U bevindt zich op: Home › Bibliotheek › Professioneel Praktisch › LCI-richtlijnen › Brucellose
Brucellose is een zoönose, veroorzaakt door bacteriën van het geslacht Brucella, die in Nederland sporadisch en uitsluitend als importziekte voorkomt. De ziekte is voor het eerst beschreven in 1861 door Marston, die op Malta verantwoordelijk was voor de gewonden en zieken van de Krimoorlog. De verwekker van brucellose is in 1887, eveneens op Malta, voor het eerst geïsoleerd door Bruce. Pas in 1907 kon Zammit aannemelijk maken dat de Maltese geiten het lokale dierlijke reservoir vormden. Hij slaagde er korte tijd later in om bacteriën uit het bloed en de melk van ogenschijnlijk gezonde geiten te isoleren. De Deense arts Bang isoleerde in 1895 de verwekker uit de placenta van koeien die aan infectieuze abortus leden. Brucella canisis pas bekend sinds 1966 toen de bacterie een uitbraak van abortus veroorzaakte in een kennel met beagles.
Brucella ssp. zijn kleine, facultatief intracellulaire gramnegatieve coccobacillen zonder kapsel, sporen of flagellen. Van de zes bekende Brucella-specieszijn er vier humaan pathogeen. Dit zijn, in de volgorde van afnemend ziekteverwekkend vermogen voor de mens, Brucella melitensis(Maltakoorts of brucellose mediterrane), Brucella suis(varkensbrucellose), Brucella abortus(veroorzaker van de ziekte van Bang) en Brucella canis(hondenbrucellose). De eerste drie organismen in dit rijtje kunnen verder in biovars worden onderverdeeld. Brucella ovis(schaap) is uitsluitend van veterinair belang en Brucella neotomaeis alleen bij een wilde knaagdiersoort aangetroffen. (Hoo97)Brucella-stammen van mariene zoogdieren, die door sommige auteurs als aparte species worden beschouwd (B. maris, B. pinnipedae ofcetaceae), hebben incidenteel humane infecties veroorzaakt. (Soh03)
Na binnendringen van het lichaam wordt de bacterie gefagocyteerd door granulocyten en macrofagen. Het micro-organisme is echter in staat om de fusie tussen fagosoom en lysosoom te voorkomen waardoor het intracellulair kan overleven en zich kan vermenigvuldigen in cellen van het reticulo-endotheliale systeem (waaronder de milt). De bacteriën kunnen ook repliceren in nieren, lever of gewrichten, met gelokaliseerde of systemische infectie als gevolg. Extracellulaire vermenigvuldiging kan leiden tot granuloomvorming, speciaal in de lever en de milt.
De incubatieperiode duurt 1 week tot 6 à 7 maanden (meestal 1 tot 2 maanden).
Het klinische spectrum van humane brucellose varieert van
subklinisch via acuut tot chronisch.
Hoewel de ziekte acuut kan beginnen, is het begin meestal sluipend
en wordt gekarakteriseerd door geringe koorts zonder lokale
symptomen. Er is soms sprake van een typisch golvend
temperatuurverloop (febris undulans), maar de koorts is vaak
irregulair en onvoorspelbaar. (Gan65) De koorts gaat vergezeld met
klachten over hoofdpijn, malaise, moeheid, zweten en artralgieën.
De gewrichtsklachten kunnen in principe ieder gewricht betreffen
maar sacro-iliitis en spondylitis komen het meeste voor.
Brucellaekunnen in beginsel ieder orgaansysteem aantasten.
Indien niet herkend is het beloop doorgaans chronisch en gaat
gepaard met gebrek aan eetlust en gewichtsverlies. Bij lichamelijk
onderzoek vindt men bij een deel van de patiënten lymfadenopathie
en/of hepatosplenomegalie.
Ondanks behandeling treedt in 5-10% van de gevallen een relapse van de ziekte op. Dit wordt doorgaans niet veroorzaakt door resistentie tegen de gebruikte antibiotica. Brucellaekunnen ondanks antibiotische therapie overleven in mononucleaire fagocyten.
Complicaties zijn onder meer bacteriële endocarditis, nefritis,
meningo-encefalitis, osteomyelitis en orchitis. De letaliteit
bedraagt <1% en is vooral geassocieerd met het ontstaan van
bacteriële endocarditis.
In niet-enzoötische gebieden verloopt de infectie mogelijk
ernstiger door doctor’s delay: bij de 31 gevallen van brucellose
die in 2002 en 2003 in Duitsland werden gemeld werden vaker
complicaties gevonden dan bij patiënten met brucellose in
enzoötische gebieden, waarschijnlijk als gevolg van een trager
verlopende diagnostiek doordat de ziekte laag in de
differentiaaldiagnose staat. (Dah05)
Een op brucellose gelijkend ziektebeeld is ook mogelijk na
blootstelling aan levend verzwakt Brucella-vaccin (dat
wordt toegepast bij dieren). Bij 26 gevallen van blootstelling aan
RB51-vaccin (prikaccident, vaccin op conjunctiva of in wondje)
traden bij ongeveer driekwart van de gevallen één of meer
systemische klachten op. (Ash04)
Een onbehandelde brucellosis kan door
algehele malaiseklachten beperkingen geven in het persoonlijk en
sociaal functioneren. Verder kunnen door pijn aan de gewrichten
beperkingen ontstaan voor dynamische handelingen. Hierdoor kan de
werknemer verminderd tot niet belastbaar zijn (urenbeperking).
Complicaties leiden tot meer beperkingen of er is sprake van
volledige arbeidsongeschiktheid.
Behandeling (antibiotica) geeft een snel herstel (enkele dagen tot weken) van de symptomen. Een vertraagde herstelperiode ondanks dalen van de titer wordt ook beschreven.
Werknemers kunnen geen risicovormer zijn
vanuit arbeidsgezondheidskundig oogpunt. Zie 9.5.
Hierover is vrijwel niets bekend. Brucellose heeft ook bij voorheen gezonde personen een buitengewoon variabel ziekteverloop.Er zijn geen aanwijzingen dat brucellose bij een zwangere vrouw ernstiger verloopt. Er bestaat echter wel een verhoogde kans op een spontane abortus, vooral in het eerste en tweede trimester van de zwangerschap.(Kha01)
Immuniteit berust voornamelijk op de opgebouwde cellulaire respons, maar antistoffen in het serum geven ook enige bescherming tegen re-infectie. In geval van infectie ontstaat eerst een IgM-respons, spoedig gevolgd door een toename van het serum-IgG. IgM kan gedurende enkele maanden na het begin van de infectie aantoonbaar blijven. Langdurig hoge IgG-titers of een nieuwe stijging kunnen wijzen op een chronische infectie of op een relapse.
Meestal wordt de diagnose door serologisch onderzoek
vastgesteld. De redenen hiervoor zijn van praktische aard: het kan
tot 4 weken duren voordat een kweek positief wordt en in de
praktijk heeft de patiënt vaak al antibiotica gebruikt, waardoor de
kweek onbruikbaar wordt. Een viervoudige of grotere stijging van de
serumantistoffen of een seroconversie is een aanwijzing voor een
recente infectie (EIA of agglutinatietest). Kruisreacties met onder
andere Yersiniazijn beschreven. De sensitiviteit van
serologisch onderzoek is >80% afhankelijk van de gebruikte test.
De specificiteit van de EIA is groter dan van de agglutinatietest.
(Col06)
Het aantonen van de bacterie is bewijzend voor de ziekte. Omdat
Brucella spp.frequent laboratoriuminfecties (heeft)
veroorzaakt, moet verwerking van het patiëntenmateriaal bij
voorkeur onder BSL-3-omstandigheden plaatsvinden. Bij verdenking op
brucellose moet de arts die het laboratoriumonderzoek aanvraagt
hiervan dan ook expliciet melding maken. Omdat
Brucellaehet reticulo-endotheliale systeem infecteren moet
voor isolatie van de bacterie bloed of beenmerg worden ingezonden.
In een studie bij 50 patiënten met bewezen brucellose waren de
bloed- en de beenmergkweken bij respectievelijk 70% en 92% van de
patiënten positief. (Got86) Later in het ziektebeloop kan men de
bacterie ook isoleren uit geïnfecteerde lymfeklieren of de lever.
NB Als de aanvragende arts ‘Brucella’niet expliciet op de
aanvraag vermeldt, zal de kweek onvoldoende lang instaan en dus
mogelijk niet positief kunnen worden.
Ook is diagnostiek door middel van PCR mogelijk (in ieder geval in
het LIS, Centrum Infectieziektebestrijding, RIVM).
Niet van toepassing.
Brucella-species hebben een relatieve voorkeur voor
bepaalde diersoorten. Behalve bij huisdieren komen
Brucella-infecties ook bij in het wild levende
dieren voor. Brucella abortuskomt vooral bij rundvee voor,
maar is onder andere ook gevonden bij paarden. Bizons en herten in
Noord-Amerika en Afrikaanse buffels worden als reservoir beschouwd.
B. melitensiswordt vooral bij schapen en geiten gevonden,
maar ook bij kamelen en alpaca’s. Het gastheerbereik van B.
melitensisis beperkter dan dat van B. abortusof
B. suis. De biovars 1, 2 en 3 van B. suiszijn de
veroorzakers van varkensbrucellose. Alhoewel varkensbrucellose
wereldwijd voorkomt, is de prevalentie bij gehouden varkens, met
uitzondering van Zuidoost-Azië en Zuid-Amerika, laag. Biovar 2 komt
alleen in Europa voor en is, in tegenstelling tot biovars 1 en 3,
nauwelijks pathogeen voor de mens. Als reservoir voor biovar 2
fungeren wilde zwijnen en hazen. B. suisbiovar 4 is het
etiologische agens van rendierbrucellose, een ernstige zoönose in
het Arctische gebied. De risico’s voor de mens door brucellose bij
wilde dieren zijn, met uitzondering van jagers, beperkt (God02).
Nederland is sinds 1999 door de Europese Unie officieel vrij
verklaard van Brucella abortus. Daarnaast is Nederland ook
officieel vrij van B. melitensis. B. ovis, B.
suisen B. caniskomen evenmin in Nederland voor.
Brucellose bij zoogdieren (en in het bijzonder bij
landbouwhuisdieren) is een meldingsplichtige dierziekte. Brucellose
bij landbouwhuisdieren moet op grond van EU- wetgeving bestreden
worden. In Nederland bewaakt de Gezondheidsdienst voor Dieren onder
eindverantwoordelijkheid van het Ministerie van LNV de
Brucella-vrije status. In het kader van de
bewaking vindt steekproefsgewijs onderzoek plaats van bloed
(runderen en schapen) en tankmelk (runderen), evenals bloed van
runderen die een abortus hebben gehad. In Nederland worden
landbouwhuisdieren in verband met de officiële vrijstatus niet
tegen brucellose geënt.
In de Europese Unie is brucellose in de zuidelijke lidstaten
enzoötisch. Het betreft vooral B. melitensisen in mindere
mate B. abortus. Import van geïnfecteerde dieren vormt het
grootste risico voor de introductie van brucellose. Daarnaast kan,
alhoewel waarschijnlijk van ondergeschikt belang voor de
Nederlandse situatie, insleep vanuit de wilde fauna een rol spelen.
Voor het internationale handelsverkeer met landbouwhuisdieren zijn
op certificering gebaseerde veterinaire waarborgen van kracht die
moeten voorkomen dat brucellose vanuit
Brucella-enzoötische gebieden wordt
geïntroduceerd.
Brucella-infecties bij drachtige dieren worden
gekenmerkt door abortus, doodgeboren of niet levensvatbare jongen,
retentie van de placenta en baarmoederontstekingen, bij mannelijke
dieren kunnen ontstekingen van de testes optreden.
Voor meer gedetailleerde informatie over de veterinaire aspecten
wordt verwezen naar de website van de nieuwe VWA en naar
handboeken. (Ach03)
De bacterie komt in het lichaam door de beschadigde huid, via
slijmvliezen (bijvoorbeeld de conjunctiva), via de orale weg of via
de luchtwegen. De mens raakt meestal besmet door contact met
besmette dieren, het drinken van rauwe melk of de consumptie van
producten die van ongepasteuriseerde melk zijn gemaakt (zachte
kazen). Ook door contact met geaborteerde foetussen of met
placenta’s van geïnfecteerd vee kunnen bacteriën overgebracht
worden.
Alle Brucella-species kunnen gemakkelijk een
laboratoriuminfectie veroorzaken, voornamelijk door besmetting via
aerosolen van culturen die niet in een veiligheidskast zijn
bewerkt. Ook in Nederland is in 1986 een epidemie van brucellose
onder medewerkers van verschillende laboratoria ontstaan door de
verwerking van Brucellabevattende bloedkweken
buiten het veiligheidskabinet. Verzending van een ‘onbekende stam
voor nadere determinatie’ naar een referentielaboratorium leidde
ook daar tot een laboratoriuminfectie. (Kui02)
Hoewel mensen met een Brucella-infectie
theoretisch besmettelijk kunnen zijn voor anderen is overdracht van
mens op mens in de praktijk buitengewoon zeldzaam (in de literatuur
zijn slechts enkele case-reports te vinden):
Er zijn - schaarse - aanwijzingen dat overdracht via seksueel contact mogelijk is. (Rub91, Wya96)
In twee gevallen is een infectie beschreven bij personen bij wie de eigen partner een B. melitensis-infectie had; in beide gevallen kon geen enkele andere mogelijke bron worden geïdentificeerd. (Rub91)
Ten minste éénmaal is overdracht via borstvoeding aannemelijk gemaakt. (Lub88)
Overdracht is ook mogelijk via bloedtransfusie of weefseltransplantatie. (Eco76, Ert00)
Over de besmettelijke periode bij de mens is niets bekend. Overdracht van mens op mens is zeer zeldzaam.
Brucellakan tot 6 weken in stof en tot 10 weken in grond en water overleven. (Fra97) Brucellaezijn gevoelig voor de meeste desinfectantia en voor verhitting.
(Zie ‘Reiniging, desinfectie en sterilisatie in de openbare gezondheidszorg – Standaardmethoden’)
|
Standaardmethoden desinfectie |
Methode |
|---|---|
|
Oppervlakken (bloed) |
2.1.2 |
|
Instrumenten (niet huid-of slijmvliesdoorborend, wel bloed) |
2.2.2 |
|
Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend) |
3.1 |
|
Textiel |
Niet van toepassing |
|
Intacte huid |
Niet van toepassing |
|
Niet-intacte huid |
Niet van toepassing |
|
Handen |
2.4.3 |
Brucellose kan op iedere leeftijd voorkomen; de ziekte komt
echter vaker voor bij mannen in de leeftijdsgroep 20-60 jaar, wat
te maken heeft met blootstelling via het werk. In een
niet-endemisch gebied is consumptie van niet-gepasteuriseerde melk
of kaas uit endemische gebieden de meest voorkomende bron van
blootstelling. De infectie komt dan even vaak voor bij mannen als
vrouwen. (Dah05) In enzoötische gebieden waar B.
melitensisde meest voorkomende soort is wordt tot 40% van de
humane gevallen gevonden bij kinderen van minder dan 15 jaar oud.
In Nederland zijn risicogroepen:
Reizigers naar enzoötische gebieden die de maatregelen op het gebied van de voedselhygiëne onvoldoende in acht nemen of in contact komen met vruchtwater, placenta’s of rauwe melk(producten) van geïnfecteerde dieren. In 1997 is een uitbraak van brucellose onder de leden van een Nederlands reisgezelschap naar China beschreven. (Ove97) Er is vooral risico door contact met dieren of verblijven in de onmiddellijke omgeving van dieren. Het is niet uitgesloten dat overdracht kan plaatsvinden door minder intensief contact met dieren.
Personen afkomstig uit enzoötische gebieden.
Hoewel personen met een hivinfectie theoretisch een verhoogd risico lopen is brucellose, ook in enzoötisch gebied, bij hen slechts weinig beschreven. (Mor98)
Arbeidsgerelateerde
risicogroepen
Arbeidsgerelateerde risicogroepen in Nederland zijn laboratoriumpersoneel en werknemers die in contact komen met mogelijk besmette dieren uit het buitenland. (Pap06)
Laboratoriumpersoneel
Brucellose is wereldwijd een van de meest voorkomende
arbeidsgerelateerde infectieziekten in laboratoria. (Yag05, Dah05,
Rob04) Blootstelling aan brucellose kan plaatsvinden in alle
laboratoria voor medische microbiologie, zoals
onderzoekslaboratoria voor dierlijke of humane producten waar
gericht onderzoek plaatsvindt naar brucellose, maar ook in een
algemeen ziekenhuislaboratorium waar de ziekteverwerker van te
voren niet bekend is. De meeste gevallen van arbeidsgerelateerde
brucellose zijn opgelopen in ziekenhuislaboratoria. (Yag05)
Blootstelling is vaak het gevolg van onveilige
laboratoriumwerkzaamheden, zoals het werken buiten een
veiligheidskabinet, ruiken aan platen of het niet gebruiken van
persoonlijke beschermingsmiddelen. Slechts in 20% van de gevallen
is brucellose opgelopen door ongelukken, zoals het breken van
centrifugebuizen. (Yag05)
Brucellose is zo besmettelijk dat bij onvoldoende veiligheidsmaatregelen ook personen buiten de laboratoriumruimten risico lopen. (Yag05)
Werknemers die in contact komen met mogelijk besmette dieren uit
het buitenland
Het is theoretisch mogelijk dat een besmet dier geïmporteerd wordt
in Nederland. Indien door zo’n besmet dier brucellose wordt
geïmporteerd krijgen de veehouder en dierenarts hier als eerste mee
te maken. Als de dieren op een bedrijf worden geruimd, moeten ook
de personen die de dieren doden en vervoeren de juiste
beschermingsmaatregelen treffen om besmetting te voorkomen.
Nederlandse werknemers in endemische gebieden
Personen die reizen naar landen waar brucellose endemisch is en die
tijdens hun werk in contact kunnen komen met besmet vee of besmette
wilde dieren.
Brucellose komt in grote delen van de wereld enzoötisch voor:
delen van Afrika, Zuid- en Midden-Amerika, Zuid-Europa, het
Midden-Oosten en Azië. In West-Europa en Canada is brucellose een
weinig voorkomende importziekte.
Men schat echter dat wegens de gevarieerde klinische verschijnselen
van brucellose slechts 4-10% van de infecties worden herkend en
gerapporteerd. (Wis80)
In Spanje (een enzoötisch gebied) meldde 12% van 628 respondenten
van een postenquête onder laboratoriummedewerkers (microbiologen en
analisten) dat zij ooit een laboratoriuminfectie met
Brucellahadden doorgemaakt. Bij 80% was sprake van
doorbreking van de veiligheidsmaatregelen. (Bou05) In Engeland en
Wales (niet-enzoötisch gebied) werd in een onderzoek door middel
van een postenquête onder 21.000 analisten (respons 85%) één geval
van brucellose gerapporteerd. (Har76)
Het aantal meldingen van brucellose in Nederland varieerde in de
periode 1988-2005 van 1 tot 10, met een gemiddelde van 4 gevallen
per jaar Dit komt overeen met een gemiddelde incidentie van
ongeveer 3 per 10.000.000 inwoners. In de periode 1988-2005 werden
in totaal 72 gevallen bij de IGZ gemeld. (ISIS RIVM 2006) In
hoeverre hierbij sprake kan zijn van onderrapportage is nooit
onderzocht. Dat onderrapportage waarschijnlijk is, blijkt in ieder
geval uit het feit dat de infecties onder de leden van een
reisgezelschap in 1997 niet of hoogstens ten dele zijn gemeld.
Van de 24 patiënten die in de periode 2003 tot mei 2007 zijn
gemeld, werden er 12 besmet in Turkije, 6 in andere landen in het
Midden-Oosten, één in Pakistan, één in Spanje en 4 in Nederland.
Van deze vier was bij twee personen de bron onbekend, éénmaal was
de patiënt vermoedelijk besmet via geïmporteerde geitenkaas en één
geval betrof mogelijk een laboratoriuminfectie. Bij de in het
buitenland besmette personen was de bron meestal consumptie van
kaas of rauwe melk.
In de periode 2001-2006 werden twee
arbeidsgerelateerde ziektegevallen gemeld. (ISIS RIVM)
De therapie bestaat uit behandeling met antibiotica.
Dosering volwassenen:
1ste keus: streptomycine im 1 g 1 dd, 14 dagen, of gentamicine iv 5 mg/kg 1 dd, 7 dagen. Beiden + doxycycline 100 mg 2 dd, 6 weken. NB: streptomycine is in Nederland niet meer geregistreerd; op bewustheidsverklaring wel verkrijgbaar.
2de keus: rifampicine: 600-900 mg (10 mg/kg)/dag (nuchter), 6 weken + doxycycline: 100 mg 2 dd, 6 weken.
3de keus: co-trimoxazol 960 mg 2 dd, 6 weken + rifampicine 600-900 mg 1 dd (10 mg/kg), 2 weken.
Dosering kinderen:
> 8 jaar: rifampicine 10 mg/kg/dosis + doxyxcycline 2
mg/kg/dosis.
< 8 jaar: rifampicine monotherapie of rifampicine + cotrimoxazol
(15 mg S + 3 mg T /kg/dosis).
Opmerkingen:
Zwangeren: rifampicine monotherapie : 15-20 mg/kg/dag, ofwel co-trimoxazol als boven. (Voor uitgebreide informatie over de behandeling, zie: www.swab.nl)
Zie voor uitgebreide informatie over de behandeling de richtlijn van de Stichting Werkgroep Antibiotica Beleid: http://customid.duhs.duke.edu/NL/Main/Diagnosis.asp?DiagnosisID=216
Geen.
Omdat brucellose niet endemisch in Nederland voorkomt, richten algemene preventiemaatregelen zich momenteel alleen op reizigers naar enzoötische gebieden en personen die beroepsmatig in contact kunnen komen met brucellose.
Daarnaast is het theoretisch mogelijk dat naar Nederland ingevoerde rauwmelkse kaas Brucella sp.bevat. Preventie gericht op consumenten van kaas is echter niet zinvol (alleen in geval van een uitbraak). In Spanje deed zich in 2002 een uitbraak van 11 gevallen van brucellose voor die kon worden teruggevoerd op een batch van rauwmelkse geitenkaas (Mén03).
Reizigers naar endemische gebieden (al dan niet beroepsmatig;
óók stagiaires)
De adviezen voor deze groepen zijn:
Drink geen rauwe melk en nuttig geen lokaal vervaardigde producten gemaakt van rauwe melk.
Vermijd het bijwonen van geboortes van dieren bij wie een Brucella-infectie kan vóórkomen.
Beroepsmatig: pas systematisch de relevante
hygiënemaatregelen toe bij contact met potentieel besmette dieren
vastgesteld op basis van de risico-inventarisatie en –evaluatie
(denk aan slachthuiswerkers, veehouders, dierenartsen,
microbiologen en analisten).
Medewerkers van laboratoria die met
materialen werken die mogelijk Brucellae kunnen
bevatten.
Brucellaebehoren tot de biologische agentia
metrisicoclassificatie 3. Laboratoriummedewerkers die kunnen worden
blootgesteld, moeten beheersmaatregelen nemen die behoren bij
beheersingsniveau 3. Deze maatregelen zijn beschreven in bijlage V
van Europese richtlijn 2000/54/EG L 262/21.
Bronopsporing is nodig, met name om eventuele bronnen in Nederland aan het licht te brengen dan wel om aanwijzingen te vinden die besmetting in Nederland relatief onwaarschijnlijk maken (zie bijlage I. Vragenlijst voor brononderzoek). De literatuur geeft geen antwoord op de vraag hoe lang na de eerste ziektedag het starten van bronopsporing nog zin heeft. Vanwege de lange (en variabele) incubatietijd moet deze zeker nog worden gestart tot 2 maanden na de eerste ziektedag. Bij het brononderzoek wordt teruggegaan tot 2 maanden vóór de eerste ziektedag.
Als een waarschijnlijke bron binnen Nederland wordt gevonden moet nagegaan worden wie verder aan deze bron zijn blootgesteld. Dit kan in sommige gevallen ook aangewezen zijn bij een bron in het buitenland (reisgezelschap waarbij anderen aan dezelfde bron blootgesteld kunnen zijn).
Voor een evidence-based uitwerking zie bijlage III.
Aangezien brucellose niet van mens op mens overdraagbaar is, is contactonderzoek onder personen die contact hebben gehad met een besmette patiënt niet nodig.
Voor een evidence-based uitwerking zie bijlage III.
Contactonderzoek onder personen die contact hebben gehad met de
bron, bijvoorbeeld laboratoriummedewerkers, is contactonderzoek wel
nodig. Voor een uitwerking hiervan zie bijlage IV.
Geen.
Bij blootstelling aan Brucella spp. in een laboratoriumsetting wordt postexpositieprofylaxe met antibiotica aan de blootgestelde(n) aangeboden. Voor een uitwerking hiervan zie bijlage IV.
Omdat er geen gegevens zijn over het passende middel of de duur van de profylaxe wordt – pragmatisch – aangeraden om te handelen als bij therapie van een infectie. (Rob04)
Brucellose wordt slechts uiterst zelden van mens op mens overgedragen. Wering is niet van toepassing.
Brucellose is een meldingsplichtige ziekte groep C. Het laboratorium waar de desbetreffende ziekteverwekker is vastgesteld en de arts dienen dit te melden aan deGGD. De GGDmeldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid en levert gegevens voor de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten.
Meldingscriterium:
Elke persoon met koorts
en
tenminste 1 van de 7 volgende symptomen:
In combinatie met:
1 van de genoemde laboratoriumcriteria:
aantonen van Brucella spp. uit patiëntenmateriaal (bloed, beenmerg, andere weefsels of andere uitscheidingsproducten)
of
aantonen van een viervoudige of grotere titerstijging in een serumpaar (sera afgenomen in de acute fase en de herstelfase met een tussenpoos van twee of meer weken)
of
bij late diagnostiek een eenmalige hoge titer (binnen het referentiekader van het desbetreffende laboratorium)
Indien de ziekte (waarschijnlijk) is
opgelopen tijdens de beroepsuitoefening moet de casus door een
geregistreerde bedrijfsarts worden gemeld bij het Nederlands
Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). (www.beroepsziekten.nl)
Brucellae worden geclassificeerd in
categorie 3 van de biologische agentia. Ongevallen met biologische
agentia van categorie 3 en 4 moeten zo snel mogelijk worden gemeld
bij de Arbeidsinspectie in de regio.
(www.arbeidsinspectie.szw.nl)
Melden aan de nieuwe Voedsel en Warenautoriteit.
In geval van een infectie die aan het beroep is gerelateerd contact opnemen met de arbodienst.
De nieuwe Voedsel en Warenautoriteit beschikt eveneens over een richtlijn ‘Brucellose’. Dit is toegankelijk via www.vwa.nl (Wet- en regelgeving, Instructies en draaiboeken, Draaiboeken dierziekten).
Op de website van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en
Voedselveiligheid is een korte voorlichtingsbrochure over
brucellose te vinden.
Informatie over infectieziekten in de werkomgeving is te vinden via
www.KIZA.nl
LCI oktober 2007, laatst gewijzigd september 2012
Dit symbool markeert
de alinea’s met arbeidsrelevante informatie over
infectieziekten.