenesis: concepts and clinical implications.J Pathol. 2006;208:152-64.
Steenbergen RD, Kramer D, Braakhuis BJ, Stern PL, Verheijen RH, Meijer CJ, et al. TSLC1 gene silencing in cervical cancer cell lines and cervical neoplasia. J Natl Cancer Inst 2004;96(4):294-305.
The Future II Study Group. Quadrivalent vaccine against human papillomavirus to prevent high-grade cervical lesions. N Engl J Med 2007;356(19):1915-27.
Trottier H, Franco EL. The epidemiology of genital human papillomavirus infection. Vaccine. 2006;24 Suppl 1:S1-15.
Villa LL, Ault KA, Giuliano AR, et al. Immunologic responses following administration of a vaccine targeting human papillomavirus Types 6, 11, 16, and 18. Vaccine 2006;24(27-28):5571-83.
Villa LL, Costa RL, Petta CA, et al. High sustained efficacy of a prophylactic quadrivalent human papillomavirus types 6/11/16/18 L1 virus-like particle vaccine through 5 years of follow-up. Br J Cancer 2006;95(11):1459-66.
Villa LL, Costa RL, Petta CA, et al. Prophylactic quadrivalent human papillomavirus (types 6, 11, 16, and 18) L1 virus-like particle vaccine in young women: a randomised double-blind placebo-controlled multicentre phase II efficacy trial. Lancet Oncol 2005;6(5):271-8.
Villiers EM de, Fauquet C, Broker TR, Bernard HU, zur Hausen H. Classification of papillomaviruses. Virology. 2004;20;324:17-27.
Walboomers JM, et al. Human papillomavirus is a necessary cause of invasive cervical cancer worldwide.J Pathol. 1999;189:12-9.
Wallin KL, Wiklund F, Angstrom T, Bergman F, Stendahl U, Wadell G, et al. Type-specific persistence of human papillomavirus DNA before the development of invasive cervical cancer. N Engl J Med 1999; 341:1633-1638.
Wang SS, Hildesheim A. Chapter 5: Viral and host factors in human papillomavirus persistence and progression. J Natl Cancer Inst Monogr. 2003;(31):35-40.
Wheeler CM, Hunt WC, Schiffman M, Castle PE; Atypical Squamous Cells of Undetermined Significance/Low-Grade Squamous Intraepithelial Lesions Triage Study (ALTS) Group. Human papillomavirus genotypes and the cumulative 2-year risk of cervical precancer. J Infect Dis. 2006;194(9):1291-9.
Winer RL, et al. Condom use and the risk of genital human papillomavirus infection in young women. N Engl J Med. 2006;354(25):2645-54.
Winer RL, Kiviat NB, Hughes JP, Adam DE, Lee SK, Kuypers JM, et al. Development and duration of human papillomavirus lesions, after initial infection. J Infect Dis 2005;191:731-738.
Woodman CBJ, Collins SI, Young LS. The natural history of cervical HPV infection: unresolved issues. Nature Reviews Cancer 2007;7:11-22.
Zheng ZM, Baker CC. Papillomavirus genome structure, expression, and post-transcriptional regulation. Front Biosci. 2006,11: 2286–2302.
Zielinski GD, Snijders PJ, Rozendaal L, Voorhorst FJ, Linden HC van der, Runsink AP, et al. HPV presence precedes abnormal cytology in women developing cervical cancer and signals false negative smears. Br J Cancer 2001;85:398-404.
LCI/Gr augustus 2008, laatst gewijzigd oktober 2011